Wij zijn de kandelaar | Epifanie – 3 januari 2021

Gemeente van Jezus Christus,

Sinds deze Kerst weten we weer iets meer over de ster van Bethlehem. Het is u ook vast opgevallen in het nieuws. De ster van Bethlehem kan mogelijk geïdentificeerd worden in de van tijd tot tijd op één lijn staande planeten Jupiter en Saturnus. Dat was na eeuwen weer eens het geval op 21 december jl. En wie nauwkeurig terugrekent, zeggen wetenschappers, moet tot de conclusie komen dat dit fenomeen aan de hemel zich ook heeft voorgedaan rond de geboorte van Christus. Hoe dit ook zij, geschiedenis wordt altijd heilsgeschiedenis in de Bijbel. Historische gebeurtenissen vinden hun bestemming, hun bedoeling in betekenis, in goddelijke betekenis, als de hemel de aarde en alles wat daarop en daarboven gebeurt, raakt. De betekenis van de ster van Bethlehem ligt verscholen in het feit dat alleen de magiërs de ster hebben gezien en niemand anders. Daar zijn het dan ook magiërs voor. Zij hebben dat talent; om aan het hemelgewelf verschijnselen te onderscheiden die opmerkelijk zijn. Belangrijker nog: waarschijnlijk wil de evangelist Matteüs er mee vertellen dat déze magiërs uit het Oosten deze ster zagen, omdat God dat wilde. De ster is niet in de eerste plaats een opvallend hemelverschijnsel, interessant voor sterrenkijkers en andere wetenschappers; het is in de eerste plaats een geschenk, een genadegave van God zelf, die daarmee in vervulling doet gaan wat we al in de Tenach, het Eerste Testament, kunnen lezen, bijvoorbeeld in Jesaja 60 waarin ons wordt verteld dat het licht van het nieuwe Jeruzalem over vreemdelingen, over de volken, opgaat. De evangelist pakt met dit verhaal dus de draad op van het aloude verhaal van het joodse volk dat leeft in verwachting van de komst van de Messias en dat krijgt aangezegd dat uiteindelijk over alle volken het licht van de Heer zal schijnen, een licht dat in Jesaja wordt verbonden met Jeruzalem als regeringszetel en dus met het nieuwe koningschap dat God ooit zal vestigen op aarde en in de hemel. Dit verhaal is dus zoals heel veel verhalen een kwestie van compositie die niet accuraat en getrouw wil uitdrukken wat er in historische zin is gebeurd, maar dat wel wil vertellen hoe dit licht verschil uitmaakt, hét verschil uitmaakt ín onze menselijke werkelijkheid. Het verhaal van het licht boven Bethlehem en van de magiërs die dit licht volgen en zo bijdragen aan de openbaring, de epifanie, de verschijning van Jezus, laten zien dat het koningschap waarop het joodse volk wacht, moet worden gezocht in Jezus. Waar je bij de woorden en beelden van Jesaja nog zou kunnen denken aan een koning op een troon in Jeruzalem, die voor het volk van Israël een keer brengt in zijn geschiedenis, radicaliseert het verhaal in Matteüs het overgedragen motief van het licht en van die nieuwe koning. En dat begint al met het gegeven dat het licht juist wordt gezien en gevolgd door vreemdelingen. Het zijn niet de priesters en de schriftgeleerden die het hadden kunnen weten op basis van de schriften, de overgeleverde teksten, maar het zijn sterrenkijkers. In de sterren, in die ene ster, ooit door God zelf aan de hemel gezet, lezen zij dat er een nieuwe koning van de Joden is geboren; en met die ontdekking groeit het verlangen die koning ook eer te gaan bewijzen. Ze moeten op weg nu ze het licht hebben gezien en weten wat dit te zeggen heeft. Midden in den vreemde, onder mensen die waarschijnlijk weinig benul hadden van die eigenaardige God van Israël, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, gaat een licht op, een ster die geen andere kant op wijst dan die van een kind, geboren in een schamel onderkomen en neergelegd in een voederbak. Als diezelfde magiërs daar aankomen, lijken zij ook helemaal niet verbaasd. Ze wéten niet alleen dat dit koningskind is wat het licht hen in het vooruitzicht heeft gesteld, ze gelóven het ook; en ze laten hun kostbare geschenken bij Hem en bij zijn ouders achter: goud, wierook en mirre. Na het geschenk van het licht, laten zij hún kostbare geschenken achter bij Jezus. Het verhaal vertelt ons dat ze daarna naar huis terug zijn gegaan. En dat zijn dan ook de laatste woorden over deze magiërs. In de loop van de geschiedenis zijn het er drie geworden en hebben ze zelfs namen gekregen. Het is in de Bijbel zelf allemaal niet terug te vinden. Het doet er ook niet toe. Het enkele feit dat dit verhaal in de Bijbel staat en dat het de basis is geworden voor het Epifanie, het feest van de openbaring, de verschijning van Jezus aan de wereld, is veelzeggend of zou ons althans veel te zeggen moeten hebben. En dat verhaal is zó opmerkelijk dat er vast wel enige historische basis voor is. Zoiets verzin je niet.

