Voorbereiden op het leven dat komt

Voorbereiden op het leven dat komt   

 

Teksten uit de dienst van 11-10-20, Wilhelminakerk

 

Drempelgebed

God wees met ons

nu we uw aanwezigheid zoeken

hier in uw huis. Bescherm ons,

we voelen ons kwetsbaar.

Meer dan ooit zien we uit

naar het leven dat komt, bevrijd,

niet langer ingeperkt en elkaar mijdend.

Help ons overwinteren, Heer, voorbereiden,

vertrouwen dat het leven uw leven is,

U die beloofd hebt dat U komt,

U die ons zegt: Vrees niet,

hier ben Ik.

Wees met ons,

Heer, hier zijn we,

wees met ons allen

waar we ook zijn.

 

Welkom en inleidende woorden

Iedereen van harte welkom in deze dienst, u hier in de kerk en u die nu meeluistert en meekijkt thuis. Onze groep is door de laatste maatregelen weer kleiner geworden, maar we mogen erop vertrouwen dat onze Heer ons met zijn aanwezigheid zal zegenen. Hij nam met nog heel wat minder genoegen: ‘waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn’:)

Het thema van vanmorgen is: voorbereiden op het leven dat komt. In een opgelegd isolement hoeft de actualiteit hiervan geen uitleg. Natuurlijk zien we uit naar een beter leven! Tegelijk stelt dat ook vragen aan ons. Hoe zal het leven zijn dat komt? We hopen dat het een beter leven is, maar wat is een beter leven? Willen we zo snel mogelijk ons oude leven terug, of willen we iets meer, iets duurzamers? Waar zien we naar uit?

 

Gebed om ontferming

God, wees met allen die opnieuw bevreesd zijn, nu het virus weer om zich heen grijpt in ons land. Geef hen vrede zodat ze voorzichtig, maar ook nuchter en vrijmoedig kunnen blijven.

Wees met hen die zich wat al te vrij voelen, die alle coronamaatregelen onzin vinden. Heer, wek hun geweten.

Wees met hen die in deze tijd te maken hebben met éen van de gewone kwalen waardoor mensen geplaagd worden, maar die nu minder geholpen kunnen worden. Wees met onze gemeenteleden die met een hersenbloeding of met een gebroken heup in een ziekenhuis beland zijn, sterk hen, God!

Zo bidden wij U allen in Jezus’ naam, amen.

 

Moment voor kinderen en volwassenen

Kennen jullie de zanger Stef Bos? Hij is heel bekend in Nederland, laatst was hij weer op TV. Nog niet zo lang geleden heeft Stef Bos een liedje gemaakt dat veel mensen in ons land kennen. Het heet ‘Als ik later..’ We gaan het straks horen, maar eerst wil ik jullie vertellen hoe dit liedje ontstaan is. Bos heeft dat op de TV uitgelegd.

Op een dag vroeg hij zijn zoontje: Wat wil je worden als je later groot bent? Julian, heeft je vader of moeder of oma je dit ook wel eens gevraagd? Wat wil je worden als je groot bent? Is er iets wat je later graag zou kunnen en wat je nu nog niet kan? Ken je iemand die je heel mooi vindt, die je heel goed vindt, iemand van wie je zegt: Zo wil ik later ook zijn?

Het zoontje van Stef Bos moest even over de vraag van zijn vader nadenken. Hij zei: En jij, papa, wat wil jij worden als je later dood bent? Oeps, vader Bos moest even slikken. Zijn zoontje had wel meer grappen, of vindt hij zijn vader erg oud? Ineens kreeg vader Bos het idee van dit liedje. ‘Als ik later dood ben’ – is dat eigenlijk wel zo’n gekke vraag? Is het wel een heel andere vraag dan ‘Als ik later groot ben?’

Als we naar het liedje luisteren, is het antwoord: nee. Ook in het liedje vraagt de vader: wat wil ik later worden? Wat zou ik graag kunnen wat ik nu niet kan? Wie zou ik willen zijn, later? Alsof we deze vraag ook kunnen stellen als we dood zijn!

Maar kan dat dan niet? vragen onze kinderen en kleinkinderen aan ons.

