De koninklijke wet

Soms ontstaat er een serie erediensten die niet als serie gepland was. Als predikant speel je in op de beperkingen die per zondag aan de keuze voor een thema of Bijbeltekst gegeven zijn, door de plaats in het kerkelijk jaar of door een project (bv van Kindertijd). Wordt er tussen de diensten dan toch een doorlopende lijn zichtbaar, dan is dat soms ook tot verrassing van de voorganger. Vanaf Palmpasen is zo als rode draad Jezus’ koningschap naar voren gekomen.

Het werd een rode draad door de grote christelijke feesten, die om verdere aanvulling roept: als Jezus de koning van Israël, van de wereld, van ons is – hoe kan dat ons inspireren om koninklijke mensen te worden?

 

 

 

 

 

9 De koninklijke wet

‘Heb je naaste lief als jezelf’ is wel de bekendste leefregel uit de Bijbel. Een leefregel die ook voor het niet-christelijke Westen nog steeds een norm is. Toch zouden wij het gebod van naastenliefde niet snel koninklijk noemen, zoals Jakobus doet, eerder democratisch. Dat geeft te denken.

Hoe komt Jakobus ertoe om van ‘koninklijke wet’ te spreken? ‘Koninklijk’ komt in de Bijbel van Jakobus niet veel voor, maar er is een verhaal waar hij zeker aan gedacht kan hebben, een verhaal uit Numeri: (Num 20:17). Als Mozes met het volk voor de grens van Edom staat en de koning aldaar vraagt of Israël door zijn gebied mag trekken, zegt hij: Weest u niet bang, Israël zal de koninklijke weg nemen, wij zullen niet afwijken naar links noch naar rechts. Wij zullen ons nergens in uw velden vestigen, en nergens plunderen. De koning van Edom vindt het risico toch te groot en weigert.

Koninklijk heeft kennelijk de maken met een onafhankelijkheid van opstelling die veel mensen – en veel volken – niet hebben. Want dan moet je ook tegen eigen noden en verlangens in durven gaan. Je moet maar honger hebben en langs fruitbomen trekken, of het trekken door woestijngebied zat zijn en dan door groene velden wandelen. Je dan beheersen is niet gemakkelijk. Maar Mozes belooft aan het volk dat Israëls buurvolk zal worden, dat Israël alleen maar op doorreis is, meer niet.

We zien hier de koninklijke wet in actie. De naaste als jezelf, dat betekent: behandel de ander zoals jezelf behandeld wil worden. Pak niet van de naaste wat niet van jou is, ook niet als je het nodig hebt, en ook niet als je het vraagt en de ander het jou niet geeft. Gij zult niet begeren. Gij zult niet stelen. Dat is niet in elke situatie even gemakkelijk. En wat doe je als je zelf groot geworden bent en de macht of vrijheid hebt om het te pakken – zoals Israël later, als het sterker is dan Edom?

 

We zien in dit verhaal bovendien dat verschillende geboden uit de wet in elkaar grijpen. Niet begeren betekent soms concreet: niet stelen. Maar Jakobus gaat nog een flinke stap verder. Als je éen regel van de wet overtreedt, zegt hij, overtreed je ze eigenlijk allemaal.

Misschien schrikken we nu. Dat klinkt wel heel veeleisend! Toch herkennen we deze norm heel goed. Als jij een ander veroordeelt omdat die een regel overtreedt waar jij je aan houdt, maar jij overtreedt zelf ondertussen een andere regel, heb je dan geen boter op je hoofd? Als jij een ander pakt omdat hij steelt en jij pleegt ondertussen overspel, kun je je dan verdedigen met ‘Niemand is volmaakt’? God houdt niet van stelen, maar Hij houdt ook niet van overspel. En zo zijn er nog wel een paar dingen te noemen.

Er is speciale reden waarom Jakobus het houden van de hele wet als norm vasthoudt. Zoals u natuurlijk weet, is ‘je naaste liefhebben als jezelf’ een samenvatting van de wet. Oude en Nieuwe Testament zeggen, dat de hele wet ‘hangt aan’ twee grote geboden. In ‘je naaste als jezelf’ liggen dus eigenlijk alle geboden van de wet opgesloten. En ga maar na: Gij zult niet stelen – ja, jij wilt zelf ook niet bestolen worden. Of: pleeg geen overspel – jij zou het zelf vreselijk vinden als je partner dat deed. Wat jij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

Heel opmerkelijk is, dat volgens Jakobus deze regel niet alleen een zaak is van rechtvaardigheid, maar ook van barmhartigheid. ‘Oog om oog’ kun je zien als een toepassing van het tweede gebod. Want als iemand jou een oog uitrukt, heb jij het recht dat ook bij de dader te doen. Je naaste als jezelf. Elke rechtvaardige straf is daarop gebaseerd. Toch is niet straffen ook een toepassing van dit gebod. Iemand beschadigt je, emotioneel of fysiek: beschadig je nu ook deze ander als je de kans krijgt? Als je terugpakt, doe je in feite iets waarvan jij wilde dat het jou niet werd aangedaan. Wat je veroordeelt in de ander doe je zelf. ‘De andere wang toekeren’ is dus óók een vervulling van het tweede gebod.

En dat is geen vrijblijvende aanvulling. Jakobus voegt toe: als je dit niet wilt, als je wel rechtvaardig maar niet barmhartig wilt zijn, geef je ook de ander het recht om alleen rechtvaardig en dus niet barmhartigheid naar jou toe te zijn. Reken er dan dus op, dat jij behandeld zult worden zoals je je naaste behandelt: zonder ontferming. –Wanneer wij onze schuldenaren niet vergeven, hoe kunnen we God vragen ons onze schulden te vergeven? Dan meten we met twee maten.

 

Je naaste als jezelf – er is nog een andere, maar niet minder bekende manier waarop Jakobus deze koninklijke wet omschrijft: Handel zonder aanzien des persoons. (Zo stond het in onze oude vertaling, 2:1. De nieuwe vertaling zegt: ga niet op het uiterlijk af.) Zonder aanzien des persoons, ook dat herinnert aan het Oude Testament, bv aan het verhaal dat ook in de twee afgelopen kerkdiensten waarin ik voorging teruggekomen is. De profeet Samuel moet een nieuwe koning over Gods volk zalven, maar als hij alle zonen van Isaï gezien heeft, zegt God: hij zit hier niet tussen. Uiteindelijk wordt de jongste zoon gekozen, die herdersjongen, die zijn angst voor de leeuw overwon omdat hij een lam wilde redden. Zijn broers en vader, en ook de profeet zijn verbaasd. ‘Maar de Heer zei tegen Samuel: De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart‘ (1Sam 16:7).

Laatsten worden eersten, God kiest het geringe en plaatst dat voor het aanzienlijke. Dat doet Hij wel vaker, maar dat doet Hij hier klaarblijkelijk omdat Hij in dat geringe iets ontdekt dat in het aanzienlijke ontbreekt. God draait de volgorde niet eenvoudig om, Hij zet verhoudingen niet op zijn kop. Hij kiest ook niet vanuit een onbegrijpelijke voorkeur. Het hart is in de Bijbel niet de bron van ondoorgrondelijke gevoelens of een mysterieuze klik, maar iemands grondhouding, van waaruit de belangrijke beslissingen in het leven genomen worden. God zag dat David het hart op de goede plaats had.

‘Handel zonder aanzien des persoons’ betekent dus niet: Beoordeel ieder mens gelijk, maar: Beoordeel ieder mens rechtvaardig. Het betekent ook niet: Oordeel niet, maar: Oordeel zuiver, kijk naar het hart van mensen, naar hun grondhouding, en naar hun daden. Daar komt het op aan, niet op een imponerende gestalte, een goede afkomst uit een voorname familie, een groot salaris of een groot vermogen, of zelfs de meerderheid van stemmen. Om dit soort redenen was indertijd koning Saul door het volk gekozen. David niet. Hij is ook zelf niet iemand die deze dingen het zwaarst laat wegen.

Bij David hebben een mooi tweede voorbeeld van wat Mozes noemde: ‘niet afbuigen naar links of rechts’. Koninklijk ben je, als je je niet laat leiden door vrees voor of behoefte aan fysieke kracht, geld, economische of sociale status. Koninklijk is een regering die kleine bedrijven belasting laat betalen, maar grote multinationals óok. En die het oordelen op daden en motieven, en niet op voorkomen of aanzien ook toepast op zichzelf. Kortom, koninklijk ben je als je oordeelt op basis van goedheid, niet van macht, en jezelf onder ditzelfde oordeel stelt.

 

Dit brengt me tot slot bij een vraag die bij u vermoedelijk al is opgekomen. De koninklijke wet die Jakobus zijn gemeenteleden voorhoudt, is het gebod van naastenliefde. Dat is het tweede grote gebod. Moeten we niet ook God liefhebben boven alles? Is het eerste gebod bij Jakobus afwezig? Kunnen we met Jakbous tot een meer moderne versie van christendom te komen, een christendom dat voor alles bestaat uit naastenliefde? Als je goed bent voor je medemens, maakt het niet zoveel uit of je wel of niet van God houdt. Zo kan het eerste gebod opgaan in het tweede, en bestaat de kerk vooral in dienstverlening aan een seculiere samenleving. Gaat Jakobus daarin voor?

Nee. Vlak voordat hij spreekt over de koninklijke wet zegt Jakobus, dat God armen heeft uitgekozen om hen deel te geven aan (ik citeer) ‘het Koninkrijk dat God heeft beloofd aan wie Hem liefhebben’. Deel krijgen aan het Koninkrijk, het rijk van rechtvaardigheid en barmhartigheid, waarin ieder mens zijn of haar naaste liefheeft als zichzelf, is beloofd aan hen die liefde voor God hebben.

De liefde tot God is onmisbaar, God is onmisbaar. Hij is de belangrijkste garant van de koninklijke wet. Want deze wet is uitdrukking van het karakter van de koning, van hem aan wie alle koningen als het goed is zich spiegelen. Het is allereerst God die mensen niet naar de ogen kijkt, maar wel op hun grondhouding en daden aanspreekt. Zo heeft Israël God leren kennen, te midden van al die grote volken met hun koningen en goden. En Israël heeft van God geleerd dat mensen naar Zijn beeld geschapen zijn, met een waardigheid zoals Hij die heeft. De onaanzienlijke christen moet trots zijn op zijn hoge waarde, zijn hoge stand, zegt Jakobus (1:9). We zijn geroepen Gods beelddragers te zijn. Een koning gaat juist daarin voor, als het goed is. Koningen zouden in het groot moeten laten zien wat elk mens in het klein kan laten zien. Wij doen onze gelijkenis met God eer aan als wij handelen zoals Hij, oordelen zoals Hij, liefhebben zoals Hij.

Dat brengt me bij het PLAATJE – u herkent het icoontje vast wel, het past in een handpalm, ik heb het in veel huiskamers zien hangen: de vriendschapsicoon. We zien daar een mens met zijn makker, zijn metgezel, zijn allernaaste. Ieder kan daar een ander gezicht bij denken. David dacht misschien aan Jonathan, jij denkt misschien aan een beste vriend of je partner. Maar van wie kun je zeggen dat hij jou helemaal liefheeft als zichzelf omdat hij in alle aspecten van het leven helemaal naast je staat en daarin jou niet naar de ogen ziet maar zuiver oordeelt naar daden en grondhouding, en zich met jou onder hetzelfde oordeel van goedheid stelt?

Dat kun je alleen van God zeggen.

Dat kun je alleen van God zeggen als Hij in een mens naast je komt staan.

 

Het plaatje bedoeld in de preek is de bekende vriendschapsicoon die gemakkelijk op internet te vinden is

 

LITURGIE

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                                     allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 15: 1,2

Groet: V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.             daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Lied: 320: 1,2

Gebed bij de opening van de Bijbel

Eerste Bijbellezing: Jakobus 2: 1 t/m 12

Lied: 320:3

Uitleg en verkondiging

Lied: 345

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader
Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 440:1,3                                  allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Drempelgebed

Heb God lief boven alles

en heb de mens naast u

lief als uzelf.

Het zou boven elke kerkdeur geschreven kunnen staan,

het is de grondwet van uw koninkrijk, Heer, het wordt

door U zelf als eerste geëerbiedigd.

U bent in een mens gekomen

en hebt deze wet vervuld

op aarde

zoals in de hemel.

 

Koning Jezus,

maak ons tot burgers van uw rijk,

maak ons tot mensen naar het hart van God,

mensen met een koninklijke geest,

royaal in voorgaan en dienen,

onwankelbaar goed

voor anderen en

voor zichzelf.

Amen.

 

Welkom en inleidende woorden

Welkom iedereen die hier of thuis deze kerkdienst meemaakt. Het intochtslied werd wat aarzelend gezongen, het was ook een minder bekende psalm. Dat voelt niet prettig! En toch is een dienst wat onwennig beginnen niet altijd verkeerd. Het zet je stil bij het begin. Het bekende blijkt ineens toch minder bekend dan je dacht. Neem het thema van vanochtend: Heb je naaste lief als jezelf, de bekendste leefregel uit de Bijbel. In de brief van Jakobus wordt deze regel de koninklijke wet genoemd. Hoe goed kennen we die? Daarover gaat de dienst.

 

Gebed om nood van de wereld

God, een wet is niet altijd koninklijk, hij kan ook een tiran worden. Bijvoorbeeld voor hen die midden in het leven staan, in het harde leven van werk en loon. Op het werk staan zij vaak onder flinke druk, ze proberen aan de eisen en verwachtingen te voldoen, maar lopen soms op hun tenen en komen op of over de rand van burn-out. Heer, wees met hen! Wij zien hen niet veel in de kerken, maar leven met hen mee, sommigen van hen zijn onze kinderen en kleinkinderen. Leid hen uit het diensthuis dat wij in onze drang naar welvaart gecreëerd hebben.

We denken ook aan een nood die uit deze nood voortkomt. Bij veeleisende werkomstandigheden wordt in de privésfeer vaak vooral het tegenwicht gezocht. Ontspanning, niets moeten, vrijheid blijheid. In die sfeer zijn ook geloof en kerk terecht gekomen. Ook daar wordt vooral ontspanning gezocht – dus zeker geen wet! En zo komt wat scheef is in de wereld van het werk ook scheef in de godsdienst, alleen omgekeerd: op het ene terrein is er teveel moeten, op het andere te weinig. Heer, U wilt menselijke werkomstandigheden, maar U stelt óok eisen aan ons. Geef dat we het eerste grote gebod niet laten lijden onder het tweede.

God, onze drang naar welvaart heeft nog een heel andere nood gecreëerd. Het extremer wordende weer, dat op grillige wijze toeslaat op onze planeet. We bidden U voor Duitsland, voor België, voor Limburg, we denken aan de mensen die overleden zijn door de plotselinge overstromingen na de heftige regen, aan de enorme ravage die zij hebben achtergelaten. Wees met allen die zoveel moeten schoonmaken en opnieuw opbouwen. Laat ons allemaal de urgentie voelen van wat wij me de aarde doen als we niet drastischer veranderen in onze levensstijl.

 

Gebeden

Diaken

God, wie is onze naaste? Is dat niet allereerst degene die letterlijk naast ons leeft? Onze buurman en buurvrouw? En wie is de naaste van ons als wijkgemeente? Zijn dat niet de mensen in onze wijk? Heer, in onze samenleving kunnen we de mensen met wie we leven uitkiezen, en contacten op grote afstand onderhouden, maar zo degene die feitelijk naast ons woont nauwelijks zien of kennen. Geef dat we ook leven in onze eigen straten en scholen. Maak onze kerk tot een huis in de wijk, een plek waar buurtbewoners materieel en spiritueel gesteund worden. Zegen de samenwerking van onze wijkgemeente met het Leger des Heils, Heer, zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Heer, we bidden u voor de volken en landen op aarde en hun regeringen. In onze Westerse landen wordt ‘je naaste als jezelf’ wel erkend als norm voor persoonlijke relaties, maar niet als norm voor internationale verhoudingen. We lijken het normaal te vinden dat we als persoon andere personen gelijkwaardig behandelen, maar als volk en land vooral aan onszelf denken. Maar zijn onze buurvolken niet de naasten van ons als volk?

Wij bidden U voor internationaal recht. Het is er gelukkig, maar het is vaak krachteloos. Wij bidden voor volken die elkaar bestrijden, soms in éen land. Voor minderheden die het in eigen land moeilijk hebben. Voor vluchtelingen wereldwijd. Zo bidden wij U allen…

 

Heer, ‘je naaste als jezelf’, dat speelt niet alleen op het grootste terrein, de wereldpolitiek, maar ook op het kleinste terrein, in de huiskamer, tot in de slaapkamer toe. Juist waar we alles met een ander delen, komt deze leefregel op alle punten terug: Doe ik mijn naaste even goed als mijzelf? Doe ik dat aan tafel, als we eten, maar ook in bed? Geef ik evenzeer ruimte aan de verlangens van de ander dan aan die van mij?

Heer, we bidden U voor huwelijken waar deze verhoudingen scheefgegroeid zijn, waar vrouwen vaak meer de mannen behagen dan omgekeerd. We bidden U voor hen die in de kleinste kring gewend zijn zich te schikken, en voor hen die gewend zijn te nemen. Geef allen die hierin een levende, liefdevolle balans trachten te vinden kracht en moed. –Help ons Uw verlangen te vervullen, God: elk mens een koninklijk mens; elk volk een koninkrijk van priesters. Zo bidden wij U allen tezamen…

Zeker in de kleinste kring kunnen we alleen zelf zeggen wat ons op het hart ligt. Heer, hoor ons bidden of stil-zijn in de stilte…

 


 

De baas in onze wereld       (Meditatie in Bericht uit de pastorie uitgewerkt tot dienst in Zuylenstede Utrecht 25-7-21)

Wie is de baas in onze wereld? Als je naar de journaals van de laatste tijd kijkt, met berichten over de zoveelste golf van corona en hoe die op te vangen, of berichten over zware regenval en overstromingen, dringt deze vraag zich wel op. Wat of wie zit er achter de rampspoed in de wereld, en wat of wie geeft leiding aan onze reacties daarop?

De tekst uit het Johannesevangelie die we hoorden spreekt van de overste van de wereld. Wat of wie wordt bedoeld met deze overste of vorst? En wanneer zal hij eruit geworpen worden, zoals de tekst aankondigt? Wie heeft het daarna voor het zeggen in de wereld?

(1) De overste van deze wereld, bedoelt Johannes daarmee niet gewoon de wereldmacht in zijn tijd, dus de Romeinse keizer of het Romeinse rijk, die het volk van God onderdrukte? We kunnen dit dan ook wat breder zien want al in het Oude Testament, in de visioenen van Daniël, en later in Openbaring zien we dat er steeds nieuwe ‘beesten’ naar voren komen in de geschiedenis, nieuwe rijken die de macht krijgen in de wereld. Onze tekst uit Johannes wil dus zeggen, dat de macht die Jezus aan het kruis bracht, door Jezus precies daar, aan het kruis overwonnen is. Jezus kondigt aan dat zijn volgelingen in die overwinning hun eigen aandeel krijgen, want ‘waar de meester is, zullen ook de dienaren zijn’. En waar is waar, het Romeinse rijk is uiteindelijk letterlijk overwonnen door christenen, van wie velen de marteldood stierven: het heeft zich bekeerd tot het christendom.

(2) Wie is ‘de overste van deze wereld’ die door Jezus en zijn volgelingen overwonnen is? Evangelische christenen, trouwens ook veel mensen buiten de kerk, zullen zeggen: dat is de duivel. C.S. Lewis  heeft gezegd dat de duivel in de 20ste eeuw zijn grootste invloed kon krijgen doordat mensen gingen geloven dat hij niet bestaat. In Openbaring is satan onmiskenbaar de macht achter de wereldmachten, de draak achter de beesten uit de zee. In het Oude Testament is satan de achterdochtige tegenstem bij al wat God en goede mensen doen. In de tijd van Job kwam hij nog geregeld in de hemel, maar daar is hij uit gegooid toen Jezus leed en stierf en navolgers vond (zie Luk 10:18). Sindsdien is hij alleen nog op aarde, wetend dat ook daar zijn tijd beperkt is. ‘Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Gezalfde, want de aanklager van onze broeders is neergeworpen, die hen aanklaagde bij onze God, dag en nacht. Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, want zij hebben hun leven op de tweede plaats gezet, tot de dood toe’ (Op 12:9-11). Dit laatste zegt Jezus ook zelf, volgens onze tekst (vs 25). De overste van de wereld is buitengeworpen, satan is verslagen doordat Jezus en zijn volgelingen hun leven geven. Want daarmee tonen zij, dat zij God en zijn gerechtigheid meer gehoorzamen dan machten die erop rekenen dat mensen voor alles het eigen leven willen behouden.

(3) Nu spreekt het Johannesevangelie heel weinig over satan. In dit evangelie is er voor ‘de overste van deze wereld’ een meer voor de hand liggende kandidaat, namelijk de wereld zelf. Het is de wereld die Jezus afwijst (zie bv 1:10), het is de wereld die ook zijn volgelingen zal vervolgen (15:8). En het is deze wereld, met de machten die haar beheersen, die aan het kruis ontwapend en tentoon gesteld is, zoals Paulus het zegt (Kol 2:15). Christus stuurt zijn discipelen de wereld in, maar met de oproep zich niet aan de wereld gelijkvormig te maken.

(4) Maar is de wereld dan zo slecht? In het Johannesevangelie wordt óok gezegd dat God de wereld zo liefhad, dat Hij zijn eniggeboren zoon gezonden heeft. De wereld is toch door God gemaakt? God wil zijn kostbare schepping behouden! Dus wat is het in de wereld, dat haar afwijzend maakt tegenover de schepper van hemel en aarde? Waarom doen de volken en landen op aarde niet wat God en zijn gezalfde willen? Is dat uiteindelijk niet de zonde? Is de zonde niet de overste van de wereld? En ja, deze overste is overwonnen. In de dienst van 20 juni stonden we stil bij Paulus’ uitspraak dat God, door zijn Zoon te zenden ‘in de gelijkheid van het vlees’ de zonde veroordeeld heeft (Rom 8:3). God heeft niet zondaren veroordeeld, maar de zonde. En dat deed Hij door iemand te sturen die in dezelfde condities geleefd heeft als wij, maar daarin niet zondigde. Jezus bewees dat mensen geen hopeloze zondaars zijn. Wie in zijn kracht leeft, dankzij zijn geest, kan de macht van de zonde breken.

(5) Maar nu schuift de vraag opnieuw door, want wat drijft mensen tot zonde? Wat is het in mensen dat zonde zoveel macht geeft in de wereld? Als we nog even bij Paulus blijven: hij lijkt daarvoor een speciale kandidaat te kennen: de wet. Want de wet stelt hoge eisen aan mensen. We zijn allemaal in de ban van hoge verwachtingen. Die geven ons tegelijkertijd een kwaad geweten. Daar willen we vanaf, maar dan kan alleen of door de wet stipt na te leven of door de wet te overtreden. Midden in een intense tweestrijd met zijn eigen onmacht en zijn geweten vraagt Paulus: Maar is dan de wet zonde? (Rom 7:7). Zijn antwoord: Volstrekt niet. De wet is heilig en goed (vs 12). God heeft zijn Zoon gegeven en zijn Geest gezonden ‘opdat de eis van de wet in ons volbracht wordt’ (8:4).

(6) Maar als de wet de strenge baas is in deze wereld, moeten we opnieuw doorvragen want waarom willen mensen – ook christenen trouwens – de wet wel of juist niet vervullen? Er moet iets in ons mensen zijn waardoor de wet macht over ons heeft, en is dat niet gewoon onze menselijke natuur, onze aard? Wij willen graag zo goed mogelijk zijn! Of: wij willen graag vóor alles vrij zijn en zelf doen! Is dus dit verlangen, deze aandrang niet de overste van deze wereld? –Paulus spreekt dan wel over de menselijke aard zoals die gevormd is door persoonlijke en gemeenschappelijke gewoontes in denken en doen. Ons leven wordt grotendeels door hen geregeerd. Deze gewoontes zitten niet alleen in de samenleving, maar ook in de ziel, in veel van haar spontane neigingen. Juist daardoor kunnen ze heel ‘natuurlijk’ lijken. En onze gewoontes hebben niet allemaal Gods zegen. Dat de overste van de wereld eruit gegooid wordt, betekent dan dat we breken met de macht van deze gewoonten. Christus stond onafhankelijk tegenover deze gewoonten. Hij liet zich er niet door dwingen. Die vrijheid gaf hij ook aan zijn volgelingen.

(7) Laten we nog éen keer doorvragen. Op zich is een gewoonte niet verkeerd, er zijn veel goede gewoontes. Wat is het dus in de menselijke natuur – in onze gewoontes – dat zo hardnekkig weerstand biedt tegen God en zijn gebod? Een belangrijk antwoord is al een paar keer opgedoken: vrees voor de dood? Wij mensen moeten allemaal sterven. Dat drijft ons ertoe zolang mogelijk aan dit lichamelijke leven vast te houden. Deze drang is in onze wereld heel dominant. Het regeert het leven van mensen, het regeert regeringen in hun maatregelen. Als we van hieruit naar onze tekst kijken en vragen: door wie en wanneer is de vrees voor de dood als eigenlijke baas in de wereld overwonnen?  Dan is het antwoord: door Jezus, toen hij stierf. En toen hij opstond, is de dood zelf overwonnen. En ieder die sterft zoals hij, deelt in deze overwinning.

 

In het Onze Vader bidden we: Verlos ons van het kwaad, of: Verlos ons van de boze. We hebben zeven mogelijke antwoorden gehoord op de vraag wat of wie de overste van deze wereld is die volgens het evangelie buitengeworpen is. Elk antwoord heeft een kern van waarheid, ze hangen onderling ook samen. En ze hebben éen ding gemeen: wat of wie in feite ook de baas is in de wereld, hij of het heeft alleen macht over ons mensen zolang wij hem die macht geven. Dit geven is lang niet altijd een kwestie van bewust kiezen, het is vaak een meegaan in gewoontes waarin we zijn meegegroeid. Het is daarom niet gemakkelijk ermee te breken. Maar kijk naar Jezus, kijk naar de vrijheid die hij toonde te midden van al de genoemde machten. Die vrijheid, die onafhankelijkheid wil hij ons schenken. Zijn geest wil in ons hart en hoofd komen, en onze handen en voeten leiden.

De grote vraag wordt dus: door wat of wie laten wij ons leven leiden? Wie is overste in onze wereld? Is dat éen van de zeven machten die ik noemde, of is het degene die deze machten als mens overwon, door te lijden, te sterven, en op te staan? De grote vraag wordt dan vroeg of laat ook: bij wat of wie vindt u rust als u moe gevochten bent in de strijd tegen deze machten? Leggen we ons neer bij het feit dat zij nog zoveel invloed in de wereld hebben? Of bij het feit dat Jezus hen overwonnen héeft en hij u wilt laten delen in zijn overwinning?

Als de beslissende strijd gewonnen is, is nog niet alle strijd voorbij. Jezus heeft overwonnen, heel veel mensen hebben in zijn voetspoor overwonnen, de machten van het kwade dat zich tegen God verzet zijn door hen gebroken, maar deze machten zijn nog niet weg uit de wereld. Zoekend naar een vergelijking van de situatie na Christus moet ik opnieuw aan David denken, David die al door Samuel tot koning gezalfd was, maar nog niet op de troon in Jeruzalem kon gaan zitten. De zittende koning heeft hem nog lange tijd vervolgd, en toen David eindelijk de troon besteeg had hij nog heel wat vijanden rondom. Pas aan het eind van zijn regering kwam er helemaal rust.

Ook als we vóor alles Christus willen volgen, zijn de wereld of satan of de zonde of de dood of onze oude gewoonten vaak nog een krachtige invloed in ons leven, en als we op een gegeven moment de innerlijke strijd in principe gewonnen hebben, zal die strijd voortgezet moet worden met dezelfde invloed uit onze omgeving, met mensen en instellingen die er nog door beheerst worden. Maar de nieuwe koning is gezalfd. Zijn koninkrijk is aangebroken. En wat God zijn zegen geeft in leven en in sterven, zal de aarde beërven.

 

 

Liturgie

Orgelspel

Groet: De Heer zij met u!

Ook met u zij de Heer!

Bemoediging: Onze hulp is in de Naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft

Genadeverkondiging

Zingen: Psalm 24: 2,5

Gebed

loflied: Psalm 105: 1,5

Lezing: Joh 12: 20 t/m 32 (NBG)

Zingen: Psalm 33: 6,7

Uitleg en verkondiging

Orgelspel

Zingen: Psalm 89: 6,7

Bloemengroet

Dankgebed en voorbeden, telkens besloten met: Zo bidden wij U allen tezamen:

                              Heer, ontferm U (gesproken)

Stil gebed, Onze Vader

Collecte

Zingen: Psalm 145:4,6

Wegzending & zegen

Zingen: Amen

Orgelspel

Gebed

God, we zijn er in het Westen mee begonnen: ons lot in eigen hand nemen, de natuur en het leven door wetenschap en techniek beheersbaar maken, onszelf ontwikkelen, onze samenleving welvarender maken, en dat niet langer onder het toeziend oog van God en godsdienst. En nu is de techniek een eigen macht geworden die ons boven het hoofd gegroeid is, de natuur is ontregeld geraakt, en wijzelf en onze regeringen zijn te verdeeld om de problemen snel en grondig genoeg aan te pakken. Wat of wie beheerst de gang van zaken in onze wereld? Is dat opnieuw de natuur met haar grillen, haar droogtes en stortvloeden? Of zijn het de wetenschap en de techniek die steeds meer produceren en onze economie ook na een pandemie gewoon weer voortdrijven in het maken van zoveel dingen die we eigenlijk niet nodig hebben? God, wie is de baas in de wereld van vandaag? Zie onze nood, gelovig of ongelovig we hebben er allemaal mee te maken. Help ons erover na te denken, help ons er iets aan te doen. Zo bidden wij U allen tezamen…

Help ons ook in onze kleine wereld, in ons persoonlijke leven van elke dag. Wat of wie is daar de baas? Zijn we vooral bang om besmet te worden en ziek te worden of erger? Hangen ook wij vooral aan het fysieke leven? –Misschien voelen we ons oud of moe, maar we zijn niet machteloos, U Heer, wilt naast ons staan om met ons te leiden, te dragen. Kom met uw Geest in onze kleine en grote wereld, dat vragen we U in Jezus’ naam…

 

—————————————————————————————–

 

7 Koninklijke mensen

Paulus is niet makkelijk, dat weten we allemaal. Paulus is het beste te begrijpen als we hem tegen de achtergrond van het Oude Testament lezen. De levenservaring waarmee Paulus geworsteld heeft is een ervaring van het oude Israël, en de wijze waarop hij er uitgekomen is, dankzij Jezus Christus en de Heilige Geest, was aangekondigd bij Israëls grote profeten. Zoals Ezechiël.

Ezechiël leefde in ballingschap, nadat Jeruzalem veroverd was. Hij is éen van de Israëlieten die psalm 137 kon zingen: ‘Aan de stromen van Babel zaten wij neer en huilden / wanneer wij dachten aan Sion’. Het verlies van de plaats waar zij God konden eren – de tempel in Jeruzalem, in het land dat Hij zijn volk gegeven had – maakte Ezechiël en de zijnen verdrietig, maar niet depressief. Ze voelden vooral berouw. Spijt opent hart en ogen. Hoe heeft het zover kunnen komen? Wat is er met ons misgegaan? Wij waren toch het volk van God?

Ezechiël en de zijnen gingen beseffen: wat er met Israël vooral is misgegaan, in een langer proces, is het in ere houden van de Thora. ‘Thora’ kun je in enge zin opvatten als het geheel van regels uit de eerste boeken van het Oude Testament; ‘Thora’ kun je ook breder opvatten: als de wil van God voor het hele leven, ook samenleven van mensen. Het geheel van leefregels waardoor mensen goed leven, persoonlijk en met elkaar. Ezechiël ziet dat zijn volk geleidelijk steeds meer zeden en gewoonten van de volken rondom overgenomen heeft, omgangsregels en gebruiken waar God niet blij mee is, en waardoor Hij zijn volk al minder kon steunen in de manier waarop het leefde. God waarschuwde hiervoor, honderdvijftig jaar lang heeft Hij allerlei profeten gestuurd die lieten zien welke leefregels door Israël verwaarloosd werden. Maar het had niet geholpen.

Ezechiël wijst op een effect van deze langdurige profetische kritiek bij gewetensvolle Israëlieten. Met hun verstand gaven zij de kritiek gelijk: Wij moeten de geboden van God blijven onderhouden. In hun handelen bleven ze dat vaak ook doen. Maar hun ziel lag er niet in. Andere Israëlieten waren afgehaakt. Die zeiden: Als het niet van harte gaat, dan maar niet. Zij waren meer of minder ‘heidens’ geworden: als de mensen buiten Israël, die zonder Thora leven. Maar de gewetensvolle Israëlieten bleven trouw aan wat God hen in de Thora voorgehouden had – al ging dat niet van harte.

Als dit effect ontstaan is, wat doet God dan? Zegt Hij: De Thora was misschien ook wat te streng, Ik heb te veel van jullie gevraagd? Nee, volgens Ezechiël zegt God: Er komt een tijd dat Ik mijn Geest in jullie binnenste zal geven, zodat jullie mijn leefregels weer met hart en ziel gaan doen. God neemt de Thora dus niet terug, Hij doet geen water bij de wijn, maar belooft extra hulp om de wijn van het Koninkrijk te blijven schenken. Hij belooft zijn Heilige Geest.

 

Nu Paulus. Vlak voor de tekst die we zojuist hoorden, heeft hij uitvoerig van een ervaring verteld die veel lijkt op die van gewetensvolle Israëlieten in de tijd van Ezechiël. –Ik probeerde te doen wat God van mij vraagt, vertelt Paulus, ik wilde in alles wat ik deed het goede doen, mij houden aan Gods leefregels, zoals ook onze voorouders dat beloofd hebben. Maar er was een deel van mij dat zich verzette, dat andere dingen wilde. Ik werd een verdeeld mens. Ik probeerde er uit te komen doordat mijn betere ik zijn wil oplegde aan mijn rebelse ik. Maar dat maakte de verdeeldheid nog scherper. Hoe komt het toch, vroeg ik mij vertwijfeld af, dat ik niet met mijn hele wil wil wat God van mij wil?

Deze tweestrijd is niet de schuld van de wet, concludeert Paulus. De wet kan alleen laten zien wat ik moet doen, en dat het niet goed is als ik in sommige dingen wel doe wat goed is en in andere niet. Dit laatste klinkt misschien vreselijk veeleisend, maar is eigenlijk alleen maar eerlijk en integer, dat wil ik zelf ook niet, ik wil helemaal goed doen, niet half-half. Maar ik kan het niet, of althans ik doe het niet, er is teveel dat dit saboteert, ik kies steeds toch voor iets. En de wet kan dit niet verhinderen. De wet kan mijn verdeelde hart niet helen. Zo blijf ik in mijn onmacht gevangen. En dat betekent ook: gevangen in een veroordeling, want niet alleen mijn geweten, mijn betere ik, ook God wil dat ik goed doe, helemaal goed doe. En God doet geen water bij de wijn van het Koninkrijk.

Worstelend met deze tweestrijd vroeg Paulus door. Maar wat of wie is dan de schuld van mijn onvermogen en onwil om met heel mijn ziel en verstand en kracht te doen wat God wil? –Onze Bijbelvertaling (NBV) zegt: de menselijke natuur. Paulus noemt het ‘vlees’. ‘Vlees’ is niet onze natuur zoals God die schept, maar onze natuur zoals die in de loop van onze persoonlijke en gemeenschappelijk geschiedenis gevormd is geraakt. Vlees, dat is ons denken, willen en handelen zoals het bepaald wordt door allerlei beperkingen en gewoontes, die door een langere geschiedenis zo met ons bestaan vergroeien dat we ze gewoon of zelfs natuurlijk gaan vinden.

Een ingrijpende menselijke beperking is dat we allemaal moeten sterven. Wat doen we al niet vanuit de zorg om in leven te blijven? Is dat niet vaak onze belangrijkste zorg? En veel gewoonten in ons leven zijn gevormd buiten de omgang met God om, vanuit de wereld waarin we leven, de mensen met wie we omgaan. Met de Thora heeft God Israël goede gewoontes willen leren. Maar wat als die wegslijten, of als zij nooit geleerd zijn? Dan stuit de oproep om de wet te vervullen op allerlei weerstand.

 

Maar God zij geprezen – zo begint onze schriftlezing –: er is een weg uit deze veroordeling waarin we gevangen zitten! God heeft gedaan wat Hij bij Ezechiël heeft beloofd. Hij heeft ons verlost. Verlost niet van de wet, maar van ons niet kunnen en willen vervullen van de wet. Verlost van de vloek van de wet, de veroordeling die aan dit onvermogen en deze onwil verbonden is en die wij zelf maar niet kunnen wegnemen. En verlost van de opgelegde wet, het goede dat we onszelf moeten opleggen als we het toch willen doen zolang we het niet van harte doen.

Hoe heeft God ons verlost van de tweestrijd die Ezechiël aanwijst? Hoe is de profetie vervuld? Door twee dingen, zegt Paulus. Allereerst doordat God zijn Zoon zond ‘in de gelijkheid van het vlees’. Dat betekent: God heeft een mens gezonden om te leven in dezelfde omstandigheden als wij. Ook Jezus kreeg te maken met pijnlijke beperkingen en met allerlei gewoontes die maar zeer ten dele overeenkomen met Gods wil, ook onder gelovige mensen. Hij groeide op en trad op te midden van mensen als wij. Maar in deze omstandigheden heeft hij niet gezondigd. Integendeel, heeft hij niets dan goed gedaan, tot in zijn lijden en sterven. Jezus heeft laten zien dat het kan, in deze condities: Gods wil doen, de wet vervullen, helemaal goed leven.

Dat dit kan heeft God dus niet laten zien door vanuit de hemel een boek te geven. Ook niet door vanuit de hemel alleen zijn wil op aarde bekend te maken. God heeft het ook niet laten zien door het optreden van een supermens. Hij heeft het laten zien door iemand te zenden ‘in de gelijkheid van ons vlees’. Precies dat heeft de veroordeling door de wet weggenomen. Want de wet zegt: Zie je wel, jullie mensen schieten allemaal te kort. Buiten en binnen de kerk, ongelovig en gelovig – Paulus zegt: heiden en jood: wie God en gebod wat makkelijk neemt of zelfs aan zijn laars lapt én wie God en gebod heel serieus neemt –, we schieten allemaal tekort. Nee, toch niet allemaal: daar is Jezus.

Nu het tweede dat God gedaan heeft om ons mensen te verlossen van de tweestrijd waarover Ezechiël en Paulus vertellen. God heeft niet alleen Jezus gezonden, maar ook zijn Geest. De Geest die Jezus op zijn hele weg begeleid heeft. Die hem bv na zijn doop de woestijn in voerde om verzocht te worden. God doet geen water bij de wijn, Hij wil wel water in wijn veranderen. Aan ieder die gelooft in Jezus, ieder die gelooft dat helemaal leven zoals God het wil mogelijk is omdat Jezus het volbracht heeft, geeft God de geest van Jezus, ‘opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist’. Zo zegt Paulus het: opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Dat is wat Ezechiël aankondigde.

Wie zo de wet vervult, dankzij de Geest die in Christus Jezus leven brengt, zegt Paulus, is bevrijd van zonde en dood. Dat is nogal wat! Dankzij de Geest van koning Jezus die zonde en dood heeft overwonnen, worden wij koninklijke mensen die zonde en dood overwinnen. Waardig is het lam – lof zij de Geest die ons het lam waardig maakt. Zo worden ook wij mensen die meer niet zondigen, zelfs niet in moeilijke omstandigheden, en die niet meer voor alles de dood willen voorkomen. Nu geldt dat niet alleen weten wat het goede is, en dat eigenlijk ook wel willen, maar dat we dat nu ook van harte doen. Zo geven jullie Mij weer een goede naam onder andere mensen, zegt God bij Ezechiël. Want dan doen jullie wat goed is om te doen, doen jullie dat helemaal, en doen jullie het graag.

Dan is nog niet alle tweestrijd voorbij. Er is nog weerstand in ons leven. Gewoontes in denken en doen zijn niet van de ene op de andere dag aangeleerd en daarom ook niet van de ene op de andere dag afgeleerd. Bij sommige duurde het aanleren anderhalve eeuw of langer. En ook de dood is niet weg, we willen die nog altijd graag vermijden. Maar niet ten koste van alles, we kunnen belangrijker dingen soms voor laten gaan. Het gevecht met onszelf waarover Paulus vertelde is dus nog niet voorbij, maar de wanhoop en de woede, én de verslapping, het gemakkelijk worden, die zijn voorbij. De heling van onze verdeelde wil is begonnen. We hebben gekozen, met heel ons hart. Nu is er alle hoop dat dit hart eens zo groot zal zijn als ons hele leven.

[Het plaatje is te vinden op https://www.samueladvies.nl/werkje/ot-121-zalving-david

Van de koninklijke mens geef ik u graag een plaatje mee. Natuurlijk was de jonge David bang van de leeuw [zie linksonder]. Een leeuw is levensgevaarlijk, zeker voor een herdersjongen met niet meer dan een stok. David was liever weggelopen. Maar de wil om dat lammetje te beschermen was toch sterker dan de vrees voor de leeuw. De drang om het eigen leven te behouden moest even op de tweede plaats. Wat David zo leerde in het veld bij Bethlehem heeft hij later in de veldslag tegen de Filistijnen gebruikt, toen hij tegenover een reus kwam te staan die Israël en Israëls God bespotte.

Wat is een koninklijk mens? David heeft zich als jongen laten zalven door Samuel, die dat in opdracht van God zelf deed [zie boven]. ‘En vanaf die dag was de geest van de Heer vaardig over David’, zo staat er in de boeken van Samuel (1 Sam 16:13). De jonge koning had nog een lange weg voor zich voor hij de troon kon bestijgen die hij gekregen had. Ondertussen maakte hij psalmen, liederen over God die hem van al zijn vijanden redde, ook van de oude koning Saul die zijn troon niet aan David wilde geven [zie rechtsonder]. Toen David eindelijk die troon besteeg, in Jeruzalem, wilde hij naast zijn paleis een tempel met de ark van het verbond – u weet wel, de ark waarin Israël de twee tafelen van de Thora had meegedragen op de tocht door de woestijn [zie de grote kist onder, met de draagstokken]. God die heilig is aanwezig bij zijn volk, het volk dat Gods aanwezigheid eert door te doen wat Hij wil: dit gaat voor alles, vond David. Een koning doet voor alles recht aan God en aan mensen.

En wat deed David toen hij zelf als koning hierin faalde? Ja, hij heeft eens zelf een lam verslonden, en kreeg toen de profeet op bezoek. David ging toen op zijn knieën [vgl. rechtsbovenJ]. Hij toonde eenzelfde berouw als Ezechiël en zijn mede-Israëlieten in ballingschap voelden. Ook daarover maakte hij psalmen, we hebben er éen gezongen (psalm 51). Hij bleef leven vanuit de overtuiging die hij op zijn sterfbed nog een keer uitsprak: ‘Wie de mensen rechtvaardig leidt, wie regeert in ontzag voor God, is als het licht van de morgen, als de rijzende zon die het groen van de aarde doet glanzen (2Sam 23:1-7). Wie uit deze overtuiging leeft, van kind tot stervende, ook al is het met vallen en opstaan – met oprechte spijt en intense dankbaarheid – die is een koninklijk mens.

 

LITURGIE

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                           allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 706: 1,3

Groet:  V: De Heer zij met u,

G: Ook met u zij de Heer.            daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Lied: 680: 4,5 (=Gebed bij de opening van de Bijbel)

Eerste Bijbellezing: Ezechiël 36: 22 t/m 27

Lied: 51:5

Tweede Bijbellezing: Romeinen 8: 1 t/m 4

Lied: 670: 1,4

Uitleg en verkondiging

Lied: 675

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader

Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 686                              allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Drempelgebed

God, toen koning David koning werd

wilde hij eerst een huis voor U, en dan pas een eigen huis,

want toen hij nog een vluchteling was, bent U al

zijn toevlucht geweest.

 

David schreef: Heer, U bent mijn verlosser, mijn schild.

Toen ik in mijn nood tot u riep, hebt U mij gehoord,

U Heer hebt mijn vertrouwen niet beschaamd,

U hebt mij staande gehouden.’                                                     (2Sam 22:1vv)

 

God, wij zijn in uw huis en zoeken uw steun.

Geef dat we in Davids ervaring mogen delen,

dat zijn lied de onze mag worden, dit uur

en de komende dagen, amen.

 

Inleidende woorden

U allen hier en thuis van harte welkom in deze dienst. De afgelopen keren dat ik voorging, vanaf Palmpasen, stond het koningschap van Christus centraal. Jezus heeft al zijn vijanden overwonnen. Dat maakt hem het hoogste leiderschap ten volle waardig. Vorige keer zei ik: de vijanden die Christus overwon zijn niet mensen, maar zonde en dood. Mensen zijn alleen in problemen voor zover ze vasthouden aan zonde en bovenal vrezen voor de dood. Vandaag komt het vervolg, want dankzij de Geest van Christus worden wij vrij van zonde en dood. Zo zegt Paulus het. In het voetspoor van koning Jezus, vertrouwend op wat hij gedaan heeft, kunnen wij uitgroeien tot koninklijke mensen.

We steken opnieuw de coronakaarsen aan, misschien voor de laatste keer, nu bijna alle coronamaatregelen opgeheven worden. Voor hen die in het afgelopen anderhalve jaar getroffen zijn door het virus, misschien overleden zijn of als nabestaanden veel verdriet hebben; en voor hen die allerlei andere gevolgen van de pandemie ervaren hebben, zoals het verlies van werk of bedrijf, of het sociale isolement dat niet alleen voor onze ouderen, maar nog meer voor onze jongeren heel lang duurde.

We steken ook de kinderkaars aan. Al is er in deze dienst geen apart moment voor kinderen – we denken wel aan jullie. Mocht je kijken, aan het eind van de preek komt er iets dat ook voor jullie is, dan vertel ik iets bij een plaatje dat voor volwassenen én kinderen is.

 

Gebed om de nood van de wereld

God, we bidden U opnieuw voor een nood van de wereld die ook een nood van de kerk is. Het speelt buiten de kerk anders, maar niet minder dan binnen de kerk. Wij mensen willen graag goed doen. We zijn pas helemaal gelukkig als alles wat we doen helemaal goed is. Heer, zie hoe wij hier allemaal mee worstelen. Want vaak doen we het toch niet, of we doen het in sommige opzichten wel en in andere niet. En dan horen we ons geweten, dan horen we de stem van zelfveroordeling.

Heer, we bidden U voor allen die de stem van het geweten heel sterk horen. Die worstelen met zelfveroordeling omdat ze zien dat ze zoveel niet doen zoals het eigenlijk zou moeten. We denken vooral aan de oudere generaties, die nog streng zijn opgevoed, die vooral hoorden wat ze verkeerd deden omdat mensen allemaal zondaars zijn en blijven. We bidden U ook voor hen die zichzelf van de zelfveroordeling bevrijd hebben, maar van de regen in de drup kwamen. Het leven is voor hen vrijer, comfortabeler geworden, maar werd het ook een beter leven? En we bidden U voor jongere generaties die in het vrij zijn van oude leefregels opgroeiden en deze ook niet meer in hun geweten horen.

Wees met ons allen, God, U die ons goed geschapen hebt en wilt dat wij goed leven, goed denken, goed handelen. in Jezus’ naam, amen.

 

Gebeden

Diaken

Vandaag is het wereldvluchtelingendag. We bidden U voor vluchtelingen op zoveel plaatsen in de wereld. We denken vooral aan vluchtelingen aan de grenzen van ons eigen werelddeel, in Griekenland, aan de grens met Turkije en op de Griekse eilanden. God, wees met allen die tussen wal en schip zitten, die niet verder kunnen en niet terug. Wees met allen die de macht hebben om grenzen te sluiten of daarover mee te beslissen, de macht om mensen buiten te sluiten. En weest U nog het meest in de landen van herkomst waar omstandigheden zoveel aanleiding geven om te vluchten. Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Dank U, God, dat U ons leefregels gegeven hebt, ook als ze gegeven werden voor situaties die we zo niet meer kennen. We danken U bovenal voor Jezus, dat hij heeft laten zien hoe een mens helemaal goed leeft in allerlei situaties, van geboorte tot dood. Meer dan wie ook geeft hij ons verlangen naar goed leven een hart onder de riem. En we danken U dat, als het ons niet lukt om dit verlangen te vervullen, of minder dan we wilden, we op hem, onze Heer mogen terugvallen. Dat als wij in gewetensnood komen, hij tot ons zegt: Wees niet benauwd, alles komt goed, jij mag mijn leven als het jouwe beschouwen, ik heb het voor jou geleefd. Dank U wel, God, dat als wij onszelf moeten veroordelen omdat we echt iets verkeerd deden, zijn geest in ons voor ons bidt tot U, onze Vader. Zo danken wij allen tezamen…

Wij danken U dat we met David mogen meebidden, meezingen: De Heer is mijn herder, Hij nodigt mij aan tafel / voor het oog van de vijand, / Hij zalft mijn hoofd met olie, / mijn beker vloeit over. Verblijven mag ik in het huis van de Heer, voor altijd.

Ieder van ons staat op een eigen manier in de tweestrijd van goeddoen, ieder heeft zijn eigen manieren om ermee om te gaan. Hoor in de stilte wat we alleen zelf tot U kunnen zeggen. {…}

Onze Vader

 

—————————————————————————————————-

 

6 De kroon op alle feesten

Kort na Pinksteren is een goed moment om terug te kijken op de grote christelijke feesten die we dit jaar weer gevierd hebben. Pinksteren is het laatste grote feest, het eerstvolgende komt pas over meer dan een half jaar. Om iets over Pinksteren te zeggen doe ik eerst éen stapje terug, naar het feest vlak voor Pinksteren. Wat vierden we met Hemelvaart?

Het kortste antwoord dat ik ken staat in onze Geloofsbelijdenis. Met Hemelvaart vieren we, dat Jezus ‘zit aan de rechterhand van God’. Dat is Bijbelse beeldtaal, in taal van onze tijd zou je het kunnen omschrijven met: Jezus is Gods CEO (Company’s Executive Officer), de uitvoerend directeur. Hij is niet de baas of eigenaar, maar neemt wel alle beslissingen.

Jezus heeft alle macht in de hemel en op aarde gekregen. Zo wordt het gezegd door Matteus, in de bekende tekst over Jezus’ hemelvaart. Wij leven tweeduizend jaar later, we zitten met grote vragen. Ook op de aarde? Heeft Jezus ook alle macht op aarde, al die tijd al? Buiten de kerk, maar ook binnen de kerk zeggen mensen, dat daar vaak weinig van te zien was. Of kijken we dan verkeerd? Hebben we misschien geen goed beeld van de macht van de Almachtige schepper van hemel en van aarde?

Om een antwoord op deze vraag te krijgen wil ik vanmorgen een andere vraag stellen. Wanneer heeft Jezus Gods macht gekregen? Wanneer kreeg Jezus zijn kroon? –Kijken we op de kalender van het kerkelijk jaar, dan zien we rechts van die rode streep met duifjes (dat is Pinksteren) een groepje mensen op weg gaan – dat zijn wij. We zijn op weg naar de kroon die helemaal rechtsonder ligt.

         Tijdens de preek was dit plaatje van het Kerkelijk jaar zichtbaar; u kunt het vinden op: https://www.bijbelin1000seconden.be/menu/tiki-index.php?page=Liturgisch+jaar

(1) Veel christenen zeggen: alle macht op aarde, die krijgt Jezus aan het eind van de tijd. Als alle vijanden overwonnen zijn, zoals Paulus en Openbaring zeggen. Dat gedenken we op de laatste zondag van het kerkelijke jaar. Dan vieren we Christus Koning. Dan begint zijn koninkrijk.

Dat is waar, maar wat dan begint is niet het koninkrijk, maar de tijd van blijvende rust en vrede in het koninkrijk. De tijd waarin iedereen in het rijk doet wat de koning wil. De koning is er dan al. –Zoals in het Oude Testament David al koning was toen hij nog niet op de troon in Jeruzalem zat en Israël van alle vijanden had bevrijd. David was al koning toen hij nog moest vluchten voor Saul die zijn troon – Davids troon – niet wilde afstaan.

(2) Komen we dan niet terug bij Hemelvaart? zult u zeggen. Is Hemelvaart toch het moment dat Jezus alle macht krijgt? Werd Jezus koning toen alle vijanden nog niet overwonnen waren? –Wel, in zijn leven zijn wel alle vijanden overwonnen. Laten we hier even bij stilstaan. Wie zijn de vijanden die door koning Jezus overwonnen moeten worden zodat er vrede in zijn rijk kan komen?

Volgens Paulus zijn dat zonde en dood. Gods vijanden zijn nooit mensen, maar zonde en dood, liever zeg ik nog: alleen zonde. Mensen zijn alleen in problemen zolang ze vasthouden aan zonden. Bekeer u, dan bent u safe – zo begint het Evangelie. De dood is de laatste vijand, zegt Paulus. Want voor iemand die niet zondigt wil God duurzaam leven. Dat kan alleen in een leven zonder dood.

(3) Maar die laatste vijand, die is met Pasen verslagen. Jezus is opgestaan, in zijn leven is de dood overwonnen! Veel christenen zeggen dan ook, dat Jezus met Pasen koning is geworden. Maria Magdalena en Tomas noemen Jezus vooral vanaf Pasen Heer, de naam voor God in het Oude Testament waarin zijn bijzondere macht en leiderschap over mensen is uitgedrukt. Jezus is Heer!

We zingen het ook, in een bekend paaslied: ‘Nu is hij der hemelen Heer’. Heer in de hemel – betekent dat: nog geen heer op aarde? Of daar alleen in het hart van gelovigen en nog niet in de rest van hun leven? Of alleen in de kerk, maar niet op het terrein van de staat, de politiek?

(4) Dat zit niet lekker. Op Pasen vieren we toch de overwinning die Jezus op Goede Vrijdag behaald heeft? Toen heeft hij als mens zonde en dood overwonnen. Toen heeft hij immers al zijn schuldenaars vergeven, zelfs degenen die hem kruisigden. Zo heeft hij de zonden van anderen overwonnen. En onder alle weerstand en tegenwerking is hij zelf niet gaan zondigen. Zelfs niet toen zij hem op een pijnlijke wijze doodden. Zo heeft hij de eigen verleiding tot zonde overwonnen. Zijn liefde voor mensen, zijn missie vanuit de gerechtigheid van God, was sterker dan zijn vrees voor de dood.

Dus ja, zonde en dood overwonnen – ‘waardig is het lam!’ zegt Openbaring, het geslachte lam zit nu op de troon. Jezus heeft zich aan het kruis ten volle koning betoond. Pilatus had gelijk, meer dan hij zelf wist en wilde: ‘Jezus van Nazareth koning van de joden’.

(5) Maar als Jezus op Goede Vrijdag zijn meest koninklijke daad deed, wanneer werd hij koning? Kreeg hij zijn kroon niet op Palmpasen, toen hij op een ezel Jeruzalem binnenreed en de mensen hem als de verwachte Davidszoon binnenhaalden?

Of was dat eigenlijk al op Epifanie, toen Jezus gedoopt werd door Johannes en gezalfd werd met de heilige Geest? De olie waarmee Israëls koningen gezalfd werden was eigenlijk symbool van de Geest van God, die hen speciaal toerustte voor hun taak (zie bv 1Sam 16:13). Begon Jezus’ publieke optreden niet met zijn doop? De discipelen zagen het toen al. ‘U bent de gezalfde’ (Messias), zei Petrus en Nathanaël zei: ‘U bent de koning van Israël’.

(6) Nu wordt een koning niet gekozen. Een koning wordt geboren. Je moet blauw bloed hebben. En dat werd in het geval van Jezus inderdaad erkend, zelfs door vriend en vijand. ‘Is hier een koningskind geboren?’ vroegen drie koningen bij de geboorte van Jezus toen zij in Jeruzalem aankwamen. Herodes vroeg dat ook: Is er een koningskind geboren? Kortom, vieren we niet op Kerst dat we op aarde een koning gekregen hebben? Moeten we de kroon niet bij de kribbe zoeken?

En Jezus is niet alleen op aarde geboren. Van het kerstkind zegt onze Geloofsbelijdenis: ‘Geboren uit de Vader, voor alle eeuwen’. Er is maar éen mens die niet alleen geschapen is, maar bovendien uit God geboren. Hij die is ‘vleesgeworden door de Heilige Geest, geboren uit Maria’.

(7) Dit brengt ons bij het laatste feest, het feest van de Heilige Geest. Al is dat nog een forse sprong, want Pinksteren lijkt nog het minst met het koningschap, de heerschappij van Jezus te maken te hebben. Hoewel, Paulus ziet een sterk verband. We hebben het gehoord.

Paulus gebruikt voor Jezus de eretitel christos, gezalfde, koning. Hij zegt: genade is aan ieder van ons gegeven In de mate waarin de koning gaven uitdeelt. Paulus citeert dan de psalm die we ook gezongen hebben. ‘Hij is opgestegen naar omhoog en schonk gaven aan de mensen’. Daar heb je Hemelvaart en Pinksteren, in éen adem.

 

De psalm gaat over God die koning wordt. ‘U die machtig aan ons gehandeld hebt, God, maak uw macht openbaar, uit uw tempel hoog boven Jeruzalem. Koningen zullen U schatting brengen.’ De psalm ziet God een weg op aarde afleggen, een weg die lijkt op die van David tot hij koning werd in Jeruzalem. Zo bestijgt God zijn troon in de hemel boven Jeruzalem. Het Nieuwe Testament zegt dat God deze weg gegaan is in Jezus. In Jezus is de gezalfde van God aangetreden, en hij deelt geschenken uit. Geschenken als tekens van zijn macht. Hij die opstijgt zendt zijn gaven neer, zegt de psalm, dat zijn gaven voor de natuur, zoals zonlicht en regen, en gaven voor mensen, zoals omzien naar de wees, de vrouw die haar man mist, de eenzame, gevangene.

Het kan niet toevallig zijn dat ongeveer diezelfde gaven terugkomen bij Paulus. De pinkstergaven van koning Jezus zijn onder meer de gave van missionaire gedrevenheid, van profetisch besef, van herderlijke zorg of de kunst om dingen uit te leggen – allemaal nodig, allemaal in dienst van het lichaam van de koning. Paulus zegt er nog bij dat je als christenen dankzij deze gaven laat zien wat het is om ten volle mens te zijn – niet in je eentje, maar met elkaar.

Als we nu terugkijken op de afgelegde weg door het kerkelijke jaar, zien we dat de kroon die aan het eind van de weg ligt, ook al aan het begin ligt. We zien dat Jezus, die vanaf het begin Heer is, Heer wordt. Misschien is het nog beter om te zeggen: dat hij zijn unieke manier van Heer-zijn toont vanaf het begin. De Heer toont zijn heerschappij langs de hele weg die het evangelie beschrijft. De enig-geborene van de Vader is als koningskind op aarde geboren en zo begon hij zijn heerschappij als kind, als leraar, als pastor, als profeet, en hij bekroonde het met zijn lijden en sterven. God betoont zich koning in het hele leven en sterven van Jezus. En dit koningschap krijgt met Pasen en Pinksteren voor alle tijden plaatsen geldigheid. Wat in éen leven helemaal lukte, kan nu in andere levens van kracht worden. Wat onder éen volk volbracht is, kan nu onder alle volken navolging vinden. Wat Jezus eens heeft gedaan, zal hij blijven doen, tot het einde der aarde.

 

Na Pinksteren komt er ook een ontnuchtering. Op de Tafels in onze kerken volgt na het rood al snel het groen, zoals na de bloesems de bladeren komen. Misschien hadden we na Pinksteren meer verwacht, voelen we ook teleurstelling. Laten we dan opnieuw onze tocht langs de feesten in herinnering brengen. De koning deelt zijn gaven uit, de bewijzen van zijn macht – maar is dat de macht die u hoopte? Misschien hoopte u vanaf Pasen en Pinksteren op een macht die eindelijk de weerstanden overwint die Jezus tijdens zijn aardse leven ondervond en die hem tenslotte aan het kruis brachten. Als we zo hopen, hopen we eigenlijk dat onze Heer na Pasen op een andere wijze zal overwinnen dan hij tijdens zijn leven en sterven gedaan heeft.

Wij mensen grijpen vaak naar andere machten die sneller resultaat laten zien, machten die voor alles de dood vrezen en zonden zoveel mogelijk laten zitten. Wie wapens gebruikt vertrouwt erop dat mensen voor alles de dood vrezen. Wie in een pandemie veiligheid boven alles heeft staan, doet eigenlijk hetzelfde. En wie van zonden wil verlossen, kan beter met zonden meewerken, want anders haal je je allerlei weerstand op de hals, dat heeft Jezus gemerkt. Wat is zonde eigenlijk? Hebben we als mensen niet allemaal onze zwakten?

Mensen hebben macht over mensen, in klein of groot verband, in het gezin en op school, in de kerk of in de maatschappij, in een klein landje of in een wereldstaat. De macht die mensen over mensen uitoefenen heeft alleen Gods steun in de mate waarin zij overeenkomt met de macht die Jezus tijdens zijn aardse leven toonde. Lijkt onze machtsuitoefening niet op die van Jezus, dan heeft ze niet Gods steun, ook al kunnen we daar heel lang mee doorgaan. Lijkt onze machtsuitoefening een beetje op die van Jezus, dan heeft ze een beetje steun van God. Die steun, dat is de Heilige Geest. Dat is de Geest die vanaf het begin in Jezus’ leven werkte, die hij tenslotte aan het kruis gaf en op Pasen en Pinksteren over zijn volgelingen blies.

Van voleinding terug naar Advent, van Advent vooruit naar Pinksteren en dan weer uitzien naar Voleinding – elk jaar vieren we de hele weg waarlangs onze koning komt. Elk jaar maken we die weg opnieuw mee, zodat hij dieper, verder in ons leven kan komen. In ons persoonlijk leven, de kleine kring thuis, en in de grotere kring van de gemeente, met allerlei kringen daaromheen. Elk jaar kunnen we de koninklijke weg inoefenen, van feest tot feest.

 

LITURGIE Zondag na Pinksteren

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                   allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 971: 1,3

Groet: V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.        daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Lied: 98: 1,3

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Efeziërs 4: 1 t/m 14a (t/m ‘meewaaien’)

Lied: 68: 6,7

Uitleg en verkondiging

Lied: 672:2,3

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader
Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 72:1,6               allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Drempelgebed (zondag Trinitatis)

Hoe wonderlijk bent U, God

onze Vader, Almachtige Schepper:

U oefent al uw macht uit door uw Zoon.

Hij doet uw wil op aarde zoals in de hemel.

En uw Geest steunt deze heerschappij

op alle plaatsen en alle tijden.

Wees ook hier dit uur,

beziel ons, God,

sterk ons die geloven

dat van U is het Koninkrijk

en de Kracht, en de Heerlijkheid,

amen.

 

Inleidende woorden

De grote christelijke feesten zijn als kralen aan de ketting van het kerkelijke jaar. Soms is het goed om even de hele ketting te bekijken. Welk snoer houdt de kralen bijeen en maakt hen tot een kostelijk sieraad? Vandaag is een goed moment om dit te doen, nu we het laatste grote christelijke feest gevierd hebben en voor de lange – langste – feestloze periode staan.

 

Gebed voor de nood van de wereld

God, we bidden U in elke dienst voor de nood van de wereld – mogen we vandaag voor onszelf bidden. Is de nood van de kerk niet ook de nood van de wereld? De wereld lijkt de kerk niet nodig te hebben. Ook niet in tijden van nood, zoals de coronacrisis. Maar is dat werkelijk zo? Als veel gemeentes worstelen om mensen te vinden die zich inzetten voor uw koninkrijk, heeft dat een weerslag op de samenleving. En is het ook al een weerspiegeling van een nood in de samenleving. We denken in het bijzonder aan de jeugd. De verlegenheid met jongeren in de kerk is niet minder groot dan de verlegenheid met jongeren in de samenleving. Wees met hen die geen toekomst vinden in de maatschappij, wees met hen die geen toekomst vinden in de kerken. Sommigen zijn onze eigen kinderen of kleinkinderen. –God, we bidden U voor uw kerk en voor uw wereld, ze zijn meer op elkaar aangewezen dan ze zelf denken. Geef dat we ons als gemeente inzetten voor de samenleving, want van haar welzijn hangt de onze af. En van ons welzijn hangt haar welzijn af, geef dat de samenleving ook tot zegen is voor de kerk. Dat vragen we U in naam van onze Heer Jezus Christus,

 

Gebed bij de opening van de Bijbel

In onze traditie is wel gezegd, de kerk is de gemeenschap van mensen die leeft met de Bijbel. De gemeenschap die gelooft dat de Bijbel haar verhaal is, het verhaal van haar leven, in verleden, heden en toekomst, van de eerste mens tot de laatste. God, geef dat we zo mogen lezen en luisteren.

 

Na de preek

Het is jammer dat lied 530 wat melodie betreft nog onbekend is. Het zou mooi passen na de preek, het is een berijming van de woorden die Jezus uitspreekt aan het begin van zijn publieke optreden in Nazareth. Hij citeert dan Israëls bekendste profeet, Jesaja: ‘De Geest van de Heer is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft, gezonden om armen het evangelie te brengen, gevangenen vrijlating, blinden het gezicht.’ Hier horen we opnieuw de gaven die in Psalm 68 genoemd worden en bij Paulus terugkomen, maar nu uit de mond van de Heer zelf. Hier spreekt de gezalfde zelf die komt met gaven.

 

We gedenken

Tot ons verdriet moeten wij u berichten dat zondagmorgen, op de eerste Pinksterdag, is overleden Dick Bakker. Hij woonde op de Bijenmeent 17 en werd 80 jaar. Zijn gezondheid nam de laatste jaren steeds verder af. De laatste drie weken werd hij verzorgd in verpleeghuis St. Joseph in Hilversum.

Dick werd geboren in Amsterdam in wat toen een ‘gemengd huwelijk’ heette. Hij werd katholiek gedoopt en deed belijdenis in de gereformeerde kerk. Werk vond hij in de postkamer van de Partij van de Arbeid. Met allerlei cursussen bij de vakbeweging en de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers, centrum van het religieuze socialisme van die tijd ontwikkelde hij een levenshouding die zowel door het christendom als het socialisme werd bepaald in een leven van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Samen met zijn vrouw Lucie was Dick naast de protestantse gemeente Bussum ook betrokken bij de Oecumenische Streekgemeente in Kortenhoef. Dick zocht bovendien verdieping bij de Majellakapel van Vrijzinnigen Naarden-Bussum. De voorganger daarvn, ds. Peter Korver, leidde afgelopen vrijdag een Viering van zijn leven hier in de Wilhelminakerk.

Wij leven mee met Lucie en met hun zoon Chrispijn. Moge hij geborgen zijn in Gods eeuwig licht. Ds. Peter Korver

 

Gebeden

Diaken

God, U hebt zoveel gaven te geven, maar lijken er weinig mensen die ze kunnen of willen ontvangen. Hoe moeilijk blijk het om elkaar hiertoe op te wekken. Wek ons zelf op tot dienst aan U en elkaar, wees met uw Geest in ons midden, wij zijn uw gemeente, zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

God, als onder ons iemand opklimt tot leider van een groep of volk, krijgt hij of zij de macht, de middelen om veel meer goed te doen dan zonder die positie mogelijk is. –Macht die ook misbruikt kan worden. –Wij bidden U voor hen die macht gekregen hebben, in het klein of in het groot. Geef dat zij mogen lijken op Jezus, die aan uw rechterhand geen andere dingen doet dan hij deed op aarde. Die uw wil vanuit de hemel doet zoals hij die op aarde deed.

Zo bidden wij U allen tezamen…

Dank U voor Pinksteren, God! We hebben een koning die geschenken geeft, de beste persoon die we op die plek kunnen wensen. Wees met hen die hier weinig van ervaren zonder daar persoonlijk veel aan te kunnen doen. Wees met alle getroffenen, in het groot en in het klein. Hen barmhartigheid bewijzen is toch niets anders dan gerechtigheid doen? Heer, wees met hen die rouwen, missen, vrezen.

Stil gebed

Onze Vader

 

———————————————

 

5 Menselijke heerschappij   (zondag na Hemelvaart)

Als we denken aan een Bijbelverhaal bij Hemelvaart, dan al gauw aan de bekende tekst uit Handelingen, die vertelt dat de discipelen Jezus zien opstijgen ‘op de wolken van de hemel’. Minder bekend is dat Handelingen deze uitdrukking overneemt uit het Oude Testament. In een visioen ziet Daniel hoe iemand die lijkt op een mens op de wolken naar de troon van God gaat, waar hij de macht over alle volken op aarde krijgt. Laten we Daniel van dichterbij bekijken, om beter te begrijpen wat er met hemelvaart eigenlijk gebeurd is, en wat we in deze tijd van het kerkelijk jaar mogen vieren.

Daniel is een jood die als jongeman uit Jeruzalem gedeporteerd is door de koning van Babel. Aan het hof maakt hij indruk door zijn kwaliteiten en krijgt hij een hoge positie. Hij lijkt een beetje op Jozef, met zijn carrière in Egypte. Daniel maakt achtereenvolgens drie koningen mee, want Babel wordt na een aantal jaren door de Meden veroverd en nog iets later door de Perzen. Zo komt Daniels leven te staan tussen begin en einde van de ballingschap waarin het volk Israël terecht kwam. De eerste koning, Nebukadnezar, verwoestte Jeruzalem en deporteerde de Israëlieten; de derde koning, Cyrus (of Kores) gaf de Israëlieten zeventig jaar later toestemming om naar hun land terug te keren. Al die tijd woonden zij buiten het beloofde land. Naar het einde toe wordt het steeds meer de vraag, of het leven in ballingschap eigenlijk wel onder Cyrus eindigt. Zullen er niet nieuwe koningen komen die het beloofde land zullen bezetten en het volk knechten? En zullen wel alle Israëlieten terugkeren als ze kunnen? Hoe kwalijk is het als ze blijven onder de andere volken? Ze hebben daar al zo lang geleefd.

In elke fase van zijn lange leven aan het hof krijgt Daniel visioenen. Hij, de droomuitlegger van de koning van Babel, krijgt zelf ook dromen – die op hun beurt door ‘iemand’ in de droom zelf worden uitgelegd. Een deel van de eerste eigen droom van Daniel hebben we gehoord. Hij ziet vier grote dieren na elkaar uit de zee opkomen en elkaar verslinden. De uitleg is: dat zijn vier rijken, die na elkaar in de wereld zullen heersen. In Daniels eigen tijd zijn daarin de Assyriërs herkenbaar die door de Babyloniërs overwonnen werden, die op hun beurt door de Meden overwonnen werden, die op hun beurt door de Perzen overwonnen werden. Later werden de perzen door de Grieken overwonnen (u weet wel, Alexander de Grote), een rijk dat uiteenviel in hellenistische dictaturen, die tenslotte door het ijzeren rijk van de romeinen opgeslokt werden. We zouden dit politieke eten en gegeten worden kunnen voortzetten, want uit het laatste, vierde beest komen nieuwe beesten voort. Er groeien tien horens op zijn kop, dan nog éen die drie andere horens verdringt. Koninkrijken volgen elkaar op, verdringen elkaar. Alle rijken wordt een tijdlang de macht gegeven, maar dan is het ook voorbij.

Het meest interessante is nu dat er nóg een rijk wordt aangekondigd. Dat vijfde rijk komt nadat er een internationaal gerechtshof is geïnstalleerd. Er worden tronen neergezet, op éen van hen zit ‘de Oude van dagen’ (of ‘oude wijze’, zoals onze Bijbelvertaling zegt), een aanduiding voor God. Voor wie de andere troon of tronen bestemd zijn, blijft nog even open. Wel is al helder dat zeer, zeer veel mensen rond de tronen staan en God dienen. ‘Toen zag ik met de wolken des hemels iemand aankomen die op een mens leek, en hij werd voor de oude van de dagen geplaatst, en hem werd alle macht gegeven; alle volken, stammen en talen brachten hem hulde’. Van deze heerser en zijn rijk worden opvallende dingen gezegd.

Allereerst valt op, dat deze menselijke heerser en zijn volk niet zullen vergaan. Anders dan alle andere rijken zal hun rijk blijven. Dat is des te opmerkelijker omdat hun rijk gelijktijdig met hen is, in elk geval met het vierde rijk. Daniel ziet dat uit het vierde rijk steeds weer volgende rijken voortkomen, waarvan er tenslotte éen is die de heiligen gaat vervolgen. Maar dat is niet hun einde, want daarna krijgen ze openlijk de heerschappij op aarde.

Verder is opvallend dat bij de heiligen heerser en onderdanen met elkaar regeren. Hij die lijkt op een mens en zij die ‘de heiligen van de Allerhoogste’ worden genoemd. Het valt op dat wat later in Daniels visioen alleen het volk genoemd: ‘Het koningschap zal gegeven worden aan het volk van de heiligen van de hoogste God. Zijn koningschap is een eeuwig koningschap’. Kennelijk is degene die eruit ziet als een mens en op de troon naast God zit, zozeer éen van hen, dat hij als leider ook hun broeder is. Ze vormen éen lichaam. Sterker nog, God zelf oefent zijn heerschappij uit via hen.

Opvallend is ook, dat niet gezegd wordt, dat deze heiligen bestaan uit joden. Zij komen uit alle volken, stammen en talen. Dat moet voor Daniel, een jood in ballingschap die opgegroeid was in Israël als Gods volk, een uiterst verrassend gegeven zijn. Hoewel, hij heeft zijn hele leven tussen niet-joden geleefd en met en voor hen gewerkt. Velen van hen ziet hij terug in het volk van heiligen. Het is goed ons te realiseren dat we met dit visioen nog in de oudtestamentische tijd zijn.

Een laatste kenmerk van dat vijfde rijk: anders dan de andere rijken komt het niet uit de zee of uit de aarde op. Het wordt een volk van ‘heiligen’ genoemd, wat in het Oude Testament betekent dit dat zij, net als Israël indertijd, door God apart genomen zijn uit alle volken, weggeroepen, net als Abraham. Daniël, levend onder perzen, blijft trouw aan de Heer en zijn geboden, hij bidt bv driemaal per dag met het gezicht naar Jeruzalem. Wat maakt het volk van heiligen anders dan andere volken of rijken? Van de andere wordt gezegd dat zij lijken op éen van die beesten die uit de zee opkomen; alleen van het ‘heilige volk’ lijkt op een mens. En dat volk krijgt de heerschappij over de andere volken.

Dit moet een toespeling op Genesis zijn: de mens krijgt, als beeld van God, de heerschappij over de dieren (Gen 1:26). Of op Psalm 8, die we gezongen hebben: U God hebt de mens de heerschappij over de hele schepping gegeven. Dit wordt in Daniel nu zo doorgetrokken: zij die leven zoals de mens bedoeld is krijgen de heerschappij over hen die de menselijkheid omlaag halen. En die heerschappij krijgen ze door te midden van de anderen te leven, zelfs door vervolging en dood heen.

 

De stap naar het Nieuwe Testament is verrassend klein. Aan het begin van onze jaartelling zag een grote groep joden, en later een groeiende groep niet-joden, dit visioen in Jezus en zijn volgelingen vervuld. Hij is die iemand die lijkt op een mens die op de wolken naar God omhooggevoerd wordt om alle macht in de hemel en op aarde te ontvangen. Als ik het zo zeg hoort u opnieuw de tekst van Daniel, maar herkent u natuurlijk ook de op éen na bekendste Hemelvaarttekst, uit Mattheus (28:18). Maar er zijn meer teksten in het Nieuwe Testament die dit verband leggen. Ik doe maar een greep:

De engel Gabriel zegt tegen Maria, dat het kind dat uit haar geboren wordt de troon van zijn vader David zal krijgen en aan zijn koningschap nooit een einde zal komen (Luk 1:33). Een koning zoals toegezongen in Psalm 72 en 110, waarmee we de dienst vanmorgen begonnen.

De uitdrukking ‘iemand die lijkt op een mens’ is in Jezus’ tijd vaak samengevat als ‘mensenzoon’ (of ‘mensenkind’) en wordt door Jezus gebruikt om zichzelf aan te duiden. Als hij bv voor zijn rechter in Jeruzalem staat, de hogepriester Kajafas, zegt hij: ‘Vanaf nu zullen jullie de mensenzoon zien op de wolken van de hemel’ (Mat 26:64). Kajafas kent zijn bijbel ook, hij zal begrepen hebben dat Jezus tot hem zegt: Vanaf mijn kruisiging zal ik omhooggevoerd worden naar God en alle heerschappij krijgen.

Het Nieuwe Testament vertelt ook, dat deze Jezus een volk van volgelingen gekregen heeft. Daar heb je de heiligen van de Allerhoogste. Aanvankelijk bestonden zij uit joden, maar al gauw ook uit niet-joden, mensen uit alle talen, stammen en naties. De eerste ooggetuigen en discipelen van Jezus hebben gedaan wat hij hen bij zijn hemelvaart opdroeg, zij zijn op pad gegaan om alle volken tot zijn discipelen te maken. Het evangelie is wereldwijd gepredikt, met woord en daad. En het evangelie is dat dat Jezus langs de weg van zijn leven en sterven de naam boven alle naam kreeg, de naam van God in zijn macht over mensen: Heer (Fil 2:10). Jezus is Heer! Met zijn leven en sterven liet hij zien wat een heer doet, wat iemand doet die van God leiding krijgt over anderen. Hij liet dat tot in zijn dood zien. En ieder die Jezus daarin volgt zal regeren met hem (zie bv Ef 2:6, vgl. Mat 19:28, 20:25-28). Hij is hun hoofd, zij zijn éen lichaam.

Jezus is Heer – terugkijkend naar het visioen van Daniel mogen we zeggen, dat onder alle heersers in de geschiedenis hij waarlijk mens genoemd kan worden. De anderen lijken meer of minder op dieren, soms ronduit op beesten. Een verschil dat ook is terug te zien in hun onderdanen voor zover zij hun leider of koning volgen. Alleen het volk van de Allerhoogste is voluit menselijk, zegt Daniël. Dat volk leeft zoals God het vanaf het begin af aan met zijn schepping bedoeld heeft.

Met Hemelvaart zien we dus de droom van God tot vervulling komen. Er is een mens – er is gemeenschap van mensen – die Gods wil op aarde doet zoals het in de hemel gedaan wordt. Zelfs als hij tegengewerkt word, uitgebannen of gedood. Alle dingen hebben hun tijd, maar dit volk heeft eeuwigheid. Alle rijken hebben hun tijd – op éen na. Op Hemelvaart vieren we de inauguratie van dat rijk.

 

LITURGIE Zondag na Hemelvaart

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                      allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 110: 1

Groet: V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.           daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Lied: 871: 1,3,4

Moment met de kinderen

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Daniel 7: 13-27

Lied: 8: 1,3,4

Uitleg en verkondiging

Lied: 340b

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader
Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: OLB 244:1,2                   allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Drempelgebed naar Ps 72 en 24

 

We zingen het vaker in kerkdiensten:

Geef, Heer, de koning uwe rechten

en uw gerechtigheid.

Heerse van zee tot zee zijn vrede.

Koningen van alle landen

val deze heer te voet.

We zingen het vaker, God,

maar over wie zingen we dan?

 

De psalm vraagt U om Uw recht aan een koning op aarde te geven:

laat hem heersen in uw naam, wereldwijd en voor altijd.

Maar wie is dat dan? Koning David? Salomo? Zal een

koning van Israël wereldheerser worden en regeren

met het recht waarmee U regeert?

 

God, met Hemelvaart vieren we dat dit gebeurd is!

Wie is hij, de koning der ere?

Laten we onze deuren wijder en hoger maken

zodat hij bij ons kan binnenkomen.

Wie is dan de koning der ere?

Hij, de Heer der hemelse scharen,

Jezus van Nazareth.

Amen.

 

Welkom en inleidende woorden

Iedereen van harte welkom, hier in de kerk en thuis in de huiskamer. Misschien weten sommigen van u nog dat we op Goede Vrijdag met het evangelie ook in de politieke sfeer kwamen. Vandaag zullen we merken dat we ook met Hemelvaart midden in het publieke leven worden gesteld.

De laatste maanden heb ik me vaker beperkt tot een nieuwtestamentische schriftlezing, omdat daarin vaak direct of indirect naar oudtestamentische teksten verwezen wordt. Vanmorgen doe ik het andersom: we hebben alleen een oudtestamentische lezing omdat daarin het Nieuwe Testament al zo sterk wordt opgeroepen.

 

Gebed om de nood van de wereld

Heer Jezus, we gedenken dat U heengegaan bent, en de Heilige Geest is nog niet gekomen. Als we eerlijk zijn, zo voelen we ons in de kerk vaak de hele tijd: U bent er niet meer, de Geest is er nog niet. U bent niet zichtbaar onder ons aanwezig, maar ook niet voelbaar in innerlijke bezieling. We zitten tussen wal en schip. We kunnen niets anders doen dan wachten. Heer, geef dat we deze verlegenheid ook als een kans mogen zien: om in die stilte te gaan staan. Om te wachten. Samen met de mensen buiten de kerk. We hebben allemaal kracht nodig om ons leven op te pakken, en de beste kracht is kracht van boven.

We bidden vanochtend voor Israël, waar de afgelopen week het geweld tussen Israëli’s en Palestijnen weer is opgelaaid. En voor ons, westerse landen, waar opnieuw in allerlei demonstraties voor één van deze volken partij gekozen wordt. Heilige Geest, kom onder ons daar en hier en raak ons met het hart en de houding van Jezus.

 

Moment met de kinderen?

Er is in deze dienst geen moment met de kinderen, maar we steken wel de kinderkaars aan. We denken aan jullie, en als je meekijkt: fijn!

 

Gebed bij de opening van de Bijbel

God, we zijn met Hemelvaart verlegen. Dat gevoel hebben we ook bij Bijbelverhalen over hemelvaart, zoals over Henoch, Mozes, of Elia, die zonder te sterven in de hemel opgenomen werden. Jezus is echt gestorven, en echt opgestaan. De oudtestamentische verhalen blijven voor ons wat vreemd en onwezenlijk. Help ons de Bijbel verstaan, Heer, om te zien hoe niet alleen Jezus’ dood en opstanding, maar ook zijn hemelvaart hoort bij de vervulling van uw geschiedenis met Israël en de wereld, en nog steeds actueel is. Open onze ogen, zodat we uw trouw door de tijd, met uw volk en alle volken herkennen, een trouw die tegelijk verrassend is.

 

Gebeden

Diaken

Heer, Hemelvaart plaatst ons met beiden benen op de aarde. Net als Daniel hebben ook wij rijken zien komen en gaan. We hebben onlangs herdacht hoe het rijk van de nazi’s in korte tijd heel Europa veroverde en het joodse volk vervolgde. Daarna zaten we jarenlang onder de dreiging van het communistische rijk, tot ook dat op een dag voorbij was. En zitten we nu in een ijzeren rijk, het rijk van de vrije markt en de materiële welvaart, dat de hele wereld in zijn greep houdt en zoveel van de aarde stukmaakt? Heer, leer ons de tekenen van onze tijd opmerken en moedig christen zijn midden in de wereld. Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Hemelvaart laat ons ook naar onszelf kijken. Behoren wij, christenen, tot uw heiligen, tot de gemeenschap van heiligen, die zich door U apart laat nemen en zich tot een menselijkheid naar uw beeld laat vormen? Of zijn we meer of minder opgegaan in de volken en de rijken waarin we leven? God, juist vandaag realiseren we dat we een heer hebben, iemand die we meer dan wie ook willen volgen – maar doen we dat ook? Geef ons moed om midden in de wereld allereerst naar onszelf te kijken. Zo bidden wij U allen tezamen…

Geef, Heer, dat we het wachten van nu benutten om straks, bij meer bewegingsvrijheid, met nieuwe kracht en wijsheid te beginnen. Hoe vaak laten visioenen als die van Daniel niet zien, dat mensen na rampspoed doorgaan op oude manier. Dat éen rijk voorbijgaat maar eenzelfde rijk opkomt omdat een tijd van nood niet benut werd om tot inkeer en levensverandering te komen. Er worden vooral oude draden opgepakt – tot de volgende rampspoed komt, vaak nog groter dan de eerste. Heer, het kan anders! Geef ons de kracht om te veranderen, samen met de mensen om ons heen, net als Daniël die bad voor mensen in Babel en werkte voor de regering van zijn stad. Zo bidden wij U allen…

Stil gebed, Onze Vader

 

——————————————————————————————————-

 

Tijd van verschijningen            (Bericht uit de Pastorie)

In ons kerkelijk jaar hebben we niet alleen een Veertigdagentijd voor Pasen, maar ook een Veertigdagentijd na Pasen. Deze periode danken we met name aan Lukas die vertelt, dat Jezus na zijn sterven zijn discipelen ‘met vele bewijzen toonde dat hij in leven was. Hij verscheen hen gedurende veertig dagen en sprak met hen over het koninkrijk van God’ (Hand 1:3).

Veertig dagen lang gedenken we dus, dat de Heer zich als opgestane heeft laten zien. Soms in heel persoonlijke ontmoetingen, maar soms ook in een tamelijk massale bijeenkomst. Lukas’ leermeester Paulus vertelt dat Jezus aan Petrus verscheen, toen aan de twaalf discipelen, daarna aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, vervolgens aan Jacobus en aan alle apostelen samen (zie 1Kor 5: 5-7).

De verschijningen van Jezus, we gaan er in de kerk meestal een beetje aan voorbij. Maar hijzelf heeft er de tijd voor genomen, kennelijk is hem er veel aan gelegen. Waarom zijn zij zo belangrijk?

Als ik de vraag iets anders stel, komen we meteen éen reden op het spoor. Waarom is Jezus niet meteen na zijn dood ten hemel gevaren? Omdat dan ‘ten hemel varen’ niet kon worden onderscheiden van ‘naar de hemel gaan’. En dan kon ‘opstaan’ niet onderscheiden worden van ‘een leven na de dood krijgen’. De verschijningen laten zien, dat er een ingrijpend onderscheid is.

Overigens was het eerste dat op dit onderscheid wees, het lege graf. Alle evangelisten vertellen niet alleen van meerdere verschijningen, maar ook en allereerst van een leeg graf. Naar de hemel gaan en leven na de dood is normaal gesproken niet voor het lichaam weggelegd. Het lichaam blijft achter en vervalt het tot de stof waaruit het is opgebouwd. Met Jezus is er klaarblijkelijk iets anders gebeurd.

Dit raakt aan een tweede belangrijke reden voor de verschijningen. Opstanding is iets unieks en wonderlijks, dat gelooft niemand zomaar. Het is in de hele geschiedenis nog nooit gebeurd. Als het met Jezus wel gebeurd is, mag daar best wat bewijs voor geleverd worden. Jezus laat zien wat er met hem gebeurd is, hij is daarin niet minder royaal dan met de tekenen die hij deed vóor zijn dood.

De opgestane Heer vraagt geloof, maar hij geeft dat geloof ook een hart onder de riem, een proeve, een stukje evidence. In het Johannesevangelie wordt dit het mooist geïllustreerd met de discipel die aanstaande zondag in de dienst centraal staat: Thomas.

 

4 Hoe ongelovig is Tomas  (derde zondag na Pasen)

Tomas kennen we allemaal. De man die zei: eerst zien dan geloven. Hoe vaak is hij niet als voorbeeld gesteld, een voorbeeld dat we niet moeten volgen. Maar hoe ongelovig was Tomas eigenlijk? In de Bijbelverhalen is dat niet meteen duidelijk. Dat begint al met zijn naam. Tomas wordt ook wel Didymus genoemd. Didymus is geen bijnaam zoals Petrus de bijnaam van Simon is; Didymus is gewoon de vertaling van Tomas, Tom, een Hebreeuwse naam die ‘tweeling’ betekent. Dat is in de traditie wel uitgelegd als: de tweeslachtige, dubbele, de twijfelaar. Maar waarschijnlijk is gewoon bedoeld dat hij een tweelingbroer of -zus heeft, misschien ook meer figuurlijk, dat hij een persoon is met twee kanten, of dat zijn lot sterk verbonden zal is met dat van éen andere persoon, bv een medediscipel…

Van Tomas wordt alleen in het Johannesevangelie een paar dingen verteld. In de andere drie evangeliën en in de Handelingen van de Apostelen wordt hij alleen maar genoemd in het rijtje van de twaalf discipelen. Dat typeert Johannes als evangelieschrijver: hij vertelt minder voorvallen over Jezus en zijn volgelingen, maar de voorvallen die hij vertelt uitkiest en uitvoeriger vertelt. Heel bekend is bv het verhaal uit de paasdienst: dat meerdere vrouwen op paasmorgen het graf geopend vinden. Zo vertellen Matteus, Markus en Lukas het. Johannes noemt maar éen vrouw, Maria Magdalena, maar zegt over haar veel meer dan de andere evangelisten. Johannes is dus concreet, hij maakt dingen die algemener gelden of vaker zijn voorgekomen duidelijk door éen plaatje te geven dat hij van dichterbij, in groter detail laat zien. We hebben vanochtend in de schriftlezing ook gehoord dat Johannes dit bewust doet. Hij zegt: ‘Er is over Jezus en zijn verschijningen veel meer te vertellen, teveel om op te schrijven; maar wat ik vertel is voldoende om in hem te gaan geloven en ‘te leven in zijn naam’.

Ook Tomas is een uitgekozen illustratie, iemand in wie Johannes iets gezien heeft dat breder onder mensen leeft als zij reageren op Jezus. –In het Johannesevangelie komt Tomas viermaal voor. Als we die momenten na elkaar lezen, komt er een karakter naar voren en zien we een lijn ontstaan.

Het eerste moment. Een vriend van Jezus, Lazarus is doodziek. Zijn zussen, Marta en Maria, sturen een boodschap naar Jezus, maar deze wacht een paar dagen voor hij naar het dorp van Lazarus gaat. De discipelen vinden dat hij helemaal niet moet gaan: ‘Nog pas probeerden de Joden u te stenigen en gaat u er nu weer heen?’ (Joh 11: 8, daar heb je de politieke kant van de zaak weer, waar we in de Goede Week bij stilstonden). Jezus antwoordt: Lazarus is gestorven, nu zullen jullie iets zien wat je anders niet had gezien. ‘Toen zei Thomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: Laten ook wij gaan om met hem te sterven’ (vs 16). Thomas is dus bereid om met Jezus te sterven.

Nu is het opvallend dat Petrus vrijwel hetzelfde tegen Jezus zegt: ‘Ik zal mijn leven voor u geven!’ (13:37). Nog opvallender is dat Petrus dit zegt nadat hij Jezus gevraagd had, waar hij heengaat: Tomas stelt even later precies dezelfde vraag. Als Jezus tijdens de laatste maaltijd zegt: ik zal heengaan om voor jullie een plaats te bereiden, maar wees niet bang, ik kom terug, en jullie weten waar ik heen ga – zegt Tomas: Heer, wij weten niet waar u heengaat (14:5).

Zowel Tomas als Petrus vragen dus aan Jezus waar hij heengaat, maar voor Petrus is dat vooral een doe-vraag (‘waar u heengaat wil ik u volgen’), voor Thomas is het vooral een weet-vraag (‘ik wil graag weten waar u heengaat’). Beiden beseffen dat het met het sterven van Jezus te maken heeft, iets dat Jezus ook aanduidde als ‘teruggaan naar de Vader’. Petrus wil actie en loyaliteit en Tomas wil vooral duidelijkheid, zekerheid.

Wat er met Petrus gebeurt, is bekend genoeg. Hij beseft dat Jezus gaat naar de plek waar hij zal sterven. En daar kan hij, Petrus, zijn meester inderdaad niet volgen. Want als het erop aankomt wil hij zijn leven behouden, zozeer zelfs dat hij daarvoor Jezus verloochent. Jezus weet dat (‘Eer de haan kraait..’ 13:38) en komt hem daarin later confronterend en liefdevol tegemoet (‘Hou je echt van mij?’ 21:15-17). Tomas heeft een ander probleem dan Petrus. Hij heeft wel de moed om zijn leven te geven, maar komt niet in de positie waarin dat actueel wordt. Ondertussen zit hij wel met iets anders, iets dat wij christenen in het moderne Westen misschien nog wel sterker herkennen dan het probleem van Petrus. Jezus is heengegaan, maar waar heen, wat is er precies met hem gebeurd?

Het antwoord op deze vraag heeft twee kanten. Die moeten allebei evenzeer recht gedaan worden om Tomas te begrijpen. De ene kant noemde ik al: Jezus gaat naar zijn dood, zijn kruisdood. En dat is niet alleen een gewelddadige dood die hij zal moeten ondergaan, het is bovendien een vrijwillige dood die hij ondergaat om zijn vrienden te redden. Het kruis is de plek waar Jezus zijn sterkste liefde toont. Daarin, in die liefde kan Petrus nog niet komen, die is voor hem een brug te ver. Jezus spreekt hem er later op aan, zodat er een tijd kan komen dat Petrus wel Jezus’ liefde met een vergelijkbare liefde beantwoordt.

Voor Tomas ligt het anders. Hij weet dat Jezus gaat sterven, en hij is zeker van de liefde die Jezus daarin toont. Alleen, hij dacht dat dit al zou gebeuren toen Jezus naar Lazarus ging, maar dat liep toch anders. En na zijn arrestatie in de tuin van Getsemane heeft Tomas Jezus niet meer gezien, ook zijn dode lichaam niet. Hij weet niet wat hij ervan moet denken. Is Jezus echt gestorven? Kon hij die blinden de ogen opende niet maken dat hijzelf toch niet gestorven was? (vgl. Joh 11:37). Misschien is hij ontsnapt en zoekt nu weer contact met hen.

Dit is het derde moment waarop Tomas in het Johannesevangelie getekend wordt, het moment van onze tekst. Jezus is verschenen aan al zijn discipelen, maar Tomas was toen niet aanwezig. Nu, acht dagen later komt Jezus terug. En dan herhaalt hij de woorden die Tomas zelf in de tussenliggende tijd heeft uitgesproken: Ik geloof pas wat jullie mij vertellen over Jezus als ik de gaten van de spijkers zie (waarmee hij aan het kruis genageld was) en mijn hand in zijn zij leg (waar de speer van de romeinse officier Jezus doorstoken had om te zien of hij wel echt dood was). Hier zien we het eerste dat Tomas op het hart brandt. Is Jezus wel echt doodgegaan? Vandaar die check met ogen en handen.

Maar er is nog een tweede kant. Jezus had zijn heengaan ook aangeduid als teruggaan naar de Vader. Veel mensen in Tomas’ tijd, onder Joden maar vooral onder Grieken, vatten deze laatste uitdrukking spontaan op als: naar God gaan, naar de hemel gaan. Een groot aantal mensen in onze tijd vatten het ook zo op: sterven, dat is naar de hemel gaan. Maar als goede Israëlieten konden Tomas en zijn medediscipelen dat bij Jezus niet geloven. Jezus had bij de opwekking van Lazarus over opstanding gesproken. En opstanding, daarin is voor Marta en Tomas, in de lijn van Israëls profeten en psalmdichters, de hele mens betrokken is, dus ook het lichaam. En het zal pas aan het eind van de tijd gebeuren. De hele mens die op God vertrouwt zal leven. Maar juist ook in het oude Israël werd hierbij scherpe vragen gesteld. Kán het lichaam wel behouden worden als het gestorven is? En kan het bij iemand nu al gebeuren, midden in de geschiedenis, drie dagen na zijn dood? –Hier hebben we de tweede kant in Thomas’ brandende vraag: Is Jezus wel echt opgestaan? Heeft hij ook lichamelijk een nieuw leven gekregen, nu al? Vandaar, opnieuw, die check met ogen en handen. Thomas wil het lichaam van Jezus zien en voelen, het gedode lichaam, om te weten dat dat nu leeft.

Is Jezus echt dood gegaan? Is hij echt opgestaan? Dat zijn voor Tomas de twee meest prangende vragen. Heer, waar gaat u heen? Is dat werkelijk naar de plaats van uw dood, het dodenrijk? En is dat werkelijk naar een opgestaan leven, een eerste stukje nieuwe aarde, om ook voor ons daar een plaats een bereiden? Het zijn twee vragen die maar op éen manier positief beantwoord kunnen worden: door de bevestiging dat Jezus’ gedode lichaam nieuw leven heeft gekregen.

Dat nieuwe leven kan dan niet een reanimatie van het oude leven zijn. Een gereanimeerd lichaam kun je zien en voelen, maar ruik je ook, zoals Johannes bij het graf van Lazarus vertelt (11:39). Maar dat vertelt hij niet bij het lege graf van Jezus. Een gereanimeerd lichaam kan ook niet door gesloten deuren binnenkomen, zoals Johannes bij de verschijning van Jezus aan de discipelen en aan Tomas vertelt, zelfs tweemaal. Tomas wil weten of de lichamelijke mens Jezus die echt gedood was onvergankelijk leven heeft gekregen. Als Jezus niet echt gestorven is (na alles wat hij gezegd heeft over ‘je leven geven voor je vrienden), of als Jezus, na zijn dood, niet lichamelijk-onsterfelijk leeft, is er eigenlijk geen evangelie, is het evangelie in elk geval niet uniek, en verliest het geloof in Christus zijn zout.

Jezus komt ook Tomas tegemoet. Hij zegt niet dat deze discipel ongepaste vragen stelt. Hij zegt niet dat hij de opstanding van de meester gewoon maar moet geloven, omdat het niet op een gewone wijze nagegaan kan worden. Integendeel, Jezus heeft zich aan Magdalena en de discipelen laten zien, en hij komt voor Tomas speciaal nog een keer terug om zich te laten zien. Wel spoort Jezus Tomas hem aan om te geloven zonder te hoeven zien en te voelen. Maar dat is in feite een oproep om op een iets zwakkere vorm van bewijs te vertrouwen. Eerst is er het bewijs dat de zintuigen kunnen geven, dan is er het bewijs van getuigenissen. Eerst is er het vertrouwen op wat te zien en te horen is, dan het vertrouwen op mensen die gezien en gehoord hebben. Met zijn verschijning aan Tomas zegt Jezus: Waarom geloof je mij niet, ik heb gezegd dat ik de opstanding en het leven ben; waarom geloof je de vrouwen niet die zeiden dat ik ben opgestaan en die mij gezien en gehoord hebben? waarom geloof je je medediscipelen niet die hetzelfde hebben gezegd en meegemaakt? Dat zijn allemaal getuigen, mensen die voor jou de hand in het vuur zouden steken; zijn hun ogen en handen onbetrouwbaarder dan de jouwe? waarom geloof je niet wat ze zeggen?

In het Johannesevangelie roept Jezus op tot gegrond geloven, tot geloof in wat gezien, gehoord, getast kon worden. Jezus heeft zoveel tekenen gedaan – zichtbare dingen, wonderlijke dingen, zeker, maar die met ogen te zien waren, met oren te horen, met de mond te proeven, met de neus te ruiken en met handen te tasten, allemaal om ons geloof te wekken en een hart onder de riem te steken.

In feite is de Veertigdagentijd na Pasen hieraan gewijd. De Heer heeft er speciaal deze tijd voor genomen om ons geloof door zien en horen een hart onder de riem te steken. We staan bij zijn verschijnen even lang stil als bij zijn lijden. Het is waar, tot Tomas zegt hij: ‘Zalig die niet zien en toch geloven’. Maar dat is omdat er een tijd komt dat Jezus niet meer zal verschijnen, na zijn hemelvaart. De Veertigdagen komen een keer aan hun einde. En dát is omdat hij dan genoeg verschenen is om gegrond geloofd te kunnen worden.

 

LITURGIE 

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                            allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 641: 1,2

Groet: V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer           daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld, gezongen: psalm 17:3,7

Moment voor de (oudere) kinderen

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Johannes 20: 19 t/m 31

Lied: OLB 207: 6, 7, 9, 10 (+couplet 8 lezen)

Uitleg en verkondiging

Lied: 644

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader
Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 489: 1,2               allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Drempelgebed (=Psalm 35:8vv)

Hoe kostbaar is uw liefde, God,

in de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen,

zij laven zich aan de overvloed van uw huis en

lessen hun dorst met een stroom van vreugde,

want bij u is de bron van het leven,

in uw licht zien wij het licht.

Wees in ons midden

in deze dienst,

amen.

 

Inleidend woord

De tijd na Pasen is de tijd van verschijningen. Vandaag zullen we stilstaan bij de bekendste verschijning: de opgestane Jezus laat zich zien aan zijn discipel Tomas. Hiermee vervolgen we de Bijbellezingen uit het Johannesevangelie van vóor Pasen, alleen met een verschuiving van thema. In de Goede Week kwamen we op het terrein van de politiek (wat wil je met een publieke executie), nu meer op het terrein van de wetenschap, en dat dan allereerst in de gewoonste betekenis van dat woord. Wat er met Jezus na zijn dood gebeurd is, moeten we dat maar geloven, of kunnen we daar ook iets over weten? Iedereen hier en thuis, welkom in deze dienst!

In het Gebed voor de nood van de wereld zetten we het Drempelgebed in deze dienst voort, dat in feite een psalm was. We bidden om iets van God te kunnen zien. Opnieuw met een psalm bidden we dat we iets hiervan kunnen ervaren elke morgen als we onze ogen weer open doen, zelfs na de avond dat we voor het laatst onze ogen hebben dichtgedaan. We zingen en bidden het voor alle mensen: God, behoud ons leven, doe ons iets van uw goedheid zien!

Gebed voor nood wereld = Psalm 17

Moment met kinderen

Ik heb hier iets meegenomen, zien jullie het? Ik kijk even of er misschien ook kinderen meekijken, al is het vandaag niet de eerste zondag van de maand (dan doen we in de dienst altijd iets voor of met kinderen). Ook vandaag wil ik graag iets laten zien, vooral aan de oudere kinderen – Gwendolyn, Ivy, misschien ook Hidde, en anderen, kijken jullie toevallig? Zien jullie wat dit is?

Hier bovenop staat een lam, maar een uit de kluiten gewassen lam, dat zeker geen lammetje meer is, net zoals jullie geen kleine kinderen meer zijn. In de Bijbel wordt Jezus soms zo’n lam genoemd, het lam van God. –Dit lam staat bovenop een soort trap, een trap van opgestapelde boeken. Een dik boek onderop, dat is het boek over Israël, dat is het eerste grootste deel van de Bijbel. Daarbovenop liggen een boel kleine boeken, dat is het tweede deel van ons bijbel, die gaan allemaal over Jezus. De hele Bijbel is dus niet éen boek, maar een hele stapel boeken. Waarom al die boeken, waarom boek op boek op boek?

Met Israël is iets bijzonders gebeurd. De Israëlieten die het meegemaakt hebben vertellen het aan hun kinderen die het niet hebben meegemaakt, maar die geloven wat hun vader en moeder vertellen. En zo wordt doorverteld wat er met Israël gebeurde, ook al is het al heel lang geleden. –Met Jezus is iets heel bijzonders gebeurd. Mensen hebben dat gezien, zij vertellen het aan andere mensen die het niet hebben gezien, maar het verhaal geloven. En zo wordt doorverteld wat er met Jezus is gebeurd.

Zo werkt dat in geschiedenisboeken. Je hoeft iets niet zelf meegemaakt te hebben om toch te weten dat het gebeurd is. Als iemand anders die je vertrouwt ervan vertelt. Dan is het of je het zelf meemaakt. Je mag even door zijn of haar ogen kijken! –Daar gaat de kerkdienst vanmorgen over. Na zijn dood laat Jezus zich zien aan zijn leerlingen, dat hij leeft. Kijk maar, zei Jezus, voel maar, ik ben het. Zij hebben het gezien en gevoeld, en zij vertellen het aan ons: geloof ons, hij leeft!

 

Gebed bij opening Bijbel

God, we danken U voor Jezus die U zichtbaar en hoorbaar maakt, we danken U voor zijn discipelen die doorverteld hebben en opgeschreven wat zij gezien en gehoord hebben, we danken U voor uw kerk die de generaties door het verhaal heeft doorgegeven zodat het ook ons bereiken kon! Leer ons vertrouwen, Heer, op hen, op U: dat vragen we U in naam van Jezus die tijdens zijn laatste maaltijd bad: ‘Niet alleen voor hen [mijn discipelen] bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in mij geloven’. Amen

De tekst is Joh 17:20

 

We gedenken

Drie mensen zijn de afgelopen week overleden. Graag wil ik hen in deze dienst gedenken, door hun naam te noemen, iets over hen te zeggen en voor elk van hen een kaars aan te steken. Ik noem ze in de volgorde waarin ik het bericht over hun overlijden binnenkreeg; het laatste kwam gisteravond.

  • Aagje Burggraaff

is eind februari vanuit A’dam naar Bussum gekomen, naar de KPC de Bazelstraat 62. Daar heeft ze maar heel kort gewoond, misschien zelfs helemaal niet. Ze is overleden op 15 april, op de leeftijd van 94 jaar. Ze is niet bekend in onze gemeente, maar wel een gemeentelid en daarom willen we haar gedenken door ook voor haar een kaars aan het licht van de opgestane Heer aan te steken.

  • In Memoriam Rudolf Marinus Vunderink

Op donderdag 22 april overleed in alle rust in de Antonius Hof Ru Vunderink. Hij verhuisde begin dit jaar van de Zandzee naar de Antonius Hof. Hij was al zo verzwakt dat hij niet meer echt heeft kunnen wennen aan de nieuwe omgeving. Maar vaak zat hij rustig in zijn eigen kamer en was blij met de aandacht van de zorg, van zijn kinderen en trouwe  vrienden. Bij het afscheid na een bezoek bij hem zei hij altijd: “Dank je wel voor je bezoek, dat heb ik zeer op prijs gesteld”Hij zei spoedig thuis te komen in het huis van de Heer, vandaag nog, vanmiddag…

Ru Vunderink werd op 26 februari 1927 geboren in Amstelveen. Hij was 13 jaar toen de oorlog uitbrak. Dat betekende stagnatie in zijn leven en tegelijk een werveling van indringende soms avontuurlijke ervaringen en indrukken die vooral in de laatste jaren boven kwamen. Het gruwelijke lot van de joden in die jaren raakte hem diep, altijd weer woede en verbijstering als hij erover vertelde.

Ru ontmoette Geertruida, Truus, de liefde van zijn leven op de gereformeerde korfbalvereniging. Levenslang waren zij een hecht stel. Zij kregen drie kinderen Ido, Mickey en Arjen.  Ido’s dochter Lucie en haar grootouders hebben enorm van elkaar genoten.

Tot hun groot verdriet is hun jongste zoon Arjen in 2006 aan kanker overleden, nog maar 41 jaar oud.

Ru was een getalenteerde man, grafisch ontwerper, werkzaam in de reclamewereld. Hij heeft prachtige schilderijen gemaakt. Vlak voor de coronatijd aanbrak, was er nog een bijzondere tentoonstelling van zijn werk. Texel was voor de familie Vunderink een geliefde plek om vakantie vieren, te wandelen en te fietsen en te schilderen. Ru en Truus waren enorme natuurliefhebbers

Van huis uit waren Ru en Truus gereformeerd. Na hun verhuizing uit Amstelveen konden ze het kerkelijk in Bussum niet direct  vinden. In de Eltheto Kapel echter bij ds. Zevenbergen vonden ze een gelovig thuis en een vriendenkring voor het leven. Ze zongen in de cantorij, later ook nog in de Wilhelminakerk.

Deels hadden ze afstand gedaan van “het geloof der vaderen” en gingen ze in vrijheid op zoek naar nieuwe wegen en woorden, leer en leven. Een blijvende zoektocht!

Toen bij Ru de eerste tekenen van de ziekte van Alzheimer zichtbaar werden, was het voor zijn vrouw niet eenvoudig. En toen zij na een val in het ziekenhuis belandde werd het duidelijk dat Ru niet meer thuis kon blijven wonen. Hij vond een plaats in de Zandzee en heeft daar zeker in de eerste jaren een goede tijd gehad. Truus kwam in 2019 in de Iepenflat naast de Zandzee wonen, maar overleed helaas in dat najaar. Bij haar uitvaart heeft Ru nog ontroerend gesproken over zijn geliefde…

Het leven was zwaar voor hem, hij had ernstig longemfyseem. Zijn leven was stil en klein geworden. Vele vrienden overleden.

De laatste jaren hervond Ru nieuw vertrouwd geloof. Vertrouwen in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, opstanding waar je niet aan hoefde te twijfelen, “ik ben veilig geborgen in de handen van God.” Twee dagen voor zijn dood, bad hij met mij* het Onze Vader en zei: Uw Naam worde geheiligd en breng onze namen samen in uw eeuwig huis”. Dit gebed is gehoord.

Ido en Mickey hebben hun vader lange jaren liefdevol begeleid en gesteund, laten we hen dragen in onze gebeden.

*Dit In memoriam is geschreven door Jacomette de Blois

  • Jenny Walraven

Op 23 april is overleden Jantje Jantina Walraven-Huisman, op de leeftijd van 93 jaar. Jenny heeft bijna 70 jaar in Bussum gewoond (Adelheidstraat 35). Ze was eerst bij Eltheto aangesloten, later bij de Verlosserkerk, waar ze bijvoorbeeld met Armand in de arm naar de kerk kwam, en waar ze ds Delbeek en zijn vrouw goed kende.

De laatste tien jaar kwam ze niet meer in de kerkdienst; toch bleef ze meeleven en stelde ze een bezoek van de predikant op prijs – we hadden de afspraak dat ik haar elk jaar in september opzocht. We spraken over van alles – hoe ze meeleefde met de kinderen en kleinkinderen, haar zorgen en vreugden over hen. Ruim veertig jaar geleden overleed haar man. Ze hield niet van ‘clubjes bezoeken’, ook niet in de kerk. Haar dagelijkse leven had iets monastieks: elke dag op gezette tijden Bijbellezen, eten, bidden, slapen, soms wat handwerk, soms wat fietsen om uit te waaien, uit te huilen. Ze beleefde de dag soms als een voortgaand praten met de Heer. Je innerlijk voorbereiden op de ontmoeting met je Maker, dat was het ook. Ze luisterde elke zondag naar de kerkdienst via haar iPad.

Vorig jaar oktober kreeg ze een herseninfarct, ze raakte verlamd, gevangen in haar lichaam. Maar ze krabbelde weer op en revalideerde in Naarderheem. Haar geheugen werd niet meer wat het was. Ze kon niet meer terug naar huis, dat was een bittere pil. Ik ontmoette haar in de kerkdienst in Naarderheem of ergens in de gang met haar rollator. Toen kreeg ze opnieuw een hersenbloeding, en overleed de volgende dag.

Aanstaande vrijdag nemen we van Jenny afscheid in het Crematorium Laren, om 16.30 uur (correspondentieadres: Kalkwijk 30a, 9603 BE Hoogezand). De Bijbeltekst voor dit afscheid mocht ik kiezen (dat is geworden: ‘Mijn ziel weet dat zeer wel’, Ps 139:14), zelf had ze al jaren geleden een mooi lied uitgekozen: ‘Er is een God die hoort!’

 

Gebeden

Diakengebed

Heer, als we met elkaar door een moeilijke tijd gaan, als we met elkaar door het hele leven gaan, herkennen we elkaar vroeg of laat ook aan de rimpels en littekens die we hebben opgelopen. We worden kostbaarder voor elkaar door de geschiedenis die we doormaken. Geef ons ogen die de ander zo kennen, en handen die deze vertrouwdheid beschermen – ogen die ook littekens durven strelen, en handen die ook rimpels durven aanraken. Zo bidden wij U tezamen…

Predikant

Heer, we worden stil, drie overledenen in onze gemeente in éen week. We bidden U voor hun families en vrienden, voor onze medegemeenteleden die erdoor getroffen zijn. We bidden U ook voor mensen in onze kring die stervende zijn, wees met hen bij het ingrijpende afscheid, wees met de kinderen en kleinkinderen. Geef ons allen hoop, een hoop die volgens Johannes verder gaat dan de hemel, die uitziet naar een nieuwe aarde, naar een bestaan waarin onze lichamen even herkenbaar en heerlijk zullen zijn als dat van Jezus. Zo bidden wij U…

God, we bidden U voor ons land, voor onze volksgenoten. Overal lijkt een cultuur van wantrouwen te groeien, wantrouwen tegenover politie en tegenover politici, wantrouwen dat vanuit kleine aanleidingen al snel als wildvuur om zich heen grijpt. Geef dat we elkaar meer vertrouwen durven schenken, en dan ook mogen rekenen op eerlijkheid. Zo bidden wij U allen….

Heer, ieder van ons kent wel een Tomas, in de eigen familie, vriendenkring, collega’s of breder. Of anders iemand met het karakter van Tomas, iemand die een beetje op hem lijkt. Ik denk nu aan Tom Wright, een heel bekende theoloog in onze tijd, en aan Tomas, mijn kleinzoontje van twee jaar. –Laten we in ons stil gebed een Tomas in gedachten nemen en voor hem bidden […]

Onze Vader

 

Wegzending en zegen

Bij het slotlied dacht u waarschijnlijk even: we zijn in de verkeerde tijd van het kerkelijke jaar beland, is dat geen Kerstlied? Ja, maar ik heb Olivia, die de liturgie verzorgde, gevraagd om éen woord in het lied te veranderen. Ben benieuwd of iemand dat is opgevallen. [..] Zeker, in het lied staat: Komt ons in diepe nacht ter ore: een mensenkind voor ons geboren. Maar u hebt gezongen: een mensenkind voor ons herboren. Dat is de goede boodschap volgens Johannes: Wat in Bethlehem begonnen is, is in Jeruzalem voltooid, hij die in de kribbe is geboren, is in het graf herboren. Jezus is mens en vervolgens een nieuw mens geworden, naar lichaam en ziel. Wij hebben niet alleen het eerste, maar ook het tweede gezien, gehoord, getast, zegt Johannes. Wij hebben ervan getuigd, wij hebben het opgeschreven, zodat u het kunt geloven. Daarom zingt het lied verder: Open uw hart, geloof uw ogen, vertrouw u toe aan wat u ziet.

Met zijn zegen, de zegen van de opgestane, mogen we nu weer ons leven in. Wilt u straks na de zegen weer even gaan zitten, er is nog een mededeling.

De Heer zegene en behoede u…

 

Afscheid ds Den Bok

Komende november ben ik ruim 9 jaar in dienst van de Protestantse Gemeente Bussum en ben ik bijna 63 jaar. Komende november is ook een belangrijk moment in onze gemeente: waarschijnlijk (hopelijk!) is dan de coronatijd grotendeels voorbij, onze wijkgemeente kan dan het gemeenteleven in een vernieuwd kerkgebouw opbouwen en dan stopt het vitaliteitswerk van ds Wielie Elhorst. Ik heb besloten om in november met vervroegd emeritaat te gaan. Ik stop dan met mijn werk als uw predikant. Ik zie daarin een kans voor mijzelf en voor onze gemeente, voor mijzelf om me met wat meer tijd en rust aan mijn andere halve baan te kunnen wijden, en voor u als gemeente om een nieuwe doorstart te maken.

Er is nog iets. Mei volgend jaar ben ik 25 jaar predikant. Voor ik gemeentepredikant werd was ik vier jaar hulppredikant (toen ik ook aan mijn proefschrift werkte). Ik neem graag de vrijmoedigheid om in november, als ik mijn werk onder u neerleg, in uw midden mijn 25jarig ambtsjubileum te vieren. Zo kan het afscheid tegelijk een feestelijke afronding worden. In overleg met de kerkenraad is voor afscheid en jubileum de laatste zondag van november geprikt. Natuurlijk hoort u daar in een later stadium meer over. Voor nu wil ik nog zeggen dat het me ook moeite zal kosten van u afscheid te nemen, ik ben blij dat we daarvóor genoeg tijd hebben om elkaar nog te zien en te spreken. En vanuit de dienst van vanmorgen, vanuit het verhaal van Thomas mogen we nu al meenemen: uit het oog is niet uit het hart.

 

————————————————————————————————————–

 

3 Mijn Vader, mijn God                                      (Pasen)

De weg door de Goede Week was dit jaar een weg door een kernovertuiging van het oude Israël. Een overtuiging die volgens de volgelingen van Jezus in hem vervuld is. God regeert. Psalmen zingen ervan, de hele geschiedenis die in het Oude Testament beschreven staat werkt ernaar toe: de Heer der heren regeert! Er waren tegenstemmen: ‘Ja, God regeert in zijn eigen domein, ver boven het gewoel van de wereld, ver van persoonlijke beslommeringen, ver buiten onze waarneming’. Maar de hoofdlijn van het Oude Testament zegt: ‘Nee, Hij regeert, ook op aarde, Hij kómt op aarde zijn heerschappij oprichten’. Dat was het lied dat in Bethlehems velden begon te zingen – met David, en toen opnieuw met de Davidszoon. De Heer komt onder mensen in hun persoonlijke leven, maar ook in hun gezamenlijke leven, hun georganiseerde leven. En dan komt Hij ook in een leven waar de macht al uitgeoefend wordt, door priesters en gouverneurs, door soldaten en keizers.

We zijn van Palmpasen naar Goede Vrijdag gegaan. Dat was het laatste, meest beslissende stuk van de weg waarlangs de Heer op aarde zijn heerschappij opricht. En nu het vandaag Pasen is, nu – lijkt de hele muziek van ‘God regeert’ weggevallen. Een week lang hoorden we ‘hosanna’ en gejoel, en tenslotte tromgeroffel bij een executie. En toen werd het stil, stille zaterdag. Nu de melodie toch weer begint, lijkt de wereld van de politiek en het publieke leven verdwenen.

Johannes vertelt zelfs niet, zoals de andere evangelisten, dat er soldaten bij het graf geplaatst waren en dat zij in de ochtend zijn gevlucht. Johannes vermeldt wel een detail van later op de dag, toen de discipelen bijeen waren in een bovenkamer en ‘de deuren gesloten hadden uit angst voor de joden’. Maar is dit het enige overgebleven akkoord uit het grootse lied over de regering van God en zijn gezalfde? Wordt nu eindelijk echt duidelijk dat het de Heer om persoonlijke en geestelijke zaken ging?

Er zijn tenminste twee aanwijzingen die in een andere richting wijzen.

Het eerste verhaal dat we hoorden gaat over twee discipelen. Twee die in het Johannesevangelie vaker genoemd worden: Petrus en ‘de andere discipel’. De naam van deze discipel wordt nergens genoemd, maar het is duidelijk dat dit Johannes zelf is. Hij zat naast Jezus tijdens het laatste avondmaal, hij was bij het verhoor van Jezus omdat hij een bekende van Kajafas is, hij stond bij het kruis toen Jezus moeder Maria aan zijn zorg toevertrouwde – hij heeft alles uit de eerste hand. Maar hij was niet de rots waarop Jezus zijn kerk zou bouwen; dat was Petrus (Joh 1:42). Tussen Petrus en Johannes bestaat rivaliteit. Petrus is de leidinggevende discipel, maar Johannes is de geliefde discipel. Hoe gaan zij met elkaar om? Hoe leren ze in het voetspoor van hun meester met elkaar omgaan?

Dat is een vraag die terugkomt overal waar op religieus gebied leiding gegeven moet worden. Trouwens ook op andere gebieden. Er zijn Petrussen en Johannessen, Petra’s en Johanna’s in elke christelijke gemeente, in elke burgerlijke gemeente. Rivaliteit speelt allereerst op persoonlijk vlak, maar wordt sterker als er ook formele relaties zijn, als iemand een officiële functie krijgt, bv dominee of voorzitter of minister. Dan komt er altijd iets van politiek in, op kleine of grotere schaal.

Petrus en Johannes rennen allebei naar het graf. Johannes is sneller, maar laat Petrus voorgaan. Petrus gaat het graf in, kijkt, maar raakt verward. Johannes gaat dan ook naar binnen, kijkt, en gelooft. Daar heb je het verschil tussen beiden weer. Alle reden tot nieuwe rivaliteit. Die wordt op paasmorgen ook niet weggenomen. Het Johannesevangelie besteed er nog een apart, laatste hoofdstuk aan. Wel zien we bij het graf, hoe de éen buigt voor de ander, hoe Johannes in praktijk brengt wat Jezus hen bij de voetwassing heeft geleerd. Ook die voetwassing had trouwens al met politiek te maken. ‘Wie onder jullie heer is, moet de anderen dienen’.

 

Dan het tweede verhaal van vanochtend, over Maria Magdalena. Ze was al eerder bij het graf, maar toen ze het leeg aantrof, was ze meteen teruggegaan naar de discipelen. Zij liet hen voorgaan. Maria hield rekening met de traditionele rolverdeling van mannen en vrouwen, die in haar tijd en nog heel lang daarna de maatschappelijke regel was. Toch is zij als eerste getuige van de opstanding ‘de heer die de anderen dient’, zij is hier de dame. Jezus erkent dat ten volle: als de mannen Petrus en Johannes hun kans hebben gehad en bij hen het kwartje nog niet gevallen is, heeft Jezus een speciaal moment met haar, Maria. En wat hij tenslotte tegen haar zegt wijst opnieuw naar de publieke, politieke dimensie van het leven. Jezus grijpt terug op het kerngeloof van Israël.

Hij doet dat indirect, voor de goede verstaander. ‘Hou me niet vast’, zegt Jezus tot Maria, ‘ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die jullie Vader is, naar mijn god, die ook jullie God is’. Wat zegt Jezus met deze woorden? Waarom kiest hij ze nu? Ze lijken een beetje op wat Ruth tot Naomi zegt, als zij belooft om met Naomi mee terug te gaan naar Bethlehem: ‘Uw God is mijn God en uw volk is mijn volk’.

Maria laat zelf zien hoe zij Jezus’ woorden heeft opgevat. Als zij naar de discipelen gaat en hen vertelt wat haar in de tuin is overkomen, zegt ze: ‘Ik heb de Heer gezien’. De Heer – dat is God zoals Hij zich aan Mozes bekend maakte en met zijn volk een geschiedenis begon (Ex 20:2). Heer, dat is de Koning van Israël, die naar Israëlitisch geloof ook de Koning van de wereld is (zie bv Jes 52:7,15).

Hoe komt Maria tot deze belijdenis? Misschien heeft ze die opgemaakt uit het feit dat Jezus een uitdrukking gebruikt die in éen tekst uit het Oude Testament zo voorkomt. We hebben hem gezongen, in psalm 89. Deze psalm gaat over Gods trouw aan zijn volk en aan de troon van David. Iemand uit zijn geslacht zal daar altijd op zitten, dat heeft God beloofd. De psalm vertelt over David, hoe God hem uitgekozen heeft, hoe Hij hem zalfde met heilige olie, hoe Hij hem steunde in zijn strijd tegen zijn vijanden. Dan komt het: deze gezalfde ‘zal tot mij roepen: “U bent mijn vader, mijn God, de rots die mij redt”. Meteen daarop horen we in de psalm God zelf spreken: Ik maak hem tot mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen van de aarde. (..) Zijn troon staat zolang de hemel duurt.’

‘Mijn vader, mijn God’, dat zegt een Davidszoon die Davids troon heeft gekregen, en dat niet voor een tijd, maar voor altijd. Deze muziek is ook in andere psalmen te horen. Zoals psalm 2, die kent u vast wel. Waarom woeden de volken toch? De machtigen der aarde zijn in verzet tegen God, ze regeren niet zoals de Heer en zijn gezalfde regeert. Maar God in de hemel lacht. Ik heb mijn koning gezalfd op Sion, mijn heilige berg. In het vervolg van de psalm spreekt deze koning zelf: ‘Dit is het besluit van de Heer: Hij sprak tot mij: Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt. Vraag het mij en ik geef je de volken in bezit, de einden van de aarde in eigendom.’ Dat is de taal de Jezus gebruikt bij zijn hemelvaart. De psalm eindigt met een oproep: ‘Daarom koningen, wees verstandig. Wees gewaarschuwd , leiders van de aarde, onderwerp u, toon de Heer uw ontzag, bewijs eer aan zijn zoon.’ Psalm 110 kent u vast ook: ‘De Heer spreekt tot mijn heer: neem plaats aan mijn rechterhand, jij zult heer zijn over je vijanden’. Deze heer onder de Heer brengt koningen ten val en berecht de volken. Zijn koningschap zal een priesterlijk koningschap zijn, en eeuwig zal duren.

Tegenover Magdalena duidt Jezus zich dus aan als Davidszoon en zoon van God zelf, zijn eerstgeborene, die voor altijd zal regeren aan Gods rechterhand. Ja, hij is de Heer, in de volle oudtestamentische zin van het woord, zoals Maria zich realiseerde. En zoals Thomas, de ongelovige Thomas, toen hij Jezus zag, nog sterker realiseerde. Misschien komt voor ons de grootste verrassing als we beseffen dat het omgekeerde ook geldt: degene die voor altijd de Davidstroon krijgt, is niemand anders dan Jezus. Hij zal deze troon aan niemand afstaan. De troon van David staat niet in de hemel, maar op aarde. De boodschap van de afgelopen week was, dat Jezus zich als koning heeft bewezen, in heel zijn publieke optreden en in zijn lijden en sterven nog het meest. Zo regeert de Heer op aarde.

En als u nog denkt dat dit het Johannesevangelie is, dat allerlei dingen samentrekt en niet altijd realistisch lijkt, dan moet ik u zeggen dat Johannes met deze paasboodschap op éen lijn zit met de andere evangelisten. Lukas bijvoorbeeld maakt hetzelfde punt, zij het niet aan het eind, bij de opstanding, maar helemaal aan het begin, bij de aankondiging van Jezus’ leven. U kent de woorden van de engel Gabriël aan Maria: het kind dat uit jou geboren wordt moet je Jezus noemen, ‘hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven, tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over Gods volk (Luk 1:32-33).

 

Het is Pasen. Het graf is leeg. Jezus leeft, met lijf en ziel. Hij laat dat aan Petrus en Johannes en Maria zien (al hoef je het niet te zien om het te geloven, en al kun je het zien en toch niet goed zien). Jezus laat het zien om geloof in zijn heerschappij te wekken. Geloof dat hij inderdaad de Heer is. Zodat Petrus sterker wordt en straks goed leiding kan geven. En Maria getroost wordt.

De opgestane zelf is er niet, en als hij zich toont kan hij niet blijven, hij moet opstijgen naar de Vader, zegt hij. Precies de uitdrukking die Johannes ook gebruikt voor Jezus’ kruisiging en die Jezus zelf uitsprak tijdens zijn laatste maaltijd. Hij moest heengaan, hij moest verhoogd worden, opgeheven en zo alle mensen tot zich trekken – zo heerschappij uitoefenen.

De opstanding betekent dus niet, dat de verslagen, gedode koning ‘terug is’, en nu alsnog zal winnen dankzij een nieuwe, bovennatuurlijke kracht. Net zo min als opstanding voor persoonlijke relaties een reünie betekent. Nee, op Pasen verwijst Johannes terug naar Goede Vrijdag. Daar is de slag geleverd, en daar is hij gewonnen. Op grond daarvan krijgt koning Jezus eeuwig leven; de macht die hij in leven, lijden en sterven getoond heeft is het leven van de Eeuwige in de tijd gekomen. Tegen Maria zegt hij: Hou me niet vast, ik ben echt gestorven. De hereniging komt later, als hij ieder die hij heeft vastgehouden zal doen opstaan op de laatste dag (Joh 6:39).

Ook na zijn opstanding heerst Jezus dus op aarde zoals hij op aarde leefde, leed en stierf, in de kracht die hij op zijn levensweg tot in zijn stervensuur toonde, en die hij met iedereen wil delen die hem op deze weg wil volgen. Deze kracht geeft Jezus aan zijn volgelingen: Ontvang de Heilige Geest. Zoals de Vader mij zond, zo zend ik u. Volgens Johannes eindigt de Paasdag met Pinksteren.

 

 

Orgelspel & Stilte

Bemoediging              allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 630: 1,3

Groet:  V: De Heer zij met u,

G: Ook met u zij de Heer.             daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Moment met de kinderen Filmpje (slot Kinderproject: Maria ontmoet Jezus), Kinderlied

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Johannes 19: 1 t/m 18

Lied: 89: 9,11

Uitleg en verkondiging

Muziek: de finale van The Passion van Adrian Snell:

            Maria Magdalena zingt: Jesus is alive. https://www.youtube.com/watch?v=NstF6uwy0e0

            Jezus zegt: Peace be with you https://www.youtube.com/watch?v=MMKiflB16oE

Gebeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Wegzending & Zegen (=NLB 428)

Slotlied: 839                 allen gaan staan

Drempelgebed

God, we zijn de kerk weer binnen gegaan,

hier in deze bijzondere ruimte.

De kerk is eigenlijk gebouwd op een graf,

een leeg graf.

We zijn weer in de kerk

en zoeken degene die niet hier is,

maar leeft.

Die de eerste van vele broers en zussen wil zijn,

die ons wil meenemen op zijn weg

het leven in.

Wees met ons dit uur

hier en in de huiskamer,

in Jezus’ naam,

amen.

 

Welkom en inleidende woorden

We beginnen vanochtend heel zoekend, zoals de vrouwen en mannen die op weg gingen naar de tuin met het open graf. Maar langzaam zal de muziek sterker worden, dan zal ook nog iets van de dramatische klanken van de afgelopen week te horen zijn. Het is Pasen, welkom in deze bijzondere dienst, u hier in de kerk en allen in de huiskamer.

 

Gebed voor de nood van de wereld

Heer, vanmorgen bidden wij U voor een speciale nood van de wereld. Bijna elk volk in de wereld heeft een overheid die optreedt tegen corrupte of gewelddadige burgers, maar de wereld zelf heeft geen overheid die optreedt tegen corrupte of gewelddadige volken. Landen zijn soeverein. Er is geen rechterlijke macht die boven regeringen en naties staat en hen tot de orde kan roepen. We leggen U de nood voor die hieruit voortkomt, vooral voor de bevolkingsgroepen en volken die hiervoor de prijs betalen. We denken aan de kleinere landen, aan de minderheden in elk land. We bidden U voor Syrië en Myanmar, en Libanon. We bidden U voor de Verenigde Naties en voor het Internationale Gerechtshof, dat zij goed werk blijven doen ook al hebben ze weinig macht. Wees met uw wereld, die U zo liefhebt dat U uw eniggeboren zoon zond.

 

Moment met de kinderen

Gebed bij de opening van de bijbel

Heer, help ons begrijpen. Soms is er iets niet dat er zou moeten zijn, en wilt U ons daarmee iets belangrijks zeggen. Wij zien wat er niet is, maar begrijpen het niet, zoals Petrus toen hij geen lichaam zag in het graf van Jezus. Of we zien, geloven, maar begrijpen het niet, zoals Johannes toen híj in het lege graf keek. En soms is er iets wat we niet verwachten, en wilt U ons dáarmee iets belangrijks zeggen. We zien en zien toch niet, zoals Maria Magdalena de man in de tuin zag.

Heer, help ons zien, geloven en begrijpen. Geef dat we elkaar daarbij helpen, zodat de een voor de ander kan zien en inzien wat de ander niet ziet of inziet, misschien vanwege tranen in de ogen, of door angst, of trots. Geef ons vertrouwen in de Bijbel als gids die onze ogen en verstand kan openen.

 

Na de preek

We zullen nu een muziekstuk horen. Het is de finale uit The Passion van Adrian Snell die niet zoals de klassieke passies van Bach eindigt met de kruisiging en begrafenis van Jezus, maar met zijn opstanding. Het is een passie uit onze eigen tijd, waarin het zoeken, de verwarring en de angst, ook de politieke spanning doorklinkt, en daarin ook het zuchten van de schepping hoorbaar wordt. In de finale zingt Maria Magdalena als zij bij het open graf staat. –Engels zal geen probleem zijn, denk ik, ook niet voor onze ouderen. Maar mag ik toch éen regeltje eruit lichten. Als in de tuin de zon is opgegaan en de eerste bloemen geopend zijn, zingt Maria: I see the sun in his eyes – ik zie de zon in zijn ogen.

 

Bericht van overlijden

We kregen bericht van het overlijden van iemand die niet meer tot onze gemeente behoort, maar bij veel gemeenteleden bekend is. We zullen hem daarom niet officieel herdenken, maar willen hem wel graag noemen in deze dienst. Op 17 maart is overleden dhr Dick Lodder in de leeftijd van 90 jaar. Dick Lodder was vele jaren een trouwe kerkganger in de Verlosserkerk. Hij woonde jaren lang met zijn vrouw Wil op de Koekoeklaan. In 2008 overleed Wil. Een aantal jaren geleden verhuisde Dick naar de Gooise Warande, en vorig jaar april naar De Bilt, waar zijn zoon Kees woont. De dankdienst was gisteren, zoals u misschien uit Kerknieuws al wist; de begrafenis heeft in besloten kring plaatsgevonden. Laten we Dick Lodder opdragen in ons gebed.

 

Gebeden

Diaken

Heer Jezus, u zei tegen Maria: ‘Hou me niet vast. Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader’. Dat raakt ons, we willen zo graag vasthouden in dit leven. Geef ons vrede met het loslaten, Heer. We hoeven u niet na te staren, u wist de tranen uit onze ogen; we hoeven niemand na te staren, we mogen het leven in. Geef ons uw kracht, Heer, geef dat we mogen geloven dat de toekomst van ons en onze geliefden bij u veilig is, net zo veilig als u bent bij God, u die leeft naar lichaam en ziel. Zo bidden wij U allen tezamen… 

Predikant

God, Israël was in de oudheid het volk dat beleed dat U zijn koning was en dat, als het ook een menselijke koning wilde, deze een man naar uw hart moest zijn. Israël beleed ook, dat U in feite koning van de hele wereld bent, psalmen zingen hiervan, profetieën spreken ervan. Israëlieten die Jezus meemaakten beleden, dat hij uw gezalfde is, voorgoed, dat hij zijn leidinggevende werk volbracht en zijn dienaren en vrienden de opdracht gaf om zijn koninkrijk, uw koninkrijk uit te breiden, te beginnen in Judea tot de einden der aarde. God, we zouden hier niet zitten als u deze missie niet was begonnen. U begint steeds weer klein, U gaat van persoon tot persoon, maar U mikt bij elke persoon op het hele leven, en dat is ook altijd een leven in gemeenschap, van klein tot groot, van gezin en vriendenkring tot volk, en van volk tenslotte tot alle mensen. En zo gaan psalmen en profetieën opnieuw zingen, God, want onder de heerschappij van uw gezalfde belooft U vrede en recht voor elk volk dat Jezus als heer aanvaardt én voor alle volken met elkaar. Hij is uw rechterhand, hij regeert, hij staat boven alle regeringen op aarde! Wij zouden hier niet zitten als wij niet ergens geloofden in dit visioen, in deze missie. En daarom bidden wij U voor Israël nu. Voor de kerk, de kerk in Nederland en in andere landen; en voor het Nederlandse volk en andere volken. Voor de kerk wereldwijd en voor de gemeenschap van alle volken op onze kleine aarde. Laat het visioen van Oude en Nieuwe Testament weer oplichten in een wereld die roept om recht en vrede, zo bidden wij U allen tezamen…

Heer Jezus, u zei tot Maria en haar mede-discipelen: mijn Vader is jullie Vader. U hebt uw Vader tot de onze gemaakt, en daarmee het gebed dat u ons leerde een nieuwe betekenis gegeven. Als wij bidden ‘Onze Vader’, is ‘onze’ niet beperkt tot ons mensen, maar sluit het nu ook uzelf in, onze Heer, onze broeder. U bidt met ons mee. Onze Vader, die in de hemel zijt…

 

Wegzending en zegen

De afgelopen week ervoeren we in verschillende diensten, hoezeer alle betrokkenen in het drama van Jezus’ dood geïntimideerd waren door de macht van het zwaard, met daarachter de macht van de dood. Religieuze leiders, politieke leiders, discipelen, bij allen woog deze macht zwaarder dan de macht van God – Johannes zou zeggen: zwaarder dan de heerlijkheid van de Heer. De enige die fier bleef in de hele situatie, die God boven elke macht bleef eren, en de naaste niet minder dan zichzelf, was Jezus van Nazareth, koning der joden. Hij gaf zijn leven voor dat van Petrus – zelfs voor dat van Barabbas – en in feite ook voor dat van Pilatus. Zij konden blijven leven en zich nog keren tot de levende God, dat was hem de prijs van zijn leven waard. Met zijn ongebroken opstelling, tijdens de hele rechtspraak tot en met de kruisiging, toonde Jezus metterdaad dat Gods macht sterker is dan alle andere machten, ook die van de keizer en de dood, zelfs een marteldood.

Maar als hij niet was opgestaan, had het er sterk op geleken dat de mensen die hem verwierpen, of niet konden volgen, toch gelijk hadden. Zie je wel, de dood heeft het laatste woord. En de dood is het einde van een schepsel, van elk schepsel dat adem heeft.

Vanmorgen was ik om 6 uur wakker. Het was nog donker. Maar ik hoorde een merel hartstochtelijk fluiten. Ik dacht, hij fluit omdat straks de zon opgaat. En toen dacht ik: nee, de zon gaat straks op omdat deze merel fluit.

Ik heb voor jullie op de fluit gespeeld, zei Jezus eens (Mat 11:17). Ik hoop dat we straks samen kunnen dansen. We kunnen hier niet blijven, in dit gebouw, bij het lege graf, we moeten het leven in. Laten we dat dansend doen, zeker vandaag. Natuurlijk jammer dat corona ons nog steeds beperkt. Maar het hoeft de dans niet te verhinderen. Als we het slotlied horen (u moet het thuis zeker in het Engels beluisteren, met de Ierse tekst!), kan ieder van ons een rondedansje maken, ook in de huiskamer. We kunnen zo het gangpad van de kerk door en bij de uitgang elkaar groeten. Daarom komt het slotlied dit keer na de zegen, om die mee te nemen op onze dans de wereld in. De zegen van de Heer, de zegen van Johannes, de zegen van de Passion (=NLB 428):

Overvloedig geef ik u.

Zoals de Vader mij zond, zo zend ik u.

Ga en deel mijn liefde uit.

Vrede zij met u.

Slotlied: Ik danste die morgen toen de schepping begon…

 

 

——————————————————————————————————-

 

2 Voor de rechterstoel                                         (Goede Vrijdag)

 

De soldaten met hun tribuun en de joodse gerechtsdienaars grijpen Jezus, zo vertelt Johannes. De groep die Jezus arresteert bestaat dus zelf uit twee groepen: soldaten onder een romeinse officier, en wat we zouden kunnen noemen tempelpolitie. We hebben hier kennelijk te maken met een samenwerking van paleis en tempel. De politiek en de godsdienst hebben elk hun eigen redenen om Jezus te veroordelen. En onderling hebben ze een aparte relatie, die voor ons verrassend herkenbaar is. De regering wil zich niet mengen in religieuze zaken, en de tempelleiding heeft de regering nodig om iemand veroordeeld te krijgen. Alleen de staat draagt het zwaard, maar de staat wil het zwaard alleen gebruiken als daar een staatkundige reden voor is.

 

Waarom wil de tempelleiding Jezus veroordelen? De hogepriesters grijpen terug op de Thora, de wet die God aan Israël gegeven heeft. Daarin staat dat iemand die God lastert, gestenigd moet worden. Gods eer aantasten is een heel serieuze zaak. En een mens die zegt dat hij de Zoon van God is en optreedt met de volmacht van God, is duidelijk een geval van godslastering. Er is er maar éen die God is, éen die op de allerhoogste troon zit, en dat is God zelf.

Maar de romeinen hebben de politieke leiding in het land, zij hebben de rechterlijke macht om iemand de doodstraf te geven. En zij doen dat alleen als iemand op het terrein van de staat komt, bijvoorbeeld als hij zich opwerpt als koning, zonder de keizer als zijn baas te erkennen. Vandaar dat Pilatus, wanneer Jezus voorgeleid wordt, een paar keer terugkomt op die vraag: Ben jij een koning? Zijn conclusie is duidelijk. Deze man is geen gevaar voor de staat. Maar als gouverneur moet hij ook de rust en orde onder zijn joodse onderdanen bewaren. En zij willen Jezus dood.

De zaak eindigt in een compromis, dat beide partijen compromitteert. Dat compromis is in grote letters te lezen op het bord aan het kruis boven Jezus’ hoofd. ‘Jezus uit Nazareth koning van de joden’.

Voor de joden is dit compromitterend, want zij willen een natie onder God en zijn gezalfde. Vanuit deze hoop hebben ze zich altijd verzet tegen de romeinen en andere bezetters. Ze willen een land zoals het was in de tijd van David, ze willen een volk zijn dat vrij is om het hele leven onder God vorm te geven. Ze geloven dat er een Davidszoon zal komen om dit te realiseren. Vele joden zien in Jezus deze gezalfde (in het Hebreeuws: messias). Maar zowel de felste als de meest voorzichtige religieuze leiders zien dat niet. Om van Jezus af te zijn zeggen ze: ‘Wij hebben geen koning dan de keizer’. Zij knielen openlijk voor de bezetter. Door deze knieval plegen deze Israëlieten in feite verraad aan hun eigen religieuze geweten, dat alleen God hun Heer is en zij geregeerd willen worden door Zijn gezalfde. De weigering van de religieuze leiding van Gods volk om Jezus als Messias en Heer te aanvaarden loopt er dus op uit, dat zij de keizer boven God stellen.

Voor de wereldlijke, romeinse overheid ligt de zaak anders, maar ook zij komt tot een compromitterend compromis. Pilatus vreest dat hij onder druk van de joden een onschuldige veroordeelt. Dat wil hij beslist niet, en dat siert hem. Wanneer hij hoort dat de joden Jezus willen veroordelen omdat hij zich voor Gods Zoon heeft uitgegeven, wordt hij nog banger. Kennelijk zit er bij deze romein, deze ‘heiden’ een religieus geweten, een weten van God. Pilatus vraagt het bij Jezus na, hij wil weten of Jezus inderdaad ‘van God komt’. Jezus zwijgt en dat lokt hem uit de tent, hij gaat op zijn strepen staan: ‘Weet je wel dat ik de macht heb om je vrij te laten of te laten kruisigen?’ ‘U zou volstrekt geen macht hebben als u die niet van boven gegeven was’. Weer die verwijzing naar God, Pilatus is nu echt geraakt. ‘Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrij laten’, merkt Johannes op. –Waarom doet Pilatus dat niet, waarom doet hij niet wat zijn geweten hem zegt? Omdat de joden ondertussen iemand anders in herinnering roepen, die óok boven Pilatus staat en Pilatus zijn macht gegeven heeft. Zij roepen: ‘Als u deze man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer’. Pilatus zwicht dus omdat ook hij als het erop aankomt de keizer boven God plaatst.

Waarom doen de joodse leiding en de romeinse leiding iets dat bij beide in feite tegen hun religieuze geweten ingaat? Waarom houden ze elkaar gegijzeld? –Ze zitten allebei in de tang van vrees, de vrees om hun leven te verliezen. De romein en de hogepriester geloven elk op eigen wijze in God, maar ze zijn allebei beducht voor de macht van de keizer. En de macht van de keizer is vooral de macht van het zwaard, van de dood. En de dood heeft zoveel macht over hen omdat lijfsbehoud kennelijk bovenaan staat. Jood en romein vrezen voor hun eigen leven meer dan voor hun geweten. Ze zijn banger voor keizer en de dood dan voor God.

Dat zegt natuurlijk ook iets over hun godsbeeld, hun geloof. Als ze God zouden zien als een superkeizer, als een hogere macht met een sterker leger of een groter zwaard, zouden ze banger voor God zijn dan voor de keizer. Maar het ligt bij hen kennelijk andersom, al protesteert hun geweten. Dat protest geeft ondertussen aan dat ze ergens geloven, dat Gods macht zich niet zo laat gelden als de macht van de keizer, en dat macht die zich wel zo laat gelden, ook al is die keizerlijk, zich moet verantwoorden voor God.

Precies op dit punt raakt Jezus hogepriester én romein. De romein beseft: als Jezus een koning is en van God komt, laat hij zien wat de heer van alle heren en koning van alle koningen wil. God of goden gaan altijd nog boven mensen. En de hogepriester beseft: als Jezus de Gezalfde is, de koning naar Gods hart zoals aangekondigd in de geschiedenis van Israël, dan laat Jezus zien hoe God heer is, en heer over het hele leven van mensen, over het religieuze én politieke leven. Hogepriester en stadhouder staan voor een keuze. Kiezen zij voor God en zijn gezalfde, of voor de keizer? (In feite staat zelfs de keizer voor deze keuze. Tenzij hij zichzelf beschouwt als god of zijn gezalfde.)

 

Het verloop van het proces tegen Jezus maakt duidelijk dat bij deze religieuze en politieke leiders het besef van God nauwelijks de kans krijgt om door te breken. En hoe begrijpelijk, gezien de situatie waarin zij staan en de overtuigingen die zij hebben. Schrijnender is, dat dit besef ook niet kan doorbreken bij Jezus’ eigen volgelingen – en eigenlijk om dezelfde reden. Johannes laat dit zien bij éen discipel in het bijzonder, de voornaamste: Petrus. Volgens Petrus is Jezus de gezalfde koning van Israël. Jezus is de Zoon van de Allerhoogste! Maar als een portierster hem aanwijst als een volgeling van Jezus, ontkent Petrus. Tot driemaal toe.

Als u afgelopen zondag hier was, of de dienst van toen gezien hebt, herinnert u zich vast nog hoe Jezus in Getsemane zijn leven voor dat van Petrus gaf. Nu blijkt Petrus beslist niet in staat om zijn leven voor Jezus te geven. Ook Petrus kan niet publiek erkennen dat God en zijn Gezalfde heer zijn over het hele leven, over het religieuze én politieke leven. Petrus gelóoft dit wel, en daarin onderscheidt hij zich van Pilatus en de hogepriester. Maar hij vindt niet de moed om ervoor uit te komen als dat zijn eigen vlees en bloed in gevaar brengt. Ook hij zit in dezelfde tang als zij. Ook over hem heeft het zwaard, en daarmee de dood, de grootste macht. Die is sterker dan zijn loyaliteit aan de Heer.

 

Ik moet even een stapje terug doen. Want voor velen van ons blijft dit hele verhaal op grote afstand staan, wij leven immers met een nog sterkere scheiding van religie en politiek dan de romeinen en joden in Jezus’ tijd. Voor ons gevoel gaat het in het verhoor van Jezus om éen groot misverstand. En wijst Jezus zelf daar niet al op? Hij zegt tegenover Pilatus weliswaar dat hij een koning is, maar hij zegt erbij: ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’. Zie je wel, koning Jezus concurreert helemaal niet met de heerschappij van Pilatus of de keizer in Rome. Het geloof in Christus ligt op een ander vlak. Zijn koninkrijk is in de hemel, of in ons hart. Dáar is hij koning.

Maar zo horen we niet goed wat Jezus tot Pilatus zegt. Hij zegt dat zijn koninkrijk niet ‘van deze wereld’ is. Dat wil zeggen: zijn rijk komt niet op zoals koninkrijken in deze wereld meestal opkomen: door mensen die aan de macht komen (vaak met behulp van wapens). Jezus’ koninkrijk komt niet op uit mensen, het komt uit God. Maar God wil zijn koninkrijk wel op aarde oprichten. Hij is inderdaad de allerhoogste, de heer van alle heren, maar deze Heer verlangt dat zijn wil die in de hemel gedaan wordt, ook op aarde gedaan wordt. Dat heeft Hij in de geschiedenis van Israël voorbereid. Dat komt Jezus doen. Als Gezalfde krijgt hij van God alle macht, niet alleen in de hemel, maar ook op aarde (zie bv Joh 3:35, vlg. Mat 28:18 en Dan 7:14). Daarom zal de hogepriester, en de stadhouder, en zelfs de keizer aan hem verantwoording moeten afleggen.

Wie goed kijkt en luistert merkt dat Jezus hier ook op wijst. We hoorden het al, Jezus zegt tot Pilatus: Alle macht die u over mij hebt is u van boven gegeven. Pilatus is geraakt, maar komt er toch niet toe om Jezus vrij te laten omdat de joden hem eraan herinneren dat er nog een andere macht boven hem staat: de keizer. Wel, daar ligt dan dé vraag: Vrees je de keizer meer dan God, of omgekeerd?

Hoe bijzonder: Jezus zegt niet dat macht op zich verkeerd is. Hij zegt ook niet dat de macht van een overheid die orde bewaakt en ‘het zwaard draagt’ op zich verkeerd is. Maar hij zelf is tegenover Pilatus de levende vraag of deze bestuurder zijn macht goed gebruikt. Dat er een regering is met de rechterlijke macht om een crimineel als Barabbas te veroordelen, wordt door Jezus niet aangevochten. ‘U hebt uw macht gekregen’. Sterker nog, Jezus laat Pilatus zijn macht houden ook als deze op het punt staat die macht verkeerd te gebruiken en Jezus zelf daarvan het slachtoffer wordt.

Eigenlijk is het dus Pilatus die voor Jezus staat. Jezus houdt hem de waarheid voor. Wie is hier heer, God of jij? Jij mag het zwaard dragen, maar mag je een onschuldige veroordelen? Je wéet het antwoord op die vragen. Als ik jou met jouw middelen zou beoordelen, zouden mijn volgelingen nu met zwaarden deze rechtszaal binnenkomen. Maar zo oefent de Heer van hemel en aarde geen macht uit. Hij laat u nog in uw ambt, en geeft u nog tijd om u te bekeren. Dus wat doe je, Pilatus?

Dat zegt Jezus tegen alle regeringsleiders op aarde. Zie de mens die voor je staat; die op elke Goede Vrijdag in duizenden kerken over de hele wereld voor jullie staat. Zien jullie niet wat hij aan het doen is? Hij is bezig jullie te redden.

 

 

Orgelspel & Stilte

Drempelgebed

Groet:  V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.      daarna gaan allen zitten

Gebed om ontferming en verlichting

Lied: 662:1,2,3

Welkom en Inleidend woord

Bijbellezing: Johannes 18: 12-19:37, afgewisseld met Lied 587:

Vs 1

Joh 18:12-27

Vs 2

Joh 18:28-40

Vs 3

Joh 19:1-16a

Vs 4

Joh 19:17-30

Vs 5

Joh 19:31-37

Vs 6

Joh 19:38-42

Vs 7

Overdenking

Lied: 575:5,6

Gebeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Slotlied: 98:1,4                allen gaan staan

Wegzending & Zegen

 

Drempelgebed

Leer ons, o Heer, uw lijden recht betrachten,

het is te groot voor ons, en komt zo pijnlijk dichtbij.

De verhalen over uw laatste dagen zijn als venstertjes

op het lot van heel de grote wereld

en de venstertjes zijn tegelijk spiegeltjes

op onze eigen kleine levens.

Heer, leer ons kijken,

ook al lijkt ze vertrouwd, of juist ver weg,

open onze ogen, open ons hart,

wees met ons dit uur,

hier en thuis.

 

Gebed om ontferming en verlichting = lied 662: 1,2,3 = openingslied.

Welkom en Inleidend woord

‘Heer, komt in deze tijd uw heerschappij?’ Was dat niet de hoop van Palmpasen? Jezus reed Jeruzalem binnen om daar op de troon te gaan zitten. Vanavond zullen we ervaren hoe het verdergegaan is. Ik hoop dat u na deze dienst zult zeggen: Jezus is op de troon gaan zitten. Langs de hele weg van lijden en sterven toont hij de koninklijke macht die God hem gegeven heeft, toont hij de macht van God zelf zoals Hij boven plaatselijke en wereldwijde machthebbers staat.

 

Gebeden

Diaken

Heer, de politieke arena is niet veel groter dan een huiskamer. Kleine persoonlijke fouten krijgen een nationale dramatiek. Hoe slordig kunnen wij mensen zijn. Hoe hard kunnen we daarop reageren. We hebben ambten waaraan een bepaalde macht verbonden is; maar hoe gemakkelijk gaan we ermee om, als we ze uitoefenen én als we willen afpakken bij fouten. Leer ons rechtdoen met liefde, Heer, zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

God, de wereld is klein, juist als het gaat om de allergrootste dingen. Bij de terechtstelling van Jezus zijn mensen va de laagste tot in de hoogste kring betrokken via persoonlijke, ‘toevallige’ contacten. Petrus slaat het oor af van de dienaar van de hogepriester, een familielid van deze dienaar herkent Petrus in het gerechtsgebouw waar Jezus verhoord wordt, Petrus is daar dankzij een medediscipel die een bekende is van de hogepriester. God, de wereld is klein, de wereld is uw wereld, U weeft in het web van contacten, om ons te raken, om ons te confronteren – leer ons uw vingerwijzingen zien! Zo bidden wij U allen…

God, is dit niet de vraag van vanavond aan ons: Wat heeft over ons de grootste macht? Wij leven niet in een bezet land, we willen niemand om het leven brengen, maar ook wij lijken vooral beducht te zijn voor de dood, de fysieke dood. Staat in bijna al onze keuzes in het afgelopen jaar het vermijden van de dood niet bovenaan? Heeft dat niet de voorrang gekregen boven alle andere dingen, boven onze sociale en spirituele behoeften, boven ons vertrouwen op U? Waar zijn we het meest bang voor? Heer, leer ons kijken naar onszelf, red ons, leid ons uit naar een leven waarin we met elkaar niet alleen fysiek maar ook geestelijk veilig zijn. Zo bidden wij U allen tezamen…

 

We verlaten de kerk in stilte

 

——————————————————————————————————

 

1 Palmstok en wapenstok                                             (Palmpasen)

 

Twee groepen mensen met vlaggen en stokken die Jezus komen binnenhalen. De ene groep is groot, komt overdag, er wordt gezongen; de andere is kleiner, komt in de nacht, er wordt gejoeld. Een optocht en een schaduwoptocht. Beide optochten hebben een sterk politieke lading. De koning van Israël wordt binnengehaald. Sommigen zijn daar heel blij mee, anderen allesbehalve.

De eerste optocht is van mensen in Jeruzalem die horen dat Jezus komt. Op een ezel! Ieder kende de profetie dat de door God gezalfde leider op een ezel zou komen (Zach 9:9). Het is paasfeest in de stad, zij trekken ‘takken van de palmbomen en gingen hem tegemoet: “Hosanna, gezegend die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël”!’ (Joh 12:13).

De andere groep komt een paar dagen later, naar een tuin net buiten de stad. Op palmzondag houdt deze groep zich wijselijk stil. Als ze al die mensen horen zingen zeggen ze tegen elkaar: ‘Dit gaat de verkeerde kant op, kijk, de hele wereld loopt hem achterna’ (12:19). In deze groep zitten veel hogepriesters en schrift-geleerden. Zij herkennen de andere groep, want velen daarvan hoorden bij hen tot ook zij gingen geloven in Jezus als Messias toen hij zijn laatste wonder deed. Vlak bij Jeruzalem had hij een dode vriend, Lazarus, uit zijn graf geroepen.

Na dat wonder had deze tweede groep een zitting belegd van de hoge raad in Jeruzalem, het Sanhedrin. Ze hadden gezegd: ‘Wat doen we? Deze man verricht veel wonderen, nog even en iedereen gelooft in hem. Dan zullen de romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.’ De dienstdoende hogepriester van dat jaar, Kajafas, had toen de wijze woorden gesproken: ‘Is het niet beter dat éen mens sterft voor het volk dan dat het hele volk sterft?’ Johannes de evangelist, die een bekende is van de hogepriester, tekent hierbij aan: ‘Vanaf die dag waren ze  besloten om hem te doden’ (11:53). Jezus wijkt uit. Kort daarna laten de priesters en schrift-geleerden een bevel uitgaan, dat iedereen die Jezus op het paasfeest in de stad zal zien, hem moet aangeven bij de politie (11:57).

Johannes merkt nog op dat Kajafas’ woorden in feite profetisch waren. Jezus zou zo het joodse volk redden. Daar moeten we straks nog op terugkomen.

Eerst weer naar de enthousiaste groep Jeruzalemmers die Jezus met palmstokken onthalen. De opwekking van Lazarus had hen wat betreft Jezus uit Nazareth over de streep getrokken, hij moest het zijn, de Messias. Al veel eerder, toen Jezus een menigte mensen te eten had gegeven met een paar broden en vissen, hadden sommigen van hen hem al willen meevoeren en tot koning uitroepen (6:25). En toen hij later op het Loofhuttenfeest in de stad was – incognito, omdat de joden hem toen al wilden doden (7:2,10), maar hij had zich toch in de tempel vertoond – hadden zij tegen elkaar gezegd (7:25): ‘Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En zie nu eens, hij staat in het openbaar te preken en niemand zegt er iets van! Zou de overheid inmiddels erkend hebben dat hij de Messias is?’

Wel, dat was bepaald niet het geval. Jezus was nog steeds persona non grata in Jeruzalem. De leiding daar had hem al een keer willen arresteren (bv 7:32), maar dat had hij voorkomen door uit te wijken. Hij was al een paar keer de dans ontsprongen. Veel joden hadden aanstoot aan hem genomen en al geprobeerd hem zelfs te doden. Tot twee keer toe was hij bijna gestenigd (8:36, 10:31).

Jezus’ arrestatie kwam dus niet uit de lucht vallen. Er werd al langer over hem en zijn beweging gesproken en dat was niet alleen een religieus geladen, maar ook een politiek geladen thema. In feite was het dat vanaf het begin van zijn publieke optreden. De evangelist Johannes weet zich te herinneren dat Nathanaël – van wie Jezus had gezegd: waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is – had geantwoord (1:49): ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, de koning van Israël’. Nathanaël zal vast met een palmtak langs de weg gestaan hebben. Maar oppositie was er ook vanaf het begin. Dat begon al op het allereerste feest in Jeruzalem dat Jezus bijwoonde. Zoals elk feest was dat op een sabbat. Jezus genas toen een man. En toen hij deze ontheiliging van de rustdag toelichtte sprak hij daarover alsof hij de heer van de sabbat was, God zelf – hij, een mens! (5:18, vgl. 10:33 en 19:7).

 

Misschien is dit alles voor ons tamelijk nieuw, bijvoorbeeld omdat we denken dat het met Jezus allemaal goed ging tot die laatste fatale week. Hij had overal goede woorden gesproken en goede daden gedaan, hij had mensen getroost, gevoed, genezen – totdat het tij keerde, om onbegrijpelijke redenen. Dat dit onbegrijpelijk is heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat wij in het Westen al langer in een situatie leven waarin iemand om religieuze overtuigingen niet vervolgd kan worden, én al langer lijken te geloven dat Jezus een religieuze, niet een politieke leider is.

Maar dit is niet het beeld dat in het Johannesevangelie naar voren komt. Jezus werd vanaf het begin van zijn optreden op religieus en politiek terrein gevolgd en vervolgd. En begrijpelijk, want hij zei tamelijk schokkende dingen – het is eigenlijk merkwaardig dat wij daarover niet meer geschokt zijn. Jezus sprak soms zoals de Heer in het Oude Testament tot Israël sprak: Ik ben de goede herder, ik ben het licht der wereld (Joh 10 vgl. Ps 23, Joh 8:12 vgl. Ex 13:20, Jes 60:19).

Jezus had zich steeds aan de greep van zijn vervolgers onttrokken want het was nog niet zijn tijd, zei hij (7:30 en 44, 8:20). Als de grond in Juda te heet onder de voeten werd, trok hij zich terug in Galilea of in de woestijn. Maar nu is het zijn tijd, nu stapt hij naar voren. En ook nu doet hij dat met de allure van de Heer uit het Oude Testament. Tegen de groep met wapenstokken en fakkels zegt hij: ‘Wie zoeken jullie?’ ‘Jezus uit Nazareth’. Ik ben, antwoordde hij, twee keer. Het had hen met ontzag geslagen, ze vielen om. Zo noemde God zich tegenover Mozes op de Sinaï: IK BEN (Ex 3:14).

Dan komt Jezus’ meest verrassende zet. Zoals hij zich in de stad laat onthalen door de palmstokken, zo laat hij zich in de tuin arresteren door de wapenstokken. Hij is duidelijk heer en meester van de situatie. Maar waarom laat hij zich arresteren? Johannes zegt dat Jezus dit doet om een eigen woord in vervulling te laten gaan. Hij had het eerder opgemerkt, tot driemaal toe zelfs (6:39, 10:28, 17:12): van de mensen die zijn Vader aan hem heeft toevertrouwd, zal hij niemand verloren laten gaan. Jezus gaat doen wat hij beloofd heeft en voert zo de wil van God uit.

 

Opmerkelijk, deze woorden bij de situatie daar in de tuin! In onze christelijke traditie is in die woorden van Jezus een diepe religieuze en theologische waarheid beluisterd. Jezus duidt er de eeuwige verkiezing van God mee aan. Hier spreekt hij als de Zoon die alle mensen redt die in hem geloven, en dit geloof krijgen ze van de Vader. Er zit veel waarheid in deze uitleg, en toch springt hij te snel over de eerste betekenis van Jezus’ woorden heen. Jezus laat geen van zijn vrienden verloren gaan, jazeker: allereerst in de concrete situatie, in de tuin.

Laten we even teruggaan naar het begin van het Johannesevangelie. In Jezus, zo lezen we daar, is het Woord van God, dat bij God was en God was, vlees geworden, om onder ons te wonen. God heeft ons bestaan gedeeld tot in onze fysieke condities! Maar daar horen ook sociaal-politieke condities bij. En als Hij daarin met ons is en de reddende hand uitsteekt, is de eerste betekenis van Jezus’ arrestatie, dat hij zijn discipelen daar redt, in die concrete benarde situatie. Hoe laat Jezus hen die aan hem zijn toevertrouwd niet verloren gaan? Wel, dat zal allereerst daar moeten blijken, uit wat hij in die situatie gaat doen. Dat is oudtestamentische én nieuwtestamentische overtuiging. God redt, de Heer springt voor de zijnen in. Hij redt zijn mensen in nood. Zoals eertijds Israël toen het in Egypte was. Of zoals Petrus, later, toen hij in de gevangenis kwam te zitten, of Paulus toen hij bijna gestenigd werd. Verlossing gaat verder dan bevrijding uit nood, maar begint wel als bevrijding uit nood. Jezus’ lijden is nodig om anderen te redden, dat geloven we – en ja, hij zal zich hier moeten laten arresteren om zijn discipelen vrijuit te laten gaan. Hier begint de plaatsvervanging, letterlijk: hij gepakt in hun plaats. Hier in de tuin van Getsemane wordt het woord van verlossing vlees en bloed.

Laten we nog een keer teruggaan en horen wat Jezus eerder heeft. ‘Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen’ (10:11). Als er wolven komen om zijn schapen te grijpen, springt deze herder ertussen. Dat is precies wat er gebeurt in de tuin van Getsemane. Daar zijn de wolven, met fakkels en wapenstokken, met Judas en Malchus, de dienaar van de hogepriester die Johannes kent. –Tijdens zijn laatste maaltijd heeft Jezus gezegd: ‘Niemand heeft groter liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden’ (15:13). Nu is het moment daar dat deze woorden waargemaakt worden. Jezus’ leven voor het leven van zijn vrienden. ‘Laat hen gaan, jullie zoeken mij, toch?’

Maar, zult u denken, is dan in die tuin ook het leven van de vrienden in gevaar? Heel waarschijnlijk wel. De discipelen zijn Jezus’ trouwste volgelingen, de kern van het volk dat hem als koning onthaalt. Bovendien, dat de joodse leiders dit opmerken maakt tenslotte niet zoveel uit, het gaat erom wat de romeinen zullen doen als zij het opmerken. Iedereen die iets van de romeinen weet, weet ook hoe zij handelden in de gebieden die zij als provincies van hun rijk beschouwden. Als een volk iemand uitroept tot koning – als het volk Jezus toezingt als koning van Israël, zoals de eerste groep mensen op Palmpasen doet – zullen de romeinen ingrijpen en zonder pardon niet alleen Jezus, en zijn leerlingen, maar ook veel van zijn aanhangers onder het volk doden. Kajafas is heel realistisch. Er moet een schaduwoptocht komen om dit vreselijke gevaar af te wenden. En wat Jezus zei was dus letterlijk waar. Het leven van de discipelen was in groot gevaar. Jezus bood zijn leven voor dat van zijn volgelingen. Anders waren ze allemaal gepakt.

Deze dreiging komt wordt nog sterker – komt letterlijk op het scherp van de snede te staan – als éen van de discipelen een zwaard grijpt en de tempelpolitie aanvalt om de arrestatie te voorkomen. Petrus slaat Malchus het oor af. Jezus neemt onmiddellijk afstand van deze actie. Johannes vertelt niet dat hij Malchus geneest, maar laat wel doorklinken dat Jezus hiermee Petrus redt. Zonder deze bestraffing was Petrus óok gearresteerd en heel waarschijnlijk geëxecuteerd. Of erger: hadden de soldaten ook hun zwaarden getrokken en was het een bloedbad geworden.

Niemand heeft een groter liefde dan wie zijn leven geeft voor zijn vrienden, zei Jezus. In de tuin van Getsemane zien we deze liefde in actie. Zijn leven voor hun leven. Zo redt hij zijn volgelingen, en een groot aantal volksgenoten die ook door de romeinen gedood waren als er rellen waren uitgebroken. De finale is begonnen. Jezus gaat naar de plek waar hij zijn sterkste daad van liefde toont. Een liefde die bereid is het eigen leven te geven om dat van anderen te redden. De goede boodschap van vandaag is, dat dit allereerst letterlijk waar is.

 

 

Orgelspel & Stilte

Bemoediging                       allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Openingslied 435: 1,4

Groet: V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.            daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed voor de nood van de wereld

Lied: 550: 1,3

Moment met de kinderen (de Palmstokkentocht begint)

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Johannes 18: 1 t/m 14

Lied: 118: 3,4

Uitleg en verkondiging

Lied: 441: 1,2

Gebeden, Stil gebed, Onze Vader
Gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 871: 1,3,4              allen gaan staan

Wegzending & Zegen

Drempelgebed (= psalm 24: 3-4,7-8)

Wie mag Uw tempel binnentreden,

wie in Uw heilige tegenwoordigheid staan?

Wie reine handen heeft en een zuiver hart,

wie zich niet inlaat met leugens

en niet nalaat wat hij of zij belooft.

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,

maak uzelf ruimer, oude ingang:

de koning vol majesteit wil binnengaan.

Wie is de koning vol majesteit?

De HEER, die alle macht overwint.

 

Welkom en Inleidende woorden

Welkom iedereen, thuis in de huiskamer en hier in de kerk. We staan aan het begin van de Goede Week. We vervolgen de lezingen in het Johannesevangelie zoals die door het kinderproject Het spoor van liefde uitgekozen zijn. Dat brengt ons bij een heel ongewone tekst voor deze zondag. We lezen over Jezus’ arrestatie, en dat op Palmpasen. Of is er tussen deze twee dingen toch meer verband dan op het eerste gezicht lijkt?

 

Gebed om ontferming

God, we menen als christenen een goede boodschap te hebben voor alle mensen. Toch komt die niet bij alle mensen goed over, en dat is al zo in de evangeliën zelf. Overal waar Jezus optreedt raken mensen verdeeld. Sommigen gaan geloven, anderen gaan zich ergeren. Sommigen laten zich raken, anderen wapenen zich. Er ontstaan twee groepen, en de verdeeldheid lost niet op als ze Jezus beter leren kennen, de verdeeldheid wordt dieper. Tenslotte wordt het hoogtepunt van zijn optreden ook het dieptepunt. Hosanna – kruisig hem.

God, waarom zijn wij mensen zo tegenstrijdig in onze reacties? Leer ons naar onszelf kijken. Zie de nood in onze wereld en in onze kerk vandaag de dag: over welk onderwerp we met elkaar moeten beslissen, de meningen zijn verdeeld, in het groot en in het klein, van parlement tot kerkenraad. En hoe groter de belangen die op het spel staan, hoe sterker de verdeeldheid. Bijvoorbeeld als het gaat over de gevolgen van onze welvaart, of het inperken van onze vrijheid.

Vandaag, op Palmzondag willen we U deze nood voorleggen. Zonne der gerechtigheid, ga ons op in deze tijd / zie Heer de verdeeldheid aan, die geen mens ooit helen kan. Breng o herder in Gods naam, uw verstrooide kudde saam. Erbarm u, Heer! Zo bidden wij U allen tezamen…

 

Moment met de kinderen

Wilma legt de symboliek van de palmstok uit, die zaterdagmiddag door de kinderen gemaakt is. Van deze activiteit wordt een filmpje vertoond.

Daarna laat ik nog een stok zien, een wapenstok. En loop met Niek over de voetstappen door de kerkzaal naar het tweede filmpje van het kinderproject. Dat vertelt dat in andere landen mensen vervolgd worden vanwege hun geloof – zoals Jezus door de politie opgepakt is.

 

Gebed bij opening Bijbel

Heilige Geest, hoe moeilijk is het om de Bijbel onbevangen te lezen. We hebben al zoveel uitleg gehoord, die we wel of juist niet terug willen vinden in wat we lezen. Als we de Bijbeltekst voorrang geven, moeten we dat loslaten, maar ook dan zijn we geneigd om het langst vast te houden wat ons het best past. En dat zijn ideeën die soms een leven lang met ons meegegroeid zijn. Hoe ouder we worden, hoe sterker deze neiging, en hoe begrijpelijk ook. Help ons, Heer, onbevangen te luisteren, geef licht in ons nadenken, hou de Bijbel dicht bij ons hart waar U ons raken wilt.

 

Gebeden

Diaken

Heer Jezus, u hebt uw vrienden gered door uw leven voor hen te geven. U hebt ze allemaal gered – behalve éen. Hij heeft u aan de tempelpolitie uitgeleverd. Hij was de discipel die het geld beheerde. Hij vond het verkwisting toen Maria vlak voor uw intocht in Jeruzalem uw voeten met kostbare olie zalfde. Heer, help ons! Ook de andere discipelen waren zwak. En hoe zijn wij? Geld ligt ook bij ons heel gevoelig. Wat vinden wij verkwisting? Wat vinden wij van uw leiderschap? We zullen u niet vervolgen, maar zullen wij u volgen? Houd ons vast, Heer, neem ons mee op uw weg, vooral de komende week, zo bidden wij U allen tezamen….

Predikant

God, help ons om het evangelie te verstaan. Jezus redt zijn vrienden zoals U, God, uw volk uit Egypte redde. We durven het haast niet te geloven dat hij Jezus inderdaad de Heer is, die allereerst redt uit fysieke nood, uit gevangenschap en dreigende dood. –Later redde U Israël ook uit Babel, maar toen had Israël ook schuld. Toen moest uw volk niet alleen van nood, maar ook van zonde bevrijd worden. God, help ons met Jezus mee te gaan op zijn weg, neem ons mee op de weg van het lam uit Exodus, en vervolgens op de weg van de knecht des Heren. Neem ons mee zoals Jezus Petrus meenam, die eerst gered werd, en later ook verlost. Die eerst zijn leven, dat hij boven alles liefhad maar dreigde te verliezen, dankzij Jezus kon behouden, en juist zo leerde om zijn leven te geven voor anderen, zoals Jezus voor hem had gedaan.

Heer Jezus, is ons leven niet het belangrijkste dat we hebben? En zien ook wij het niet als ons kostbaarste bezit, dat we zo lang mogelijk willen vasthouden? Of zien we het als het kostbaarste dat ons geschonken is en dat we in liefde kunnen geven, aan onze dierbaren in geloof aan U? Hoe gaan we hiermee om in coronatijd? Zijn we behoedzaam of eerder krampachtig als het gaat om levensbehoud? Help ons, Heer, om u te volgen in uw lijden, zo bidden wij U allen…

Stil gebed. Onze Vader