Het bloed van Christus Preek ds Nico den Bok / 17 mei 202 / Luk 24: 44-49 en Hebr 9: 13-22

Het bloed van Christus        preek ds Nico den Bok / 17 mei 202 / Luk 24: 44-49 en Hebr 9: 13-22

Wat had ik daar graag bij geweest. Bij dat moment waarop Jezus als opgestane zich in het midden van zijn discipelen plaatst en voor hen allemaal doet wat hij voor twee van hen, de Emmaüsgangers, al eerder had gedaan: hun ogen openen  voor het Oude Testament, hen laten zien dat daar staat dat de Messias moest sterven en opstaan. Wie zelf in het Oude Testament gaat zoeken, vindt dit daar niet zomaar terug. Waarom moest onze redder sterven? Zijn hemelvaart onderstreept dit nog eens: hij is nu echt heengegaan. Waarom heeft uitgerekend Jezus’ dood die geweldige, positieve, reddende betekenis voor ons mensen, zozeer dat we moeten wachten op Kracht van boven om dit aan alle mensen te vertellen?

  • Misschien zoeken we niet helemaal goed. Als Jezus zegt: Het staat in de Schriften, gaan wij al snel op zoek naar oudtestamentische teksten die het zeggen. Maar niet alleen teksten, ook dingen die volgens het Oude Testament gebeurd zijn in de geschiedenis van Israël, zoals de bevrijding uit Egypte, spreken van de Messias en zijn weg. En ook dingen die volgens het Oude Testament gebeuren in het dagelijkse leven van het oude Israël, zoals het brengen van offers in de tabernakel of tempel, ook die spreken van hem. Dit laatste is zelfs tot in detail uitgewerkt in éen boek in het Nieuwe Testament, de brief aan de Hebreeën. Hebreeën zegt dat de dood en de hemelvaart van Jezus de vervulling zijn van de oudtestamentische offerdienst. De schrijver van deze brief schrijft met een vuur alsof hij bij dat moment met de opgestane schriftuitlegger aanwezig is geweest.

Op zich komen we met zijn uitleg op vertrouwd christelijk terrein. Christus moest sterven om het offer van zijn leven te brengen. Maar dat drijft bij ons christenen, zeker protestantse christenen, niet zelden naar een visie die het Oude Testament op dit punt al snel buiten spel zet. Christus’ offer, zeggen wij, heeft de oudtestamentische offers overbodig gemaakt. Hij heeft de offerwetten eigenlijk niet vervuld, maar afgeschaft. Hebreeën is voorzichtiger. Laten we zien hoe het bloed van Christus vanuit het Oude Testament zijn betekenis krijgt.

Daarvoor moeten we eerst terug naar het Oude Testament zelf. Waarom bevat de Wet van God voor Israël zoveel geboden over de offerdienst? Waarom moest Israël op gezette tijden offeren? Daarover bestaan veel misverstanden, vooral bij moderne westerse mensen. Eén misverstand is, dat elk offer in het Oude Testament een zondoffer is, dus een offer dat je aan God brengt als je iets verkeerd hebt gedaan, bv éen van de tien geboden overtreden. Maar de Wet schrijft nog vele andere offers voor. Daar zal ik straks op terugkomen.

Eerst even een tweede misverstand. Die gaat over het zondoffer zelf. Bij dat offer wordt een dier gedood. Maar dat zit ons niet lekker. Wij denken bij het doden van een dier aan het vernietigen van leven en veronderstellen dan dat, als dat de zonde wegneemt, het kennelijk de prijs is die betaald moet worden voor de zonde die begaan is. Is die prijs betaald, dan is de zonde weggenomen. Eigenlijk betaalt het dier de prijs, in plaats van de offeraar. Deze gedachte lijkt in het Nieuwe Testament doorgetrokken te worden. Jezus is het lam dat geslacht is voor onze zonden. Zijn bloed is de prijs voor onze verlossing van zonden, voor onze vergeving.

  • Herkenbaar uit onze orthodoxe protestantse traditie, denk ik. Alleen, weinig bijbels. Het doden van het offerdier wordt hiermee opgevat als een straf die betaald moet worden voor de zonde. Maar het Oude Testament ziet het offeren van dieren nergens als straf op de zonde (die dan door het dier plaatsvervangend gedragen wordt). Het enige gebruik in Wet en Profeten dat hieraan doet denken, is het offer dat gebracht werd op de Grote Verzoendag. Maar op die dag werd niet een lam, maar een bok gebruikt; die werd beladen met de zonden van het volk. En deze bok werd niet geslacht, maar de woestijn ingestuurd. Op de Grote Verzoendag was er nog een tweede bok, die wel geslacht werd. Maar dan gaat het niet om de vernietiging van zijn leven, maar om dit leven zelf. Het leven van dit dier zit in zijn bloed, zo staat er (Lev 7:26v). Dat bloed werd door de hogepriester op alle voorwerpen in de tempel gesprenkeld, inclusief de ark van het verbond in het heiligste deel van de tabernakel, waar God woont. Om het hele huis van God te reinigen. Het moet ook een gaaf offerdier zijn, zonder gebreken. Dit offer van een gaaf leven is aangenaam voor God, wordt erbij gezegd. En alleen iets dat aangenaam is voor God, maakt voor zonde goed.