We gaan nu het lied van Stef Bos horen. Vanwege copyright zullen mensen thuis dit even niet kunnen meemaken. Maar dat is gemakkelijk in te halen, na de dienst of misschien nu al, als u zelf naar Youtube gaat en het liedje aanklikt, ‘Als ik later dood ben’. Voor ons hier in de kerk is het eigenlijk het glorialied. Het is geen glorialied zoals we dat meestal zingen, maar het roept zo wel de vraag op die ik vanmorgen wil stellen en die past bij de situatie waarin we ons allemaal bevinden, binnen en buiten de kerk. Durven we het verlangen dat uit dit liedje spreekt stem te geven? En hoe doen we dat dan?

 

 

Uitleg en verkondiging

Als ik later dood ben – velen van ons denken: dan houdt alles op. Of in elk geval: wat dan komt is niet te zeggen. Of, we moeten daar maar niet aan denken. Zijn er geen belangrijker dingen om ons mee bezig te houden? Er is zoveel nood. En laten we zo lang mogelijk van het leven genieten.

Deze reactie is in de afgelopen maanden weer heel sterk geworden; en hoe begrijpelijk. De fysieke nood is zeer dichtbij gekomen, we zitten er midden in. Hoe raak ik niet besmet? Hoe voorkom ik dat ik een ander besmet? Hoe zorg ik voor mijn ouders, of mijn gemeenteleden die nu vereenzamen? Dat zijn de vragen die ons bezig houden. We zijn ons pijnlijk bewust geworden van de kwetsbaarheid van ons lichaam; en van de kwetsbaarheid van onze welvaart, onze materiële zekerheden.

Deze focus op het hier en nu, deze inperking van onze aandacht tot de dingen waartoe ons leven is ingeperkt door corona, heeft de vraag ‘Als ik later..’ toch niet doen verstommen. Integendeel. Alleen, ook deze vraag is gefocust op ons lichamelijke, materiële leven. Als ik later.. weer kan gaan en staan waar ik wil. Als ik later mijn lieve moeder en mijn oude buurvrouw weer kan knuffelen. Als ik later weer alle mensen kan ontvangen die er in mijn restaurant of kerkzaal passen. Hoe sterk is dit verlangen, juist nu het ingeperkt is!

Maar als we niet meer verlangen dan dit, hebben we de kindervraag in feite losgelaten, want dan hebben we de groeimogelijkheid die in de vraag zit laten vallen, de hoop op verbetering, ja de wil om dingen beter te gaan doen dan we deden. Dan vragen we niet: als ik later groot ben, maar als ik later weer even klein kan zijn dan ik nu ben. Is dat wat we willen? Alleen maar herstel?

Er zijn mensen om ons heen die het verlangen naar beter niet loslaten. Ze voelen dat er meer nodig is dan herstel; tegen de druk in zien ze nieuwe kansen, willen ze dingen anders gaan doen. Zelfs als we niet helemaal zullen kunnen herstellen omdat de klap die onze gezondheid of onze economie gekregen heeft blijvende sporen zal achterlaten, zelfs dan kan geloofd en gehoopt worden dat er meer mogelijk is. Een beter leven binnen smallere marges.

In deze richting stuwt ook het lied van Stef Bos. Hij zingt van een verlangen naar meer, een hoop op beter, mooier. Hij wil voor zijn zoontje de vader zijn die hij niet voldoende was. Hij wil de liefde tonen die hij niet genoeg getoond heeft. Hij wil boven zichzelf uitstijgen, maar in alle nuchterheid, niet idealistisch of je droom volgend, zoals het vroeger vaak ging. Misschien mag ik ook zeggen: hij wil het kinderlijke afleggen en volwassen worden – net als zijn kind dat wil.

En dan komt het meest bijzondere. Uit het lied spreekt het geloof dat die groei niet hoeft te stranden op de inperkingen die het leven ons oplegt. Dat is al heel mooi, maar er is meer. Dit geloof hoeft zelfs niet te stranden op de inperking die het leven zelf is opgelegd. Stef Bos neemt de verspreking van zijn zoontje over en zingt: Later als ik dood ben. Dan zal ik de dingen doen die nu bij mij zo matig uit de verf komen. Later als ik dood ben zal ik zijn wie ik nu zo weinig, te weinig ben…

We staan hier op de rand van een oer-christelijke hoop. Een hoop die velen bijna niet meer durven hopen. We zien allemaal uit naar een leven dat komt. We bidden er bijna dagelijks om, we bidden er wekelijks om: Uw Koninkrijk kome. We proberen naar deze hoop te leven zolang we leven – maar durven we dat ook nog te doen als we sterven? Durven we ook dan uitzien naar een leven dat komt? Niet meer van hetzelfde – meer van hetzelfde houdt een keer op, ook zonder corona of een andere rampspoed. Nee, meer dan hetzelfde, een beter leven. Een leven dat alles wat in dit leven onaf bleef voltooit. Een leven waarin alle tranen van de ogen afgewist worden en de schuld van ons leven afbetaald. En daarmee een dood die ons leven niet eindigt, maar voleindigt.