 

In zekere zin zijn wij erfgenamen van de magiërs; niet omdat wij ook zo goed de sterren kunnen lezen, maar omdat wij net als zij gelovigen ‘uit den vreemde zijn’; de gelovigen waar Paulus over spreekt in het gelezen gedeelte uit de brief aan de Efeziërs als hij het over de heidenen heeft. Net als de magiërs zijn wij ‘uit de volken’, dat wil zeggen: niet uit het uitverkoren volk dat zo nauw verbonden is met de schriften en dat zo vertrouwd is met de God van die schriften, maar uit de volken om dit uitverkoren volk heen, de gojiem, waarover, zoals we zagen in Jesaja, een licht opgaat, een licht dat ons verlangen en onze navolging meer dan waard blijkt te zijn. Paulus spreekt over een mysterie, en dat is het ook. Hoe bestaat het dat in Jezus de exclusiviteit van het verhaal van God met zijn uitverkoren volk inderdaad is opengebroken en letterlijk een hele wereld in beweging heeft gebracht. De magiërs waren de eerste mensen in een hele lange geschiedenis van miljoenen die Jezus als koningskind, hun eer hebben willen bewijzen, tot op de dag van vandaag. ‘Komt laten wij aanbidden, die Koning.’ Misschien heeft u het deze Kerst nog gezongen.

Maar dat licht, die ster van Bethlehem, die zomaar opging over het leven en het werk van de magiërs uit het Oosten, roept dat bij ons ook nog steeds dezelfde verwondering op, zet het ons in beweging, roept het hetzelfde verlangen op om het te gaan volgen en in Christus het licht voor de hele wereld te herkennen? Misschien helpt het om voor een begin van een antwoord stil te staan bij de aard van het koningschap van Jezus. Het licht van de verschijning gaat op over het koningschap van Jezus en daarin wordt met Epifanie het geheim onthuld van wie Jezus is en van wat Hij betekent voor de mensen. Het is niet voor niets dat in dit verhaal twee koningen tegenover of naast elkaar worden gezet. Die ene koning: Herodes die zijn macht heeft gebouwd op een cultuur van angst en die zelfs de dood van zijn eigen kinderen niet schuwde om die macht maar vast te kunnen houden; die koning die het op een akkoordje had gegooid met de bezetter en een vrede probeerde te handhaven die je nauwelijks vrede kan noemen, geen shalom in ieder geval; die koning die bij de komst van de magiërs geen deelgenoot wordt van hun verwondering, hun oprechte nieuwsgierigheid en hun wens te aanbidden wat hen door een bijzondere ster is geopenbaard, maar die gelijk de paniek om het hart slaat, en zo weten wij uit een ander verhaal, alleen nog maar denkt: hoe kom ik van deze concurrent af? Angst, dood, macht, paniek – dat is zijn vocabulaire. Het is zonneklaar dat koning Jezus, een zuigeling, voor deze tiran helemaal geen partij is, en dat is Hij eigenlijk niet tot op de dag van vandaag. Zijn koningschap kan hoe dan ook niet vergeleken worden met dat van een aardse heerser. Zijn koningschap is niet van deze wereld. En met Kerst is de eerste uitdrukking daarvan zijn komst in onze werkelijkheid als een klein kind, geboren uit een meisje, minste onder de mensen. En een tweede uitdrukking daarvan nu met Epifanie is dat zijn koningschap wordt herkend en erkend door vreemdelingen, en niet in eerste instantie door de mensen die het hadden kunnen weten. En dat de hemel openbreekt over herders in het veld, zoals wij kunnen lezen in het Evangelie naar Lucas, moet ook al te denken geven. In alle opzichten is het koningschap van Jezus ver verwijderd bij wat wij ons, ook vandaag nog, voorstellen bij een koning. Dit zijn de eerste stapjes van koning Jezus die uit de verborgenheid van God is geboren en alle mensen als geschenk wordt gegeven. Wat of wie aanbidden wij vandaag de dag? Trekt het licht dat ooit over de magiërs is opgegaan ook een diep spoor door ons leven, leidend naar Jezus als die andere koning van ons leven? Het is niet aan mij om die vraag te beantwoorden. Dat kunt u alleen zelf. Ziet u in het licht van de ster van Bethlehem Jezus zelf, dat volstrekt aan de genade van anderen overgeleverde kind, die koning die herders en vreemdelingen ontvangt als zijn eerste onderdanen? Deze Jezus is ons verschenen. Deze Jezus is het licht van de wereld. Lied 500 spreekt in het laatste couplet over de gloed van de genade die het ontstoken licht van Jezus voor ons wil zijn. Je ziet het niet alleen, je kunt het ook voelen. De vraag aan ons is of we het ook werkelijk voelen. Breekt dat licht van de ster van Bethlehem ook nog door in onze werkelijkheid en voelen we de warme gloed die het verspreidt? Alleen zo kan dit licht van Christus ook geschiedenis blijven maken. Wij zijn nu de lichthouder, de kandelaar. Aan ons is het om als onderdanen van die andere koning niet alleen zijn licht te laten schijnen, maar daarmee ook het duister te verdrijven. Van één ding kunnen wij zeker zijn: dat licht dat is gaan schijnen, dooft nooit meer uit, zelfs als wij niet meer schijnen. Sterker nog: de verschijning van de Heer in het licht van de ster van Bethlehem was voor eens en voorgoed. Dat licht draagt ons en slaat steeds weer scheuren in het duister van ons bestaan en van de wereld om ons heen. Ook daarin is Christus Koning anders. Hij dwingt het licht niet in ons af, maar doet het zelf steeds weer over ons opgaan, als het moet iedere dag opnieuw.

 

Epifanie: het licht van God zelf is in Jezus Christus over ons aller leven opgegaan. Hij is aan ons verschenen als de koning van de wereld, van een andere wereld, waar wij vandaag weer een glimp van hebben mogen opvangen en dat is meer dan genoeg.

 

Amen.

Wijkgemeente Wilhelminakerk, Bussum
Lezingen: Jesaja 60:1-6, Efeziërs 3:1-12 en Matteüs 2:1-12
ds. Wielie Elhorst