Het doden van een dier is God niet aangenaam. Dat staat óok in de Wet. Daarom mag bloed ook niet gegeten worden (in vlees). Bloed reinigt, zei ik al, maar reinigen kan alleen iets dat zelf rein is. Van fysiek bloed op zich kan je toch niet zeggen dat het reinigt; van de dood op zich ook niet. Dit zijn allemaal aanwijzingen dat, om het nieuwtestamentisch te zeggen, een zondeloos leven nodig is om in Gods aanwezigheid te kunnen zijn. Dát is Hem aangenaam, dat maakt goed voor zonde.

Wie een offer bracht in de tabernakel of tempel zegt dus zoveel als: ‘Ik kan niet in Uw nabijheid zijn, God, ik heb gezondigd, het spijt mij vreselijk. Neem het leven van dit dier, neem het aan voor mijn leven, dan kan ik weer voor U staan’. Dit kan nog beter vanuit God gezegd worden. ‘Als jij zondigt, zegt de Heer, geef Ik jou iets dat dit weer goed kan maken. Ik geef je een gaaf leven dat je in jouw plaats aan Mij kunt geven. Dat leven neem ik aan voor jouw leven, daarin sta je weer gaaf voor Mij’. God zelf zorgt voor het lam.

Nu doen wij meestal niet éen ding fout in ons leven, maar meerdere en meermaals. Als we éen offer konden geven voor alles wat we in ons hele leven fout doen, zou dat een zondeloos leven van geboorte tot dood moeten zijn. En dat kan dan eigenlijk niet het leven van een gaaf dier zijn, want een dier kán niet zondigen. Het moet het leven van een mens zijn, het moet eigenlijk ons eigen zondeloze leven zijn, ons leven zoals de schepper het bedoelde. Maar dat kan alleen gegeven worden door een ander die zijn zondeloze menselijke leven geeft voor ons, die met zijn gaafheid instaat voor ons. In deze lijn denkt Hebreeën door op de oudtestamentische offerdienst.

En dan komt het evangelie, dan komt de brief met het goede nieuws. Er is een mens gekomen die niet gezondigd heeft, van geboorte tot en met dood, die een leven leidde dat God helemaal aangenaam was, in al zijn doen en laten, in spreken en zwijgen, in leven en sterven. Een mens die God liefhad boven alles, en zijn naasten liefhad zoals zij dit als schepselen verdienen, en meer dan zij verdienen. Deze mens heeft zijn leven gegeven om ons te verlossen van zonden. Hij staat voor ons in. Instaan voor een ander, instaan voor een ander die iets ergs doet, dat kun je niet doen als je zelf dat erge ook doet. Je kunt niet de schuld van een ander betalen als je zelf in de schulden zit. En je doet het alleen als je met hart en ziel liefhebt, je doet het voor een kind, een broer, een vriend, een geliefde. Jezus doet dat voor ons allemaal. Hij staat met zijn mens-zijn in voor ons mens-zijn.

We zeggen wel eens: liefde vraagt een offer. Maar wat is het hart van elk liefdevol offer? Is dat niet de toewijding van een leven, een goed leven, een liefdevol rechtdoen over de hele linie van het leven, dáarmee voor een ander instaan? ‘Zo spreekt de Heer: al wie in dankbaarheid / aan mij het offer van zijn leven wijdt, / houdt mij in eer en heeft mijn wil verstaan’ (Psalm 50). Het offer van liefde kán een offer worden in de zin van iets dat veel kost, iets dat misschien zelfs je leven kost en een pijnlijke dood brengt (‘bloed in deze zin). Maar deze prijs komt in beeld als de goede toewijding van het leven in moeilijke omstandigheden gegeven moet worden, bij weerstand en onbegrip en agressie van anderen. Die brengen lijden en dood. Dit lijden en deze dood hebben geen waarde, geen verlossende kracht op zich, zij zijn vreselijk en kunnen veel beter niet gebeuren, zij worden niet gedaan door hem die liefheeft. Zij zijn zonde. Wat zij wel doen: zij dwingen om te laten zien hoe sterk de liefde is, de wil om het goede te blijven doen en te blijven instaan voor de ander. Is de liefde sterk als de dood, of toch niet?

