Viering van het ambt

Hieronder vindt u de tekst van preek, gebeden en toespraken uit de laatste diensten die ik als wijkpredikant in de Wilhelminagemeente zal voorgaan. De laatstgehouden dienst staat bovenaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De goede herder en zijn herdershond(en) (Wilhelminakerk 26-9-21)

De Heer is mijn herder, dat zong een man die zelf jarenlang herder is geweest. Die als herdersjongen iets leerde dat in al zijn latere werkzaamheden met hem meegroeide steeds weer als hij eraan vasthield. Als jongen bij de schapen stond hij soms tegenover een leeuw of een beer (1Sam17:34). Als jongeman stond hij tegenover een reus met een legermacht die God en zijn volk lasterden. Als generaal van zijn koning stond hij tegenover vijandig legers. Als vluchteling stond hij tegenover zijn eigen koning en diens soldaten. Toen hij zelf koning werd stond hij tegenover de leeuwen van buurvolken en beren van eigen onderdanen. En toen hij vader werd en ook kinderleed te verwerken kreeg, stond hij tegenover de leeuw van zijn eigen verdriet en de beer van boosheid die hij mede door zijn eigen gedrag onder zijn eigen kinderen had opgeroepen.

Ook dan herder blijven, goede herder. Ik denk dat David dit kon, omdat hij al tijdens zijn eerste herderschap, bij de schapen van zijn vader, ervoer dat iemand steeds bij hem was. Sterker nog: dat iemand hem voorging. Ook als hij dat niet altijd voelde, geloofde hij dat. Psalm 23 is niet geschreven vanuit de ervaring van een herder, maar vanuit de ervaring van een schaapje dat zich gehoed weet. De Heer is mijn herder. Aan deze herder kon David zich optrekken, keer op keer. Hij deed dat in het veld van Bethlehem, hij deed dat opnieuw toen hij het harnas van koning Saul weigerde en tegenover reus Goliath stond. Hij deed het toen hij in dienst van de koning zijn tienduizenden versloeg, en hij deed het opnieuw toen zijn koning zijn rivaal geworden was, maar David hem beslist niet wilde doden. En hij deed het nog een keer toen zijn eigen zoon zich tegen hem keerde, hem van de troon stootte en hij dat toeliet. De Heer is mijn herder, dat geloof dat concreet werd in verschillende ervaringen is met hem meegegaan door het hele leven.

Van elk van deze levensfasen vind je echo’s in Psalm 23. Ik noem er maar éen, u mag raden waaraan David dacht toen hij dit zong: ‘U richt voor mij een maaltijd aan voor het oog van mijn vijanden’.

Eén ding valt op. Herderschap is iets dat steeds opnieuw beproefd wordt. Je komt voor nieuwe situaties te staan. Maar het is anders als je eigen leven ervan afhangt, als het leven van een volk ervan afhangt, of als het leven van je kind ervan afhangt. Of als er helemaal geen leven vanaf hangt, misschien wel bijna niets vanaf hangt. Ook dan, in al die situaties, het geloof in Gods herderschap vasthouden en zo laten doorgroeien. Dan kan in sommige situaties alleen als je bereid bent te doden – zoals David de leeuw en de reus. In andere situaties kan het alleen als je bereid bent te lijden – zoals David onder koning Saul, en onder zijn zoons, vooral Absalom. In al deze situaties zocht David steun voor zijn herderschap bij de goede herder. En hij kreeg die steun, hij zingt ervan.

En dan is er nog iets, iets dat nóg moeilijker te aanvaarden is als je het ambt van herder aanvaardt. Je moet ook leren fouten toe te geven. David deed dat. En de grote Herder vergaf hem, al kon Hij niet alle gevolgen van die fouten wegnemen. Door zijn wandaad met Bathseba gaf hij zijn oudste zoons een heel dubieus voorbeeld en joeg hij hen bovendien in het harnas doordat het kind dat hij met Bathseba kreeg troonopvolger zou worden. Als het kwaad al geschied is, kan in elk geval de schuld nog worden weggenomen, en dat is al veel.

 

In onze kerk hebben we ambten. Dat zijn eigenlijk drie vormen van herderschap. Omdat wij mensen een lichaam en een ziel hebben, is er zorg nodig voor het lichamelijke en het geestelijke aspect van ons leven. Diaconaal herderschap en pastoraal herderschap. De invulling daarvan kan verschillen en dat is ook nodig, want mensen hebben niet in elke tijd dezelfde lichamelijke en geestelijke noden en wensen. Daar moet je dus ook als kerk flexibel in zijn.

In de protestantse kerken zien we de predikant vanouds als herder en leraar. Dat zou zo uit Psalm 23 kunnen komen. ‘Hij voert mij naar wateren van rust en behoed mijn ziel voor dwalen’. Het herders- en leraarsambt heb ik nu ongeveer vijfentwintig jaar vervuld. Anders dan in Den Haag had de gemeente in Bussum niet zo’n behoefte aan een lerende dominee, dus heb ik mij hier meer als herder opgesteld. Ik moet bekennen dat ik herder een hoog-gegrepen omschrijving vindt. In de gemeente is onze Heer de herder, ik heb dat voelbaar willen maken. Als predikant voelde ik me eigenlijk meer een herdershond.

Want ja wat doe je als predikant? Wat doe je als ambtsdragers? We rennen om de schapen heen, elk op ons eigen terrein van aandacht. We proberen ze op kansen te wijzen, op grazige weiden of in elk geval een beetje meer groen. We proberen ze voor gevaar te behoeden, bv het gevaar van besmetting. Of op geestelijk terrein: het gevaar van besmetting met ideeën. Het heeft me altijd verbaasd dat de kerk in onze tijd op eerste heel alert is, maar op het laatste helemaal niet. Daarmee volgen we in feite de westerse wereld. Hoe ook dit tot ziekten kan leiden heb ik in allerlei preken in uw midden wel vaker toegelicht. Op grazige weiden is niet alle gras lekker, maar wel gezond. Dus blafte ik zo nu en dan, of liet een enkele keer zelfs mijn tanden zien, in prediking en heel soms ook op huisbezoek. Psalm 23 zou zeggen: soms laat de herder zijn stok en staf zien; die geeft niet alleen een leeuw of beer een tik, maar ook wel eens een schaap. Maar ook dat troost, zegt David; het laat voelen: ik ben veilig bij de Heer, Hij laat mij niet iets verkeerds eten, lichamelijk én geestelijk.

Voor herdershond moet je enige aanleg hebben, maar moet je ook wat getraind worden. Er zijn specifieke taken die een eigen ervaring vereisen. Dat kan heel laagdrempelig. Hoe groei je erin? Door het van andere honden af te kijken. Maar uiteindelijk moet je het vooral van de Heer zelf leren. We moeten leren vóor alles de aanwijzingen van de goede herder zelf op te merken (dat is soms al niet gemakkelijk) en dan ook op te volgen. Dat lukt alleen als we onszelf leren, zijn aanwijzingen op lichamelijke en geestelijk vlak vóor de eigen invallen en instincten laten gaan. Wat zal de Heer denken en willen? We kunnen er zeker van zijn dat wat Hij wil waar en goed is, en dan goed voor al zijn schaapjes, want hij houdt van elk van hen. Een gezamenlijk standpunt zoeken, meer dan een persoonlijke mening, is dus een opgave die hoort bij het ambt. En dan denk ik niet alleen aan de vergadering van ambtsdragers in de eigen wijk, maar aan de kerk, aan dat wat gelovigen van alle plaatsen en tijden mogen uitdragen als lichaam van Christus.

Dit alles geldt niet alleen voor het ambt van predikant, ook voor dat van ouderling en diaken. Het geldt in feite óok voor dat herderschap dat elke gelovige. Elk van u hier en thuis heeft de gave en de opgave om iets voor God te doen. Juist in de protestantse kerken is dit een dierbare gedachte: er is een ambt van alle gelovigen. Als gemeenteleden zijn we niet alleen maar schapen, we zijn ook allemaal herdershonden. ‘U zalft mijn hoofd met olie’, dat geldt niet alleen voor de koning van Israël, maar voor ieder die deze psalm meebidt en meezingt. Als u tien mensen bezoekt, bijvoorbeeld, hebt u al een kleine kudde, en ren je soms heel wat af om naar deze schaapjes om te zien. Maar al hebt u maar drie, of twee personen naar wie u in naam van de schepper omziet, dan bent u al herdershond van de goede herder. Ik wil daar apart bij zeggen: tien, drie, twee of éen ‘schaapje’ binnen of buiten de gemeente. Dit laatste is even goed en even nodig als het eerste.

Overal waar we hem, waar we zijn aanwijzingen volgen, zijn we op de goede weg. Ook al gaat de weg door een donker dal en komt die in de schaduw van de dood, als daar de Herder is, is de weg goed, komen we altijd uit in het huis van de Heer. Dan mogen we zeggen: ja geluk en genade volgen ons, alle dagen. Het ontbreekt ons aan niets.

 

LITURGIE

Orgelspel

Stilte

Bemoediging                                   allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied NLB 23b: 1,2,3

Groet: V: De Heer zij met u,

            G: Ook met u zij de Heer       daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidende woorden

Kyrië en gloria, schuldbelijdenis en genadeverkondiging (gesproken)

Gebed bij de opening van de Bijbel, gezongen: NLB 78: 1,25

Bijbellezing: Psalm 23

Lied: NLB 653: 1, 6, 7

Uitleg en verkondiging

Orgelspel

Lied NLB 512: 1,2,3,7

Afscheid en bevestiging van ambtsdragers

    Afscheid: inleiding, dankwoord, gebed

    Lied NLB 416: 1

    Bevestiging: inleiding, vragen, zegen

    Lied NLB 416: 1

Gebeden
    Met gezongen responsie: NLB 367e

    Stil gebed

    Afgesloten met: Onze Vader (gezongen door Lydia en Iet)

Mededelingen

Slotlied OLB 466: 1,2

Wegzending en zegen               allen gaan staan

Orgelspel

De organist speelde verschillende versies van De Heer is mijn herder

Drempelgebed

De Heer is mijn herder!

In ’t hart van de woestijn

Verkwikken en laven

Zijn hemelse gaven:

Hij wil mij versterken

Met brood en met wijn.

De Heer is mijn herder,

Hem blijf ik gewijd!

‘k Zal immer verkeren

In ’t huis van mijn Heer en

Hij kroont mij met zegen

En liefde, altijd.

 

Welkom en inleidende woorden

Welkom allen hier en thuis. Het is vandaag dubbel feestelijk. Allereerst omdat we in grotere vrijheid samen kunnen zijn. De plicht om 1 ½ m afstand te houden is weggevallen (het recht daarop niet! als u het prettiger vindt mag u die afstand aanhouden), er is geen aanmelding meer nodig. Een grotere vrijheid schept ook een grotere verantwoordelijkheid – dat brengt me bij de tweede feestelijkheid: het ambt. Vanmorgen staat de hele dienst in het teken van het ambt. Hoe kun je zo iets saais als het ambt vieren, zult u denken. Toch kan dat, het is een eer de Heer te dienen. Ook om dat wat meer officieel te doen, vanuit een office, een ambt. We vieren vanmorgen de drie reformatorische ambten: ouderling, diaken en predikant. Twee ouderlingen nemen afscheid, éen ouderling en éen diaken treden aan, een predikant blijft in het ambt ook al neemt hij binnenkort afscheid als wijkpredikant.

 

Kyrie en gloria, schuldbelijdenis en genadeverkondiging

Heer Jezus, we denken vanmorgen aan allen die meer officieel een taak vervullen, een positie bekleden, een verantwoordelijkheid dragen, met name in de dienstverlening. Zij hebben het niet makkelijk, er wordt snel gescholden, gespuugd, het ontbreekt soms aan het meest gewone fatsoen. Heer, wees met hen, sterk hen met uw voorbeeld, u die fier en liefdevol bleef ook bij onbegrip, kortzichtigheid of agressie.

Heer, wij mensen zijn lang niet altijd alleen slachtoffer van elkaars onbegrip, kortzichtigheid of agressie. Wij maken ook fouten en hebben moeite daarvoor uit te komen. En dat doen we ook als we in dienst zijn, als we ons werk doen, als we een officiële taak hebben. Daarom vragen we niet alleen: Ontferm U over ons, maar ook: Vergeef ons, Heer. Leer ons uitkomen voor eigen nalatigheden, en leer ons die van anderen dragen, wegdragen, bv door het niet door te vertellen, en niet terug te bijten. Hebben we niet allemaal een ambtsgeheim, juist ook als we gekwetst worden?

Lof zij U, Heer, die ons sterkt met uw voorbeeld. Die ons vergeeft zodra we onze tekortkomingen bekennen, die ons laat schuilen onder uw vleugels als we onrecht worden aangedaan. Lof zij U, Christus

 

Er is vandaag geen moment met de kinderen, dat komt volgende week weer, als het de eerste zondag van de maand is. En het Gebed bij de opening van de Bijbel wordt dit keer gezongen. Laten we biddend zingen lied 78: 1 en 25.

De schriftlezing uit het Nieuwe Testament zullen we dit keer zingen. In Lied 653 herkent u vast de bekende tekst uit het Johannesevangelie. We zingen couplet 1,6,7.

 

Afscheid en bevestiging ambtsdragers

Inleiding

Er zijn twee ambtsdragers die hun ambt neergelegd hebben, en twee ambtsdragers die hun ambt vandaag zullen aanvaarden. Claudia de raadt heeft het ambt van ouderling-voorzitter neergelegd, Wilma Parhan het ambt van ouderling-scriba. Nora van Noordenne zal het ambt van jeugdouderling aanvaarden, en Hannie de Berg het ambt van diaken.

Afscheid

Claudia en  Wilma, willen jullie naar voren komen?

Jullie hebben beiden het ambt van ouderling neergelegd, na acht respectievelijk veertien jaar dienst. Maar éen ding kun je, als je ambtsdrager geweest bent, niet neerleggen, en dat is het ambtsgeheim. Wat je indertijd beloofd hebt toen je het ambt aanvaardde, blijft gelden wanneer je het neerlegt, daarom wil ik jullie vragen: Beloven jullie wat je in vertrouwen verteld is, niet door te vertellen? Claudia? Wilma? (..)

Heer het werk van onze handen bevestig het.

Claudia, jij had als ouderling een speciale taak, je was zeven jaar lang voorzitter van de wijkkerkenraad, eerst van de Centrumgemeente, later van de samengevoegde gemeente Oost-Centrum. Bij het dragen van je ambt deed je altijd meer dan éen ding tegelijk. Als voorzitter was je ook altijd gastvrouw. Je hebt veel geregeld, zeker in coronatijd, maar bleef mensen ook bezoeken, pastoraal. Je bezit het vermogen om wijselijk te zwijgen, maar kunt ook stevig uit de hoek komen. In alles wat je deed toonde je dat je een hart voor de zaak had, en je had er ook plezier in. Hartelijk dank voor je grote inzet over een lange, moeilijke tijd.

Wilma, in verband met de ziekte van onze toenmalige scriba Wil Hoeve werd je indertijd gevraagd om haar werk waar te nemen. Zo kwam je in het wijkmoderamen. Het werd een woelige tijd, waarin veel gebeurde: de samenvoeging tussen Oost en Centrum, de coronatijd. Waar nog bijkwam dat Rien een hersenbloeding kreeg en jullie gezin een heel onzeker jaar doormaakte (dat wondergoed is afgelopen, God zij dank). Notulen schrijven woog het zwaarst op je schouders. Soms hadden we ook leuke dingen, zoals laatst, toen we samen naar Huizen fietsten om een doopmoeder de Kinderkaars van afgelopen Pasen te brengen. Je bent een vrouw van weinig woorden die veel denkt en voelt en veel doet. Voor dit werk van hart en handen in dienst van de gemeente, dank, namens ons allen!

Jullie leggen het ambt neer, maar blijven actief in onze gemeente, onder meer in het pastoraat, in kindertijd, in de redactie van Onderweg. Ook daarmee zijn we heel blij. Willen jullie hier op het podium blijven staan? We willen jullie toezingen met een bekend lied.

NLB 416:1

Bevestiging

Nora en Hannie, willen jullie naar voren komen?

Jullie zijn bereid om het ambt te aanvaarden, het ambt van ouderling voor jou, Nora, en het ambt van diaken voor jou, Hannie. Daarmee zetten jullie een hele stap, al is die voor jullie niet onbekend, je hebt allebei al eerder dit ambt vervuld.

Hannie, je hebt al heel wat sporen in het gemeentewerk achtergelaten, in de Verlosserkerk: Kerkbalans, de Autodienst. Daarbij had je ook altijd oog voor de mens bij wie je aanbelde voor geld. Je was ook altijd bereid om een diakengebed in de eredienst uit te spreken. Je hebt ons ook wel eens laten schrikken – toen je een hartinfarct kreeg en bij je zus revalideerde. Gelukkig ben je daarvan goed hersteld. We zijn een gemeente op leeftijd en moeten zuinig zijn op al onze ambtsdragers.

Nora, je voelt je misschien meer op je gemak bij dat woordje jeugd- dan bij het woordje –ouderling, denk ik. Ambt ruikt een beetje naar vroeger. Je hebt het al eerder gedragen; je vult het graag in met een hart voor kinderen en jongeren, zodat ook zij zich welkom voelen in de kerk. Dat past bij je werk op school, maar ook bij werk dat je al langer in onze gemeente doet: Kliederkerkteam, Honkslag, Kerk voor anderen. Ik heb je vaker in een dienst iets horen vertellen of uitleggen aan kinderen: knap, helder, gelovig. We zijn heel blij dat je weer mee wilt doen in het jeugdwerk van onze gemeente.

Bij de aanvaarding van het ambt zijn we gewoon een paar vragen te stellen, dezelfde vragen voor beide ambten; ik stel ze daarom maar eerst en vraag daarna aan elk van jullie daarop te antwoorden.

–Beloof je trouw te zijn in de taak die je op je neemt, met liefde voor God en de mensen die op jouw weg komen?

–Beloof je geheim te houden wat je in vertrouwen is meegedeeld?

Wat is daarop je antwoord, Nora? Wat is daarop jouw antwoord, Hannie?

Ontvang de zegen van onze Heer:

De Heer die liefdevol recht doet,

geve jou als ouderling

zijn Heilige Geest om liefdevol recht te doen

in de uitoefening van jouw werk

in zijn gemeente,

amen.

 

Nu is er ook nog een vraag voor u, gemeente:

–Belooft u uw nieuwe ouderling en diaken te steunen waar u kan, en ook dat in de liefde voor God boven alles en een liefde voor uw ambtsdrager als voor uzelf?

Wat is uw antwoord?

Nora en Hannie, ook jullie willen we toezingen – met hetzelfde lied. Want of je begint of stopt met je werk als ambtsdragers, dezelfde zegenbede past in beide gevallen.

NLB 416:1

Hier is een kleinigheid als aandenken aan dit moment, van mij persoonlijk. Het is iets dat straks ook iedere kerkganger bij de uitgang meekrijgt. Want uiteindelijk zijn er niet alleen ambten binnen de christelijke gemeente, maar is er ook het ambt van ieder die christen wil zijn. Het is een kaart met een herdershond erop. Eigenlijk zijn het twaalf kaarten, met verschillende herdershonden, want niet elke apostel, niet elke ambtsdrager is hetzelfde. Welke hond jij hebt getroffen weet ik  niet, maar je kunt wel kijken met wie je allemaal een twaalftal vormt, of met welke snuit je eventueel kunt ruilen. Het ambt kies je immers niet zelf, maar word je gegeven, en toch past niet elke persoon evengoed bij elk ambt. Wie weet ontstaat er zo nog een aardig gesprek.

 

Gebeden

Diaken

We bidden U voor alle buschauffeurs, verplegers, boa’s en zovele anderen, die regelmatig te maken krijgen met verbaal of fysiek geweld. Voor allen die zonder respect behandeld worden, voor ieder die stank voor dank krijgt. Geef hen moed en kracht, Heer, geef hen innerlijke vrede en fierheid om door te kunnen blijven gaan ook als hun inzet niet gewaardeerd wordt. Zo bidden wij U allen tezamen:

Predikant

Voor allen die een ambt hebben vervuld in uw gemeente, Heer, danken we hen en U. Elke persoon brengt daarin iets van zijn eigen kwaliteiten, ervaring en persoon mee, en dat geeft kleur aan hun werk, hun inzet. En zo geven ze ook anderen moed en zin een taak in uw gemeente op zich te nemen. Dank U wel daarvoor, zo bidden wij U allen tezamen…

Heer, ik dank U voor het werk dat ik vijfentwintig jaar heb mogen doen. Toen ik predikant werd duurde het een paar jaar voor ik het ambtsgewaad aan deed, ik droeg nog lang een pak. Maar toen ik toch zover kwam ging het me ook sterken. Ik ging ervaren dat de toga die ik elke eredienst aandoe, zichtbaar maakt dat U mijn persoontje en werk bekleedt met uw persoon en werk. Dat tilt me boven mezelf uit en ontspant tegelijkertijd. Dank U wel daarvoor. Het geeft ons tijd om in te groeien in het mens-zijn dat U ons hebt voorgeleefd. Heer, leer ons allen vallen en opstaan in uw voetspoor, zo bidden wij U tezamen…

Stil gebed

Onze Vader

 

———————————————————————————————–

 

Uit de Startzondag (12-9-21) (alleen de teksten van ds Nico den Bok)

 

Gedenken

Op 3 september is overleden in de leeftijd van bijna 86 jaar mw F.I.A. Klaassens-Kuyt. Ik heb rondgevraagd bij gemeenteleden, maar nog niet iemand gevonden die iets over haar kon vertellen. Als ik toch nog iets hoor zal ik dat met een In memoriam in Kerknieuws laten weten. Wat ik wel weet is dat mw Klaassens afgelopen voorjaar naar Theodotion is verhuisd, daarvoor woonde ze op de Aagje Dekenlaan 27, waar haar man nog steeds woont. We denken vanmorgen met name aan hem, en de familie. –Als de levenskaars uitgaat doen we een laatste beroep op Hem die trouw is aan het werk van zijn handen. Dat maken we zichtbaar door een kaars aan te steken aan het licht van de Opgestane. Deze kaars symboliseert het leven van mw Klaassens, haar hoop en onze hoop.

 

Voorbede

God, nu wij aan de Tafel gaan die U voor ons hebt klaargezet, bidden we voor allen die thuis aan tafel gaan tijdens deze dienst. Voor hen die brood en wijn hebben klaargezet in de huiskamer, geef dat zij met ons en met U verbonden zijn dit uur. Wij thuis en hier in de kerk bidden U voor alle mensen, omdat alle mensen hun dagelijks brood eten, maar velen er niet voor kunnen danken, of dat niet gewend zijn, misschien verleerd hebben. We bidden U voor hen die alleen aan tafel zitten, of amper genoeg te eten hebben. Geef dat de maaltijd een plaats mag zijn waar wij elkaar en U leren raken. We hebben als mensen allemaal een lichaam, geef dat we ons éen lichaam mogen voelen, verbonden met U de Bron van ons leven die tot ons gekomen is, zo bidden wij U allen tezamen…  

 

Inleidende woorden

Christus loopt met ons mee naar de tafel die bij ons thuis staat, om daar het brood met ons te breken. Christus nodigt ons uit om naar zijn tafel te komen, in het hart van Jeruzalem, waar hij gestorven is en opgestaan, om ons daar te voeden en te laven.

Voor we beginnen – we zijn nog in coronatijd, even deze handschoenen aan. Ik lijk wel een dokter die u een medicijn gaat aanreiken…  misschien niet eens een ongepaste associatieJ

Kom, alle dingen staan gereed!

 

Tafelgebed

(…)

Wij danken U voor deze Tafel. U spreekt tot ons met zoveel woorden: oude woorden uit de Bijbel en nieuwe woorden die hen uitleggen. Maar mensen spreken zoveel talen: de taal van kinderen en van volwassenen, de taal van denkers en doeners, de taal van Nederlanders en Fransen en Arabieren en Russen en nog honderd volken meer. Hoe moeilijk is het U te horen in een gemeenschappelijke taal. En toch geeft U ons die taal ook, U spreekt ook tot ons in dingen, in dingen we allemaal kennen, die we allemaal delen, die we allemaal nodig hebben: U spreekt tot ons in brood en wijn. U nodigt ons uit aan Tafel, dank U wel. Daarom zingen wij met allen die U liefhebt:

Heilig, heilig, heilig

Wij danken U, God, dat U spreekt in dingen nog voor U spreekt in woorden, en dat U spreekt in dingen nadat U in woorden gesproken hebt. U spreekt tot ons in uw schepping, in alles wat U doet en maakt, zoals koren en druiven, waarvan brood en wijn gemaakt worden. U spreekt tot ons in het verloop van gebeurtenissen, hoe vreemd het ons ook geworden is om daarin uw hand te ontdekken. U spreekt tot ons in een mens meer dan in een boek, U spreekt tot ons in Jezus. Jezus die zelf naar het einde van zijn leven toe steeds vaker zweeg en zijn daden, tenslotte zijn lijden, voor zich liet spreken. Hij die juist dat uitdrukte, niet in woorden, maar een daad, een ding: in het breken van brood en schenken van wijn. Hij die in de nacht van overlevering…

 

 

————————————————————————————————-

 

Het werk van Zijn handen (Wilhelminakerk 29-8-21)

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige schepper van hemel en aarde. Deze regel kennen we allemaal. De eerste regel van onze eerste Geloofsbelijdenis. De Geloofsbelijdenis die we delen met alle kerken op aarde. Als christenen geloven wij in God als schepper van hemel en aarde, of zoals de tweede Geloofsbelijdenis het zegt: van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Laat ik me beperken tot het eerste, het zichtbare, daar hebben we vanmorgen onze handen al vol aan. We geloven dus dat al wat we horen en zien, al wat een lichaam heeft, al wat uit materie bestaat, geschapen is. Dus planeten en sterren, zeeën en bergen, planten en dieren, u en ik, al het fysieke is er dankzij God. En dat niet omdat God het ooit in een grijs verleden gemaakt heeft en het sindsdien zijn gang laat gaan, maar omdat Hij het nu maakt. Psalm 104 spreekt in de tegenwoordige tijd: de Heer maakt. Op elk moment schept Hij wat er op dat moment is. En zo bouwt Hij door de tijd heen op en af wat er komt en gaat.

Dit is een duizelingwekkende overtuiging, die een leven lang met ons mee kan groeien. Pas geleidelijk gaan we beseffen wat we hiermee geloven. We kunnen het besef ook weer geleidelijk verliezen. Het omvat zoveel en gaat zo diep, dat we het soms niet kunnen geloven. Er kunnen ook aanzienlijke hindernissen zijn óm het te geloven of te beseffen. In het Westen hebben we van jongs af aan geleerd om naar lichamen en planeten te kijken alsof ze ‘er gewoon zijn’. Als christenen in het Westen brengt ons dit in een dubbele positie: enerzijds geloven we in God, in wat Hij gedaan heeft in Christus, anderzijds leven we met al de dingen die we ondertussen waarnemen, in de wereld buiten ons en in ons lichaam, grotendeels zonder aan God te denken, omdat we dat zo op school geleerd hebben.

Moleculen en sterrenstelsels, grondstoffen en landschappen, cellen en oecosystemen: we hebben ze allemaal leren bestuderen en gebruiken alsof God niet degene is die hen ondertussen schept. Alsof ze er gewoon zijn, uit zichzelf. Daarbij hebben we vaak ook vergeten dat deze kijk op de werkelijkheid niet alleen nog steeds buiten het Westen, maar ook in de geschiedenis van het Westen zelf, een tamelijk recente gewenning is. In verreweg de langste tijd van onze eigen westerse cultuur was er een wijdverbreid geloof in de schepper, en voelden we de behoefte dit ook te doordenken en te eren. Voor velen van ons is dit verleden niet verder weg dan hun jeugd. Laten we even teruggaan in de tijd.

Op een bekende middeleeuwse afbeelding van God wordt Hij getekend met een passer in de hand [Plaatje 1]. De bouwers van kathedralen geloofden dat zij met hun werk, bijvoorbeeld het maken van een roosvenster, de grote Bouwer nabootsten, want ze geloofden dat God de aarde en de hemel maakt, met onder meer de bewegingen van zon, maan en sterren, die volgens vaste, berekenbare patronen verlopen. Dus moet hun Maker wel een exacte geest hebben en een heel vaste hand. Dat God nog méer doet dan scheppen wist iedereen, maar Hij is óok een grandioze architect-bouwer.

Nu leven wij in de moderne tijd. Aan het begin van de moderne tijd, bijvoorbeeld in de Gouden Eeuw in Nederland, werd het besef van de schepper die óok een grootse rekenmeester en uitvoerder moet zijn, niet losgelaten. Integendeel, dankzij geloof in deze Maker ging men nauwkeuriger naar de natuur kijken. Zij bleek complexer dan gedacht, er zijn nauwkeuriger instrumenten nodig dan een passer om haar te kunnen meten en namaken. Maar met een microscoop en telescoop zie je alleen maar nauwkeuriger dat de natuur inderdaad wiskundige patronen volgt. Pas veel later ging men denken, vooral om bijkomende redenen, zoals godsdienstoorlogen, dat deze berekenbaarheid iets van de natuur alleen is. Dat er geen Rekenmeester en Bouwer achter zit die de natuur zo máakt. Pas toen ging men kennis van de natuur verwerven door de schepper buiten beschouwing te laten. En ook toen werd het besef van een schepper niet van de ene op de andere generatie losgelaten.

Dat is aardig te zien bij de dichter, profeet en schilder William Blake, begin 19e eeuw [Plaatje 2]. Hij tekent Newton, de bekende vader van de moderne natuurkunde, zoals God in de middeleeuwse afbeelding getekend wordt: met een passer gebogen over een groots ontwerp. Daar hebben we de architect en uitvoerder weer, maar nu is het de mens, de mens als maker. Op zich geen gedachte waarvan Newton zou opkijken, want hij geloofde net als de middeleeuwers dat de mens naar het beeld van God geschapen is. Als wij lijken op de schepper, dan ook als ontwerpers en planner, als makers en bouwers. Hij in het groot, wij in het klein.

Voor Blake is het besef van God als architect en uitvoerder nog steeds een levend besef. Op een bekend schilderij van hem zien we God als schepper opnieuw afgebeeld als een figuur met een passer [Plaatje 3]. De passer bestaat dit keer uit twee lichtstralen, laserstralen bijna, en God heeft iets meer van een sprookjesfiguur, een man op de wolken met wapperende witte baard. Toch is deze voorstelling van God bij Blake nog geen mythe in de zin van een verzonnen verhaal, het is hooguit een parodie op Zeus die zijn bliksem vanaf de wolken neerwerpt. Het is een soort visuele poëzie, zoals ook in de middeleeuwse afbeelding, of in veel Bijbelteksten zoals Psalm 104. Ook daarin doet God van alles, maar niet als een lichamelijk, begrensd wezen. De menselijke gestalte van God moeten we in de Middeleeuwse afbeelding en bij Blake dus niet letterlijk nemen. God is geest. Maar Hij laat wel de natuur doen wat zij doet, Hij schept haar, en Hij doet dat volgens wiskundige patronen.

Dat de natuur inderdaad volgens wiskundige patronen werkt is eigenlijk even wonderlijk als het feit dat zij een onzichtbare schepper heeft. Het laatste, dat er een schepper is, gingen mensen uit Israël en andere volken eerst geloven en toen pas een beetje begrijpen. Dat de schepping volgens allerlei berekenbare patronen in elkaar steekt, zijn wij mensen in het Westen eerst gaan geloven en toen pas gaan zien. Eeuwenlang werd dat niet geloofd en mede daarom werd de natuur ook niet zo goed bekeken.

 

God maker van alle zichtbare en onzichtbare dingen. De natuur schepping. Hoe wonderlijk en ongewoon of vreemd het ons mag klinken, veel Bijbelteksten spreken er onbevangen en lovend over. We hoorden het in Psalm 104. ‘U leidt het water van de bronnen door de beken’ – water stroomt vanuit een bron door een beek, ja dat doet water, en God doet dat. ‘U laat het gras groeien voor het vee’ – ja dat doet de natuur, dat doet God. ‘U hebt de maan gemaakt voor de tijden..’, zo gaat de Psalm maar door. ‘Hoe talrijk zijn uw werken, Heer, alles hebt U met wijsheid gemaakt’. Daar heb je de Architect-Bouwer – ‘Gij hebt alles naar maat en getal en gewicht geordend’ (Wijsh 11:20).

Het besef van schepping komt een stuk dichterbij als we beseffen dat, als God alle zichtbare, fysieke dingen maakt, in al die dingen dan iets van zijn wil is uitgedrukt. In het feit dat ze er zijn en in de manier waarop ze werken is iets van Gods scheppings-wil uitgedrukt: Hij maakt dat ze zo zijn en werken, Hij kiest daarvoor. Dat geldt dan voor alle basiswerkzaamheden van de natuur, bijvoorbeeld dat water bij een bepaalde temperatuur verdampt. En dit gebeurt dan ook bij die natuurlijke werkzaamheden die door mensen een eigen richting of kracht of toepassing hebben gekregen. Het enige dat God dan niet doet is hen die eigen richting, kracht of toepassing geven. Of Hij daar ook achter staat hangt ervan af: of die richting, kracht of toepassing goed is en in Zijn plan past.

Denk maar weer aan het voorbeeld van water: onder bepaalde condities regent het, dan valt er water uit wolken. Dat veronderstelt dat water zo in elkaar steekt, dat het onder bepaalde condities verdampt en elders condenseert. Dat is bekend genoeg, dat doet water – dat laat God water doen, Hij schept dit stukje natuur dat zo werkt. Onder bepaalde condities wil God dus dat het regent. Tot die condities behoort niet, dat de dampkring door mensen warmer is gemaakt dat hij normaal gesproken is. Dus dat het vreselijk hard regent op ongewone tijden of plaatsen, is niet Gods wil. We moeten hier zorgvuldig onderscheiden.

Met dit soort condities hebben we elke dag te maken. Het is belangrijk ze te leren kennen. Bij regen is dat voor boeren meteen duidelijk. Maar het raakt ons allemaal. Neem ik mijn regenpak vandaag mee als ik naar mijn werk fiets? zal onze vakantie verregenen als ik naar dat gebied ga? zal jouw huis wegspoelen of onderlopen bij de volgende stortbui? Overal waar we tegen natuurlijke condities aanlopen, lopen we tegen de wil van de schepper aan. Als ik iets wil maken of doen, maar natuurlijke condities laten dit niet toe, bots ik dus ook even tegen God aan, tegen een stukje van zijn wil. Als ik iets doe dat via natuurlijke condities gevolgen krijgt waarvan ik schrik, bots ik even tegen Gods wil aan. Met de ‘harde’ werkelijkheid raken we aan de betrouwbare onverzettelijkheid van de schepper.

Natuur en natuurwetten zijn een teken en een bewijs van Gods trouw aan het werk van zijn handen. Dit wordt alleen gecompliceerder als natuurlijke condities gebruikt, toegepast, gemanipuleerd zijn door mensen. Dan lopen we niet alleen aan tegen instellingen die God aan zijn werk heeft meegegeven, maar tegelijk tegen datgene wat mensen ermee gedaan hebben. Misschien loop ik dan wel aan tegen iets dat ik zelf met mijn lichaam of mijn natuurlijke omgeving gedaan heb. Als miljoenen mensen decennialang auto’s rijden, warmt de dampkring op en verandert ons klimaat; en als ik decennialang een auto rij, doe ik daaraan mee.

Laten we nog even stilstaan bij een andere kant van dit besef. Stel we gaan zorgvuldig om met alles wat natuurlijk is, en we slagen daardoor in wat we willen maken of doen. Hebben we het dan alleen aan onszelf te danken dat we slagen, aan onze kennis van de natuur en onze verstandige toepassing daarvan? Nee, dan danken we dat natuurlijk allereerst aan natuur zelf, aan het feit dat zij is zoals zij is en werkt zoals zij werkt, en dát danken we aan de schepper die haar zo maakt. Wanneer we slagen, doen we ons succes dus maar zeer ten dele recht als we Hem er niet voor danken. En als we de schepper er niet voor danken, gebruiken we Hem. Ook als Hij dat laat gebeuren, als Hij trouw doorgaat met het scheppen van natuur, voelt dat niet goed. Stel je voor dat je dit zou doen met een medemens: iemand maakt iets moois en jij doet van alles met dit werk van zijn of haar handen, maar zonder aan hem of haar te denken.

 

Alles wat we maken en doen wordt mogelijk gemaakt door God. Alle zichtbare en onzichtbare dingen zouden er niet zijn als Hij hen niet in vrijheid tot werkelijkheid maakt. En ze zijn zoals ze zijn omdat Hij ze zo tot werkelijkheid maakt, van moment tot moment. Hij geeft alle dingen karakter en samenhang, en éen van de aspecten hiervan is dat zij berekenbaar zijn – letterlijk: we kunnen ze narekenen, we kunnen voorspellingen doen, en figuurlijk: we kunnen daarom op hen rekenen. Wel, ik ben benieuwd of u iets van dit besef herkent. Het is een stukje van het besef dat naar mijn overtuiging hoort bij het geloof in de schepper van hemel en aarde, het geloof dat alles wat echt natuur is schepping is. Het gaat om het realiteitsgehalte van een lied als psalm 104, het realiteitsgehalte van haar prachtige poëzie.

 

 

De plaatjes die tijdens de dienst getoond zijn kunnen in deze blog niet opgenomen worden, maar zijn gemakkelijk te vinden via Google Afbeeldingen:

Voor plaatje 1 zie bv https://static.kunstelo.nl/ckv2/kerk/chartres2/matengetallen2.htm

Voor plaatje 2 zie  bv https://www.tate.org.uk/art/artworks/blake-newton-n05058

Voor plaatje 3 zie bv https://nl.aliexpress.com/item/4000764860544.html

 

LITURGIE

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                                       allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

Drempelgebed

Openingslied 513

Groet:  V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.            daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Loflied: 919:1,2,4

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Psalm 104, gelezen en gezongen:

Lezen: vers 1 t/m 4

Zingen: couplet 2

Lezen: vers 10 t/m 16

Zingen: couplet 5

Lezen: vers 21 t/m 25

Zingen: couplet 8

Lezen: 31 t/m 35

Uitleg en verkondiging

Lied: 139: 8, 10, 11

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader
Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen

Slotlied: 839                                allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Orgelspel

Drempelgebed (naar psalm 8)

Heer onze Heer hoe machtig is uw naam op heel de aarde.

Uw reputatie van grote en goede schepper gaat overal rond.

We hoeven maar naar de sterrenhemel te kijken, of naar een baby.

U legt de hele rijkdom van uw schepping in een mensenkind.

U geeft uw werk in handen van mensen.

Heer onze Heer, hoe bijzonder

is de macht van uw naam

op heel de aarde.

 

Welkom en Inleidende Woorden

Hartelijke welkom in deze dienst, u thuis die meekijkt en meeluistert en u hier in de kerk. Het thema vanmorgen is: de schepping. De zomer, hét seizoen om van de schepping, de natuur te genieten, is voorbij; dat voelen we dit jaar misschien nog sterker omdat er maar weinig zomer was. In deze dienst geen praktische adviezen over hoe we meer van de natuur kunnen genieten, ook geen adviezen over hoe we met de natuur moeten omgaan. Dat soort adviezen zijn zeer belangrijk, maar die horen we meer dan genoeg om ons heen. De dienst gaat vooral over de motivatie achter onze omgang met de natuur. Daar ligt juist voor gelovigen een grotendeels onbekend of vergeten gebied, dat niettemin groot verschil maakt. Met welk geloof kijkt u naar de natuur? Hoe is God erbij betrokken?

 

Gebed voor de nood van de wereld

God, als wij aan de natuur denken, denken we de laatste tijd al gauw aan de enorme overstromingen, of aan de vele bosbranden over de hele wereld. De natuur is in grote nood. En, de natuur is weer een groot gevaar, een bedreiging. We denken aan de doden, de grote verwoestingen, het verdriet en de nieuwe vrees. We houden ons hart vast voor de toekomst, de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. We denken aan ieder die binnen of buiten de kerken een apocalyptische stemming krijgen, het gevoel dat we tekenen van de eindtijd zien, en niet weten hoe daarmee om te gaan. Heer, wees met ieder die getroffen is. Wees met ieder die bezig is om verdere rampspoed zo veel mogelijk te voorkomen, ieder die zich daarvoor inzet met woord en daad. Dat bidden wij U omwille van uw naam die groot is op heel de aarde.

 

Gebed bij de opening van de Bijbel

Heer, we willen zingend en luisterend door een psalm lopen, een scheppingslied – wilt U met ons mee gaan, wilt U ons leren luisteren zoals de psalm luistert: met het oor aan de werkelijkheid, hoe alle dingen spreken over hun schepper. We zijn het verleerd om deze spraak te horen. Leer ons zingen van de dingen waarvan de psalm zingt! Dat vragen we U in naam van hem door wie en tot wie U alle dingen gemaakt hebt.

 

Gedenken van overledene

Afgelopen vrijdag is overleden Cornelis Plugboer, op de leeftijd van 93 jaar. Cees Plugboer woonde de laatste drie jaar in De Stichtse Hof waar hij liefderijk verzorgd is. Hij is in alle rust in de aanwezigheid van zijn familie overleden. Officieel was hij de laatste tijd lid van de Spieghelkerk, maar dat kwam door een nieuwe wijkindeling, jaren geleden; daarvóor was hij jarenlang verbonden met de Wilhelminakerk. In onze wijk was hij collectant en later diaken. Sommige ouderen zullen hem ook nog wel kennen van zijn aardappelhandel in het dorp. Of als de vader van Jan Plugboer, die veel voor onze website heeft gedaan. De afscheidsdienst is aanstaande zaterdag; in verband met corona kunnen maar een beperkt aantal mensen aanwezig zijn, maar u kunt de dienst altijd via internet volgen. In Kerknieuws, komende woensdag, zult u nadere gegevens over deze dienst vinden.

Als de levenskaars uitgaat doen we een laatste beroep op Hem die trouw is aan het werk van zijn handen. Dat beroep maken we zichtbaar door een kaars aan te steken aan het licht van de Opgestane. Deze kaars is voor Cees Plugboer.

 

Gebeden

Diaken

God, om ons te voeden, te kleden, te huisvesten, om alles te kunnen maken wat we in het dagelijks leven gebruiken, leven wij mensen van de natuur. Maar wij zetten haar vreselijk onder druk. We willen méer dan zij ons biedt, we willen het sneller dan zij ons biedt. Leer ons, Heer, om meer gelijke pas te houden met de natuur. Leer ons afstemmen op uw eerste werk. Help ons opnieuw te beseffen dat U uw gaven voor lichamelijk welzijn in de regel geeft op de tijden waarop de natuur die voortbrengt en de wijze waarop zij werkt. Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Heer, hoe groot en wonderlijk is uw naam als schepper op aarde. Dat zongen we met Psalm 8. De psalm zegt ook dat U de schepping aan de voeten van de mens hebt gelegd, om haar te beheren. En dat betekent dat wij uw werk en daarmee uw naam ook kunnen schaden. Wij kunnen de schepping in gevaar brengen en zullen daarmee ook altijd onszelf in gevaar brengen. –God, U hebt de beloofd dat U de aarde nooit meer met een zondvloed zult verwoesten, U hebt niet gezegd dat U het zult verhinderen als wij de aarde verwoesten. Schud ons door elkaar, Heer, open ons hoofd, ons hart en onze oren zodat we de stem van de schepping weer gaan horen en uw naam weer eer aan doen. Zo bidden wij U allen….

Heer, elke dienst beginnen we met uitspreken van ons vertrouwen op U die niet loslaat wat uw hand begon. We willen dat vertrouwen niet alleen aan het begin van het leven, en in het midden van het leven uitspreken, maar ook helemaal aan het eind van leven. U die trouw houdt tot in eeuwigheid, ja ook als we sterven. We bidden U voor de familie Plugboer. We bidden U voor hen die jarenlang in ons midden waren, met hun trouwe inbreng, hun stem en tegenstem. Ook zij zijn het werk van uw handen, God. We bidden U voor hen die graag in de kerkdienst hadden willen zijn, maar door een ongeval of ziekte verhinderd werden. Leer ons trouw zijn zoals U dat bent.

Ieder van ons heeft eigen gedachten en ervaringen met natuur of schepping. Of met het verlies van een dierbare. Daarom kunnen we sommige dingen alleen zelf tot U zeggen. Heer, hoor is ons bidden of stil-zijn in de stilte….

 

Wegzending en zegen

Stilstaan bij de natuur had lange tijd iets van een luxe, een vakantiegevoel. Maar oog voor de natuur is niet langer iets van genieten alleen, het is ook een levensnoodzaak geworden. Sommigen zeggen zelfs dat het vijf voor twaalf is. Dat geluid horen we in feite ook al in de Bijbel. Mag ik u de boodschap van vanmorgen meegeven in de vorm van een paar verzen uit Openbaring (14:6v):

Toen zag ik opnieuw een engel, die hoog in de lucht vloog. Hij had een eeuwig evangelie, dat hij bekend moest maken aan de mensen op aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. Luid riep hij:

‘Heb ontzag voor God en geef hem eer, want nu is de tijd gekomen dat hij zijn oordeel zal vellen. Aanbid hem die hemel en aarde, zee en waterbronnen geschapen heeft.’

We mogen vanhier naar huis gaan, de wereld in, met de zegen van onze schepper: De Heer zegene u en Hij behoede u…