Zo zijn we in de buurt van Paulus gekomen. Maar laten we niet te snel gaan, we hebben al moeite genoeg om deze ene stap te zetten, om het verlangen naar een leven dat komt door te trekken tot in en voorbij de dood. Velen van ons haken af, we luisteren naar het liedje van Bos met een vertederd of wat meewarig gevoel: Dit is poëzie, toch een mooie droom. Wie realistisch is beperkt zich al gauw weer tot dit leven, en dit leven levend alsof er geen God is. Alsof er alleen maar fysieke, materiële realiteit is, met al haar wel en wee, en de emotionele en sociale reacties die dit oproept in mensen.

Mag ik twee gedachten meegeven uit de christelijke traditie, die ons nog wat dichter bij Paulus brengen. De eerste gedachte is dat de hele bijbel ons bewust wil maken van een leven dat komt, en dat daarbij ook een duidelijke grens ervaren wordt. Genesis vertelt dat de schepping het begin van leven is, maar een leven dat al snel een geschiedenis krijgt en dat al snel op de harde grens van dood stuit. Een geschiedenis die eigenlijk pas goed begint met Abraham, als hij op weg gaat naar een onbekende toekomst, naar een leven dat komt. Alleen zo worden de Abrahamskinderen tot zegen voor alle volken. En die zegen zal alleen komen als zij Thora zullen leren, als zij Gods wil op aarde leren doen zoals die in de hemel gedaan wordt. De Israëlieten moeten langs de Sinaï, ze behouden de zegeningen die zij onderweg krijgen als zij Gods geboden onderhouden. En in hun voetspoor worden na Christus alle volken geroepen om op weg te gaan naar het leven dat komt. –Wanneer is dat gezegende leven gekomen? Het kwam, meer of minder, maar liep ook steeds weer vast, vooral op menselijk falen. Het zal in de volgende generatie komen, later in de geschiedenis. Het kwam, maar bleef ook hoop. En ondertussen stierf de oude generatie. En de volgende, en de volgende. Abraham is gestorven, Mozes is gestorven, David is gestorven; Jezus is gestorven.

Is dat het dan? Nergens komt het helemaal en voor velen komt er nog veel minder, en voor iedereen komt het tenslotte helemaal niet. Al in het Oude Testament zien we, dat zelfs de nuchtere Israëliet, die niet kan geloven in de onsterfelijkheid van de ziel of een hemel, tegen de grens van het aardse leven aanduwt, en zich niet kan neerleggen bij de laatste inperking van het leven. Hoe kan God een goed mens aan zijn lot overlaten? En dan komt dat ongelooflijke verhaal van die Israëliet die opstond uit de dood. Wat sommige liederen in de bijbel, sommige psalmen slechts durven suggereren, kan nu openlijk gezegd worden: God laat zijn rechtvaardige niet over aan het dodenrijk, Hij redt, ook dan. Kijk maar, Jezus is het bewijs. Alles kan nog goed komen zelfs als we het leven verloren hebben.

Hier is een tweede Bijbelse gedachte. Goed leven, rechtvaardig leven, doen wat God graag wil, dat is iets dat we moeten leren in ons hele leven. Daar beginnen we als kind al mee, en we blijven het proberen tot en met onze laatste ademtocht. Maar dat betekent: sterven hoort bij leven. Of wij goed leven blijkt niet alleen tijdens ons leven, maar ook in ons sterven. Hier ligt de volle waarheid van de gedachte, dat de dood bij het leven hoort. Hoe hoort de dood bij het leven?

Het evangelie sluit aan bij een oer-menselijke ervaring. Ieder van ons kent het, uit verhalen van vroeger, of van heiligen, of van soldaten die ergens voor onze veiligheid of welvaart vechten. In je leven kun je veel goeds doen, maar het beste kun je doen in je sterven. Tijdens je leven kun je veel geven, maar met je sterven kun je alles geven, kun je je leven geven. En dan komt alles erop aan hoe je dat geeft, aan wie je het geeft, voor welke zaak je het geeft. Dat maakt allemaal verschil. Sterven is zo gezien de bekroning van leven, de laatste daad van jou als levende, waarin je laat zien waarvoor je geleefd hebt, voor wie je geleefd hebt.

Ik hoef niet te verwijzen naar het mooiste voorbeeld hiervan, Jezus. Ik kan ook verwijzen naar allen die in zijn voetspoor zijn gegaan en hun leven gegeven hebben als getuige van de goedheid van God die Jezus toonde met woord en daad. Hoe velen hebben hun leven gegeven, in allerlei omstandigheden, vaak heel on-heroïsch, maar toch, gegeven voor de goede zaak. En zij, zingt Openbaring, hebben de kroon des levens ontvangen, zij die overwonnen zoals Jezus overwon. Zij die goed blijven doen tot in de dood, zullen gered worden tot in de dood. Voor hen is het leven gekomen dat geen inperkingen kent, God zet in hun dood de kroon op hun leven.

Wat we allemaal willen, wat we allemaal willen als we besmetting willen voorkomen, wat we allemaal willen als we besmet worden en in het ziekenhuis belanden: niet doodgaan, maar leven, een leven waaruit de doodsdreiging weg is – wat we allemaal willen maar eigenlijk alleen maar kunnen uitstellen omdat we toch een keer zullen sterven, wij allemaal – dat leven komt via ons hele leven en daar hoort ons sterven bij. Het komt als bekroning van een goed leven tot het einde toe.

God die het beste met ons voor heeft, moedigt ons aan om zo te leven, en Hij wil ons op zijn tijd alles wil geven dat we daarvoor nodig hebben. Hij wil ons daartoe voor alles liefde geven, en dat is de liefde voor Hem boven alles en voor onze naasten als onszelf, een liefde die uiteindelijk bereid is het eigen leven te geven. En zo zijn we helemaal bij Paulus aangenomen, want deze liefde, zingt Paulus, is sterker dan alle verdrukking, sterker dan alle tegenspoed, machten of ziekten. Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Noch het leven noch de dood kan ons van deze liefde scheiden!

 

Gebeden

Heer wees met ons in onze vrees voor besmetting, in onze vrees om ons leven in gevaar te brengen en te verliezen. Wees met ons in onze vrees om anderen in gevaar te brengen. En wees met ons in onze bewondering maar ook gemengde gevoelens als we iemand het eigen leven in gevaar zien brengen om een ander te redden. We bidden U voor onze artsen en verpleegkundigen. Zo bidden wij U allen tezamen:…

Heer, wat winnen we als we ons leven behouden, maar de moed verliezen om het te geven voor iets en iemand die dat werkelijk waard is? Wat winnen we als we ons leven behouden, maar het geloof verliezen in de voltooiing en bekroning van ons leven, die U ons geeft als we er helemaal voor gaan? Help ons, Heer, prikkel ons! Als geluk ons niet kan stimuleren tot een goed en beter leven, laat de nood het dan doen, hoe vervelend die ook is. Kom met uw ontferming én met uw oproep in ons midden. Troost ons, prikkel ons, doe ons opstaan, Heer! Zo bidden wij U allen tezamen…

Heer velen van ons zijn al ouder, of oud. Velen in onze kring, van familie of gemeente, zijn heel oud. Help ons voorbereiden op het leven dat komt, corona of niet; help ons voorbereiden op de dood die komt. U die wil maken dat ons leven de moeite waard is, maak ook ons sterven de moeite waard, help ons! Er is zoveel te geven – we kunnen ons geld aan goede doelen geven, we kunnen ons gebed geven aan mensen dichtbij en veraf, we kunnen liefde geven tot onze laatste adem, we kunnen ons leven teruggeven in uw handen. Heer, leer ons leven, leer ons sterven, zo bidden wij U allen…

Stil gebed, Onze Vader

 

————————————————————————————————————————————————————————————————–

Vredeszondag 2020                                                         Teksten ds Nico den Bok

Moment voor de kinderen: Wat de regenboog laat zien

Mensen zijn heel verschillend. Ze zijn even verschillend als de kleuren van de regenboog. Al die verschillen heb je ook in de kerk – soms zie je zelfs een soort regenboog in de kerk, letterlijk, als daar van die mooie ramen zijn – zoals hier. Kijk, als de zon schijnt, zie je de kleuren daar op de muur. Waar komen die kleuren vandaan? Als je goed kijkt, zie je het: door het glas. Het glas is gekleurd.

Is dat bij een regenboog ook zo? Jullie weten natuurlijk, dat bij de regenboog het licht niet door gekleurd glas valt, maar door regendruppels. En regendruppels zijn niet gekleurd; die zijn doorzichtig, kleurloos als water. In de kerk zie je dus door het zonlicht de kleuren van het glas, maar bij de regenboog zie je – de kleuren die in het licht zelf zitten.

Ik vertel dit omdat we als mensen hier in de kerk elkaar in het licht van God proberen te zien. Ieder mens is een stukje glas waar Gods licht doorheen valt, en met elkaar laten we dan al die verschillende kleuren zien. Maar hier in de kerk doen we nog iets, we luisteren naar mensen die in de Bijbel staan, en naar éen iemand in het bijzonder, Jezus. Omdat we geloven dat er in dit Boek zo over mensen en vooral zo over Christus geschreven is, dat zij als regendruppels zijn. Wanneer daar het licht van God doorheen valt, zien we de kleuren van dat licht zelf.

God is licht, Hij is onzichtbaar, zuiver. Hij is helemaal goed. En in deze zuiverheid zitten alle kleuren van de regenboog. Daarover gaat het in deze dienst: over de verschillen van mensen, hoe je die kunt waarderen. Hoe we kleur krijgen, onze eigen kleur en de kleur die in het licht van God verborgen zit.

 

Dat de regenboog de veelkleurigheid van Gods eigen licht laat zien, is een verband dat de Bijbel zelf aanreikt. Ezechiël ziet God in zijn heerlijkheid ‘als een mens’ gehuld in het licht van de regenboog (met een verwijzing naar het zondvloedverhaal, 1:28). In Openbaring neemt Johannes dit over (zie 4:2).

 

Overweging ‘Vrede verbindt verschil’                                                        Bijbelteksten: Jesaja 57: 19 en Colossenzen 3: 9 t/m 15

Dat is dit jaar het thema van de Vredesweek. Een thema dat veronderstelt dat er verschillen zijn tussen mensen, en dat die verbindend kunnen werken: als er vrede is. –Velen van u zullen spontaan reageren: “Natuurlijk, verschillen tussen mensen zijn goed. We zijn daar te lang bang voor geweest, ze zijn te vaak bron van conflict. Maar als we verschillen positief in plaats van negatief waarderen, ontstaat er vrede. En omgekeerd: als er vrede is, gaan we verschillen positief waarderen.”

Lastig is wel dat we met zo’n reactie heel algemeen blijven. Geldt het voor alle verschillen? Zijn alle verschillen tussen mensen goed? Of zijn er ook verschillen van goed en kwaad, van beter en slechter? Of is dat bij elk concreet verschil onlosmakelijk vermengd? –Neem de verschillen die Paulus noemt: ‘In Christus is geen Jood en geen Griek, geen barbaar of Skyth, slaaf of vrije’. Wat zegt hij hiermee over de verschillen tussen volken, beschavingen, maatschappelijke posities? Dat ‘in Christus’ deze verschillen eigenlijk niet goed zijn en opgeheven moeten worden? Of dat deze verschillen er niet toe doen en daarom grondig gerelativeerd moeten worden? Of dat ze er allemaal mogen zijn en daarom omarmd moeten worden? Dat maakt nogal verschil.

Eerlijk gezegd denk ik dat Paulus op al deze vragen ‘nee’ zou antwoorden. In zijn brieven wijst hij eerst op een ander verschil. Voordat hij zegt: ‘noch dit noch dat’, zegt hij: ‘in Christus’. Hiermee is iets gegeven dat bij al de genoemde verschillen meespeelt en zorgt dat we er goed mee omgaan. We kunnen er ook verkeerd mee omgaan. Volgens Paulus kan dat op twee manieren. Als we die verschillen helemaal opheffen, spoelen we een kind met het badwater weg. Dat ligt bij elk verschil iets anders, maar geldt eigenlijk voor alle. Anderzijds, als we die verschillen helemaal accepteren, laten we het kind in het badwater zitten, en blijft het dus vuil, vanwege de wijze waarop die verschillen in eigenlijk alle samenlevingen werken.

Paulus is een missionair predikant. Hij probeert mensen te winnen voor een belangrijke zaak. Die zaak is het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Dat is het Koninkrijk waarin mensen ook met hun verschillen helemaal goed samenleven. Paulus is ervan overtuigd dat het evangelie van Jezus Christus de beste manier is om dat Koninkrijk binnen te gaan.

Wat gebeurt er nu volgens Paulus wanneer je vanuit het evangelie gaat leven? Hoe ga je dan om met de verschillen die je als mens nu eenmaal hebt, met je naasten dichtbij, in de straat en in je familie, en met de naasten veraf die via het beeldscherm in je huiskamer komen? Hoe ga je om met etnische, nationale en religieuze verschillen, met de verschillen van hoogopgeleiden en lager-opgeleiden, en de verschillen van positie en zeggenschap? Dat is een belangrijke vraag want waar Paulus ook komt, dáar liggen de scheidslijnen en breukvlakken tussen families en bevolkingsgroepen. En waar Paulus ook komt, aan beide zijden van deze scheidslijnen worden mensen geraakt door het evangelie. En gaat de gemeente van Christus dus bestaan uit Joden én Grieken, uit mensen van alle standen en elke soort van vorming. En dat is ook de bedoeling. Maar daarmee is het een vitale vraag hoe je goed omgaat met die verschillen; ze zijn er, buiten de kerk en binnen de kerk.

Om Paulus te blijven volgen moeten we nu een paar stappen maken die in onze samenleving ongewoner zijn geworden. Voor Paulus is het goed omgaan met verschillen ook altijd, en zelfs allereerst, een vraag naar God. Hoe wil God dat we met deze verschillen omgaan? God, zo gelooft Paulus, is de volmaakt goede schepper van alle mensen. Als wij willen weten hoe je goed met de verschillen tussen mensen omgaat, moet je naar Hem kijken. Maar hoe weten wij wat God wil? Paulus gelooft dat God dat zelf bekend gemaakt heeft, vooral in de geschiedenis met Israël. Wat God wil vind je in Wet en Profeten. En het evangelie laat zien hoe wet en profeten vervuld worden. Hoe dat helemaal goed gebeurt. Paulus gelooft dat Jezus de wet vervuld heeft.

De wet kan ook niet vervuld worden. Dat doen mensen die de Thora niet volgen, bijvoorbeeld omdat ze die niet kennen, of omdat ze die afwijzen. Als Paulus spreekt over Joden en Grieken, of breder: over Joden en andere volken, bedoelt hij vaak het verschil tussen menen die Gods richtlijnen naleven (zoals een goede jood betaamt, vind hij) en mensen die dat niet doen (zoals bij de andere volken, de ‘heidenen’ zoals het Oude Testament in onze Statenvertaling hen noemde). Dit verschil ‘tussen Jood en Griek’ mag niet opgeheven worden. Dat zou een ontkenning zijn van Gods inbreng in de wereld die Hij via de geschiedenis van Israël gegeven heeft. Het zou tonen dat voor jou het verschil dat God zelf maakt er niet toe doet, of maar voor éen volk geldig was, of zelfs iets kwalijks is. Paulus is wat dit betreft een gelovige Israëliet. Hij blijft ook tegen christenen zeggen: De wet is heilig en goed. Het Oude Testament hoort bij de Bijbel, en daarmee tot de Goede Boodschap voor alle volken.

De Jood Paulus is met de Thora opgegroeid en voelt zich door zijn bekering tot het christelijk geloof niet bevrijd tot nieuw heidendom. Maar hij is bekeerd, hij is iets belangrijks gaan zien dat hij eerder niet zag. Als de wet wel vervuld wordt, als Gods richtlijnen wel nageleefd worden, kan dat nog altijd op de verkeerde manier gebeuren. De wet, het geheel van Gods goede leefregels, kan een scheidsmuur worden, een vesting, waarin je je terugtrekt en van waaruit je uitvallen doet naar mensen daarbuiten, bv in morele veroordeling. Paulus heeft dat zelf jaren lang gedaan, hij heeft zichzelf en anderen de wet opgelegd, soms zelfs met geweld. Hij heeft geijverd voor God – totdat een mede-Israëliet hem liet voelen dat dit niet de goede wetsvervulling is. Jezus, de lijdende Jezus, liet hem dit zien, toen Paulus op de weg was naar Damascus. Jezus liet hem zien dat niet alleen mensen die de wet niet kennen, maar ook mensen die de wet heel goed kennen, onrecht kunnen doen. Jezus was gekruisigd door Romeinen en Joden. Paulus was een Romein en een Jood.

Er zijn dus twee verschillen die niet opgeheven mogen worden: het verschil tussen wel of niet de wet vervullen, en het verschil tussen de wet op goede wijze of op verkeerde wijze vervullen. In feite gaat het hier om éen verschil: tussen wel of niet op goede wijze het goede doen. Tussen wel of niet Gods wil doen zoals God dat graag wil – zoals God het zelf zou doen als Hij mens zou zijn.

Als u dus wilt weten wat God wil dat mensen met hun verschillen doen, zegt Paulus, kijk dan naar het oude Israël, naar wet en profeten; en als u wilt weten hoe deze goed vervuld worden, kijk naar Jezus.

Nu we een indruk hebben van de wijze waarop Paulus omgaat met het verschil tussen Jood en Griek, laten we nog even kijken naar de andere twee verschillen die hij noemt. ‘In Christus is geen barbaar en Skyth’. Dat klinkt voor ons wat vreemd, maar was in Paulus’ tijd een bekend verschil. Het komt niet uit het oude Israël, maar vooral uit Griekenland, en lijkt wat op dat van ‘heidenen’ en ‘wetsgetrouwen’. De Grieken beschouwden andere volken die niet hun niveau van beschaving, van rationaliteit en politieke organisatie hadden, als ‘barbaren’. Een beetje zoals vele Westerlingen onze beschaving, onze wetenschap, techniek en democratie, superieur achten aan die van niet-westerse volken.

Ook hier brengt Paulus dat andere verschil naar voren, het verschil dat de God van Israël en zijn gezalfde maakt. Ook hier kunnen we dus twee fouten maken. We kunnen niet erkennen dat sommige volken of personen meer kunnen, meer weten, beter leven dan wij. En we kunnen dat wel erkennen, maar er verkeerd mee omgaan. Bv door ons als hoger-ontwikkelde of hoger geplaatste te verheffen tegenover minder ontwikkelde of lager-geplaatste mensen of volken.

Op eenzelfde wijze gaat Paulus ook om met het derde verschil dat hij noemt: het verschil tussen slaven en vrijen. We moeten hier niet meteen aan slavernij denken, maar aan het verschil tussen meesters en knechten in bredere zin. Slavernij is Goddank afgeschaft, maar er zijn nog steeds meesters en knechten. Nog steeds zijn er mensen die het voor het zeggen hebben en het leven van anderen verregaand bepalen. Bv omdat ze in de regering van een land zitten en anderen in dat land vluchteling zijn. ‘In Christus is noch heer noch dienaar’, zegt Paulus. Heft hij daarmee elk verschil van zeggenschap op? Nee; ook hier kunnen twee fouten gemaakt worden. Ik laat dit keer aan u over hoe hier de lijnen doorgetrokken kunnen worden. Graag zeg ik tot slot nog twee andere dingen.

Allereerst, natuurlijk, wat is de manier om goed om te gaan met Gods richtlijnen? Daarvan geeft Paulus een mooie beschrijving, we hebben die gehoord. U moet zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar. Als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. –Daar heb je de verbinding die bij alle verschillen, goede en kwade, mogelijk blijft.

En stel nu dat het een beetje lukt, dat het lukt om de fouten die Paulus aanwijst in het omgaan met verschillen te vermijden, om het goed te doen, wat ga je dan merken? Paulus wijst vooral op éen ding: vrede. Vrede, voor iedereen, ver weg en dichtbij. Vrede is vanuit wet en profeten en evangelie onlosmakelijk verbonden met gerechtigheid. Vrede is er als je met liefde recht doet, dat betekent ook: als je helemaal goed verschil maakt. Dat is de vrede die Christus had, de vrede die niet nivelleert en ook niet discrimineert, maar alles kleur geeft vanuit een innerlijke zuiverheid – zoals de regenboog de kleuren toont die in haar eigen witte licht verborgen zijn.

Laten we elkaar de vrede van Christus toewensen.