  • We kunnen nu ook zien waarom veel offers die in Israël voorgeschreven waren, in het geheel niet bedoeld zijn om voor zonden goed te maken. Ik beloofde hier nog even op terug te komen. In het Oude Testament worden ook meeloffers en reukoffers voorgeschreven, en eerstelingsgaven. Die offers waren allemaal bedoeld om God te eren, niet als verlosser van zonden, maar allereerst als schepper van leven. Neem de eersteling: dat was het eerste van elke oogst dat aan God gegeven moest worden, in dank voor zijn werk. Hij die alle leven geeft wil dat wij zijn werk erkennen en eren.

Zonde is dat wij deze erkenning niet geven. Dat wij, persoonlijk en met elkaar, de schepper niet de eer geven die Hij verdient. –Het enige dat helemaal van zonde verlost, is dat dit alsnog gedaan wordt. –Straf kan dat niet; straf maakt het leven dat niet goed geleefd is, niet alsnog goed. Integendeel, het maakt het alsnog goedmaken moeilijk, zo niet onmogelijk. Wat nodig is om het weer helemaal goed te maken is dat het leven van iemand die zondigde wordt zoals God het bedoelde. En dát zien we bij zondoffers: een gaaf leven wordt aan God teruggegeven, een leven zoals Hij het graag ziet als vrucht van Zijn werk, maar nu als leven dat instaat voor degene die zondigde.

Zo wordt vanuit de oudtestamentische offerdienst duidelijk dat er een rode draad is tussen zondoffer en scheppingsgave. God heeft ons goed gemaakt, en wil dit werk voltooien zodat we voor altijd in zijn nabijheid kunnen leven. En Hij houdt vast aan zijn oorspronkelijke plan, Hij wil bij ons zijn, Hij deze nabijheid blijvend maken, en daarvoor is nodig dat wij onbevlekt, zonder zonde zijn (zie bv 1Thes 5:23, Op 14:5). Maar omdat wij mensen allemaal zondigen, in welke vorm of mate ook, hebben wij allemaal een zondeloos mens nodig die met zijn gave leven voor ons leven instaat. We hebben allemaal het Lam nodig dat de Schepper zelf ons geeft. Zo zien we ook waarom Jezus in het Nieuwe Testament de erenaam ‘eersteling van de schepping gekregen heeft.

Nu mag ik nog éen ding toevoegen. God heeft ons niet alleen dit Lam gegeven, Hij heeft ons ook zijn Heilige Geest beloofd. Hij wil ons kracht van boven geven, de kracht om in het Lam te gaan geloven, in de Messias die moest sterven, de kracht om hem na te volgen, zodat Hij ook met ons zijn oorspronkelijke doel zal bereiken. Daartoe zal de Geest ons ook moeten overtuigen van onze zonden, want zonden zijn levensgevaarlijk. Zij brengen scheiding tussen ons en Hem die ons het leven geeft. Maar Goddank kan het nog helemaal goed komen. Dankzij het bloed van Christus.

Hebreeën heeft gelijk: geen vergeving zonder bloed. Maar dan wel bloed in de Bijbelse zin van het woord: bloed dat staat voor leven, zijn zondeloze leven, zijn leven dat zondeloos bleef tot in de hardste, door menselijke zonden veroorzaakte omstandigheden. Het leven dat hij als mens leefde in een ongebroken trouw aan Gods oorspronkelijke bedoeling, het leven dat door mensen gedood werd, maar door God is opgewekt uit de dood, dát leven wil God als ons leven zien, want Christus heeft het voor ons gegeven, en hij wil het met ons delen.

 

UIT DE LITURGIE

Elke eredienst is een eenheid van lied, gebed, lezing en uitleg. Daarom vindt u hieronder de belangrijkste onderdelen van de liturgie voor en na de preek.

 

Drempelgebed 

Heer, onze God,
in het oude Israël kon niet iedereen
zomaar de tempel binnenlopen
om in uw aanwezigheid te zijn.
Alleen de hogepriester kon dat doen,
en ook hij alleen na een offer.

In onze kerk lijkt dat allemaal weg.
Maar U bent niet veranderd
en wij mensen ook niet veel.

God, help ons verstaan hoe Jezus
alles anders heeft gemaakt
en toch ook niet.
Help ons onze eredienst
te heiligen – help ons
onszelf te heiligen,
in zijn naam.
Amen.

 

Intochtslied 662: 2,3

Welkom en inleidende woorden

Iedereen van harte welkom, hier in de Wilhelminakerk. Ook zij die thuis meekijken. Het is vandaag de zondag na Hemelvaart. Jezus is heengegaan, zijn hemelvaart heeft dat op een eigen manier onderstreept. Straks zendt God de Heilige Geest om ons tot getuigen te maken van zijn dood en opstanding, als goed nieuws voor alle mensen. Dat gaat behoorlijk tegen ons gevoel in. Waarom is de dood van Christus goed nieuws, evangelie? –Jezus heeft deze vraag zelf aan zijn discipelen na Pasen uitgelegd. Dat deed hij door hun ogen te openen voor het Oude Testament. Laten wij ons licht aansteken aan zijn licht.

Aansteken van de gemeentekaars

Gebed van verootmoediging (responsie: lied 367e)

God, we hebben het zo vaak gezongen, aan het begin van een dienst in deze kerk: Wie is de mens die op zal gaan / en voor uw heilig aanschijn staan? / Wie mag de tempel binnentreden? En steeds zongen we het alsof we het antwoord al heel lang weten: Wie rein van hart en handen is. Die mag uw huis binnentreden. –Maar weten we dit werkelijk? Zijn we in deze wetenschap vanmorgen hier weer binnengekomen? Help ons beseffen wat we geloven, Heer, zo bidden wij U allen tezamen..

Wij zouden niet hier zijn als wij niet in uw nabijheid wilden zijn. Wij willen bij U zijn, God, en U wilt bij ons zijn. De hele Bijbel, het boek dat wij hier elke zondag openslaan, getuigt daarvan. Maar of wij naar U komen, of U naar ons komt, in beide gevallen is er eigenlijk dezelfde Drempel: dat U heilig bent, en wij niet. Als we eerlijk zijn weten we dat ook, we weten dat dit ons van U gescheiden houdt. De hele tempeldienst met zijn offers was aan de Israëlieten gegeven als een buffer, zodat U, die driemaal heilig bent, toch bij hen kon wonen. Zou ook de kerk niet iets van deze rol moeten hebben, Heer? Help ons, dit besef is grotendeels weggevallen, we vrezen U zo weinig. Zo bidden wij U alle tezamen..

Glorialied 517: 2,3

Gebed bij de opening van de Bijbel. Aansteken van de kinderkaars

Brieflezing, tevens oudtestamentische lezing: Hebreeën 9: 13-14 + 22

Psalm 51:4

Evangelielezing: Lukas 24: 44 t/m 49

Psalm 27:7

Stilte, orgelspel

Lied 536: 2,3,4

Gedenken Fransje Bekink. Aansteken van de gedachteniskaars

Voorbede en dankgebeden (responsie lied 368d)

Dank U wel, God, voor het leven van ons overleden gemeentelid, voor alle zegeningen die zij heeft ervaren en mogen doorgeven. Neem haar op in uw schoot, wis haar tranen af. Wees ook met haar kinderen en kleinkinderen, met allen die haar gekend hebben en haar zullen missen, ook in ons midden. We bidden U voor de familieleden die ons ontvallen zijn, of over wie we ons zorgen maken, U kent ze bij name. Zo bidden wij U allen tezamen…

Dank U wel dat we allemaal een beetje uit ervaring weten wat het betekent, dat iemand instaat voor ons als wij de fout ingaan. We weten ervan vanuit vriendschap, we zien het bij ouders die inspringen voor hun kind. We weten ook dat, hoe groot het offer soms is dat wij mensen brengen, het toch altijd beperkt is, en vaak ook niet helemaal zuiver. Dank U wel Heer, dat U het offer bracht dat helemaal goedmaakt voor al onze tekortkomingen en fouten, en dat U dat helemaal zuiver deed, als vlekkeloos lam. Zo bidden wij U allen tezamen..

Dank U wel dat U, schepper van hemel en aarde, onder ons gekomen bent. U bent tot Israël gekomen in rook- en vuurkolom, in wet en profeten, en tenslotte in een mens die in alle opzichten is als wij, behalve de zonde. Heer, wij mogen met de Israëlieten uw aangezicht zoeken, en wij mogen het nu zoeken in het gelaat van deze mens, deze Israëliet die in omstandigheden kwam waarin wij mensen kunnen komen en daarin met dezelfde zwakheden stond als wij, maar niet zondigde. Dank U wel, God, dat hij met zijn leven voor ons leven wil instaan, en dat uw Heilige Geest ons de kracht geeft om in ons leven meer op hem gaan lijken. Zo bidden wij U allen tezamen…

Stil gebed

Onze Vader

Slotlied 360: 1,5,6.

Zegen (responsie: lied 415:3)