Voorbereiden op het leven dat komt (8): Johannes de Doper — roepend in de woestijn

Vanaf oktober ben ik een serie diensten begonnen over het thema ‘Voorbereiden op het leven dat komt’. Nu ons door corona opnieuw allerlei  beperkingen opgelegd zijn, zien we sterker dan ooit uit naar het leven met meer bewegingsvrijheid en zonder gevaar, waarin oude contacten vernieuwd kunnen worden. Dat leven komt!

In het kerkelijk jaar valt deze tijd samen met de zondagen van Voleinding en Advent, die ook stilstaan bij het leven dat komt. Het komt in dit leven, maar is niet tot dit leven beperkt. Voorbereiden op een beter leven is uiteindelijk voorbereiden op een waarlijk duurzaam leven. Met Epifanie kan de reeks voortgezet worden doordat daarin Johannes de Doper centraal gesteld is, ‘de wegbereider’ die de komst van het Koninkrijk aankondigt.

Hieronder vindt u de tekst van de preken uit deze reeks erediensten, steeds gevolgd door de bijbehorende liederen en gebeden. De meest recente preek staat bovenaan. Na enkele preken/diensten vindt u soms een overdenking of meditatie die ik in de afgelopen weken doordeweeks hield en die bij de zondagse dienst aansluiten. En soms enkele reacties die ik (meestal via mails) op de zondagse preek kreeg en die ik graag met u deel.

 

Voorbereiden op het leven dat komt (8): Johannes de DoperIn de woestijn

Het evangelie van Markus begint met de woorden: ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus..’ Dit begin is volgens Markus niet de geboorte in Bethlehem, maar de doop in de Jordaan. Niet Kerst, maar Epifanie. Markus heeft helemaal geen Kerstverhaal, zijn evangelie valt met de deur in huis. En die deur is Johannes de Doper. Wie is hij en wat betekent het dat zijn publieke optreden voorafgaat aan het publieke optreden van Jezus?

Markus noemt Johannes de stem van iemand die roept in de woestijn: ‘Maak de weg voor de Heer recht!’ (Mark 1:3). Voor velen van ons is dit een wat raadselachtige aanduiding. ‘Een roepende in de woestijn’ is bij ons iemand die roept, en waarschijnlijk ook iets belangrijks te zeggen heeft, maar nauwelijks gehoord wordt. Dat kan toch moeilijk van Johannes gezegd worden. Markus vertelt dat heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem naar hem uittrokken en zich door hem lieten dopen in de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden. Op zo’n gehoor zal menig prediker jaloers zijn.

 

Waarom roept Johannes in de woestijn? Is het niet veel logischer als hij in de straten van Judea of op het tempelplein in Jeruzalem zou prediken? Is het niet beter het evangelie naar de mensen toe te brengen? Johannes gaat niet naar de mensen toe, hij laat de mensen naar hem toe komen. Kom uit jullie woon- en werkplaatsen, kom de woestijn in, roept hij.

Wie de geografie van het land Israël kent, weet dat de rivier de Jordaan, voordat hij in de Dode Zee uitmondt, aan de woestijn van Judea grenst. Johannes kwam uit deze woestijn naar de Jordaan om te gaan dopen. Bij Jezus ging het andersom. Na zijn doop door Johannes trekt hij de woestijn in, om veertig dagen verzocht te worden. Johannes is opgegroeid in de woestijn (Luk 1:80), hij moet van jongs af aan geleerd hebben om tegen verzoekingen nee te zeggen. Nu hij anderen de woestijn in roept, is dat zeker om ook hen te leren nee-zeggen. En dat is nodig om beter ja te kunnen zeggen.

Maar nee- en ja-zeggen tegen wat of wie? Wat is er in de woestijn te leren? Dat wordt duidelijk als we beseffen, dat de typering van Johannes als ‘de stem van éen die roept in de woestijn’ in feite een uitdrukking van de profeet Jesaja is. Jesaja kondigt daarmee het einde van Israëls ballingschap aan. God zal zijn volk opnieuw bevrijden, Hij zal het laten uittrekken uit Babel naar het beloofde land. Een tweede exodus gaat van start! Net als bij de eerste uittocht gaat de weg door de woestijn. De weg uit een leven van beperking en beknelling, uit een leven onder vreemde regels, gaat eerst door een tijd van ontbering, van beproeving heen, een tijd waarin mensen Gods wil, Gods leefregels moeten leren.

Maar waarom na Egypte niet meteen naar het beloofde land, waarom eerst langs de Sinaï? Waarom na Babel niet meteen terug naar Jeruzalem, waarom eerst weer door de woestijn? Omdat God het eerste wat Hij na de bevrijding te geven heeft, in de woestijn geeft. Water uit de rots, brood uit de hemel, leefregels voor onderweg. Voedsel voor het lichaam en voedsel voor de ziel, dagelijks ter beschikking gesteld door God. Het eren van deze gaven en hun ontvangst is nodig om straks in het beloofde land goed te kunnen blijven leven. Dat was na de eerste uittocht  misschien niet meteen duidelijk, maar na de tweede des te meer. Israël was in ballingschap geraakt omdat het in Jeruzalem was gaan leven als in Babel. Israël had de Thora geleidelijk losgelaten en was gaan leven als de andere volken. Terwijl het bedoeld was om een priesterlijk koninkrijk te zijn, een heilig volk, was het geleidelijk ‘heidens’ geworden. Uit dat leven moest het weggeroepen worden, terug naar God en zijn wil. Dáarvoor moest het eerst weer naar de woestijn geroepen worden.

Wanneer in het heilige land zelf onheilig geleefd wordt, wanneer Israël een Egypte of Babel wordt en dan gaat zuchten onder de gevolgen van zijn eigen wanbeheer, moeten de aankondiging van uittocht en bevrijding en de oproep om weer de woestijn in te gaan, ook aan Israël zelf gericht worden. Dat zien we bij sommige profeten ook gebeuren (zie bv Hos 2:16). In feite doet Johannes de Doper dat ook, hij roept mensen uit Judea en Jeruzalem om uit hun steden en huizen naar de woestijn te komen. Willen ze horen wat hij hen te zeggen heeft, zijn ze geprikkeld of zijn ze gewoon nieuwsgierig of voelen ze ergens hun schuld aan de misère waarin ze zich bevinden, dan moeten ze hun leven, hun dagelijkse drukte en bezigheden achter zich laten. Kom uit uw Egypte, ga weg uit de beknelling en knechting door anderen en door omstandigheden, God wil u bevrijden en iets nieuws beginnen. Kom de woestijn in en laat u wassen. En kom ook uit uw Babel, ga weg uit uw eigen manier van denken en leven voor zover die niet Gods zegen heeft, God wil met u iets beters opbouwen. Ga dat zien door eruit te stappen en er eens goed naar te kijken, kom in de woestijn en laat u wassen.

 

Johannes roept ons de woestijn in, maar wat zegt hij daar tot ons? Hij zegt iets dat verrassend eenvoudig is: de Heer komt. Johannes doet niet meer dan de komst aankondigen van hem die veel belangrijker is dan hij. Ook daarin doet hij wat Jesaja profeteerde (Jes 40:10). Daarbij is opmerkelijk dat Johannes de Doper de Heer niet meteen als verlosser ziet komen, als iemand die de obstakels wegneemt. Johannes zegt: De Heer komt, maak de weg voor hem vrij! Het wegnemen van de obstakels wordt bij ons neergelegd.

Waarom is dat zo belangrijk, wat gebeurt er als we de obstakels niet wegnemen? Dan zijn er twee mogelijkheden en beide zijn niet goed. Dan zou de Heer toch niet kunnen komen, en zou Hij dus in ons leven en samenleven op afstand blijven. Of, wat meer in de lijn van Johannes’ prediking ligt, Hij komt toch, maar loopt dan tegen de obstakels op. Dat wordt dan een pijnlijke confrontatie, een oordeel en een afwijzing. Dit laatste laat Johannes stevig doorklinken. ‘De bijl ligt aan de wortels. Hij die komt zal kaf van koren scheiden. Zijn jullie daar niet bang voor?’

Duidelijk is dat de Heer pas echt bij ons is als alle obstakels weg zijn. De Heer komt, Johannes spreekt over de nabije toekomst, maar dat is niet zomaar een toekomst. God komt, en met Hem komt het laatste leven dat ons mensen gegeven wordt. Uiteindelijk is er geen ander goed leven dan een leven met God. En God komt tot ons in dit leven, Hij komt vroeg of laat voor ieder volk, voor ieder mens, op z’n laatst aan het einde van ons leven. Bereiden we ons daarop voor? Kunnen en willen we leven met de Heilige, de Algoede in ons midden? Hij komt, het Koninkrijk komt. Op dat leven moeten we ons voorbereiden, en ook dat kunnen we alleen in dit leven.

Als de Heer komt, en wij de obstakels voor een leven met Hem willen wegnemen, wat kunnen wij daar dan aan doen? Johannes zegt: we kunnen gaan inzien waar we verkeerd bezig zijn, waar we de komst van het Koninkrijk in de weg staan, in ons persoonlijke leven en in ons leven-met-elkaar. We kunnen gaan willen dat de obstakels weggenomen worden, we kunnen ons laten dopen. Dat is de doop met water, de doop door Johannes. Die doop wordt pas krachtig en levend en vervullend als daar de doop met de Heilige Geest bijkomt. Met die doop kan Johannes ons niet dopen. Dat zegt hij zelf. Met de doop van de Geest kan alleen Jezus ons dopen. Deze twee dopen vallen dus niet samen; maar als we ons serieus laten dopen met water en dat trouw blijven, zal vroeg of laat de doop met de Geest komen. De doop met water bereidt ons voor op de doop met de Geest.

 

Al bijna een jaar zijn wij beperkt in onze bewegingsvrijheid, in onze contactmogelijkheden, in veel van onze werkzaamheden. Dat is een deel van ons Egypte of Babel. Allerlei beperkingen zijn ons opgelegd, en nu het einde in zicht lijkt, lijken ze zich nog sterker voelbaar te maken – wie wil er niet vanaf! Denkend aan Johannes en zijn oproep, zal het niet Gods zegen hebben als we zo snel mogelijk van alle beperkingen af willen zijn en meteen terug gaan naar de oude omstandigheden. Het is niet goed de woestijn over te slaan en meteen terug te keren naar de vleespotten van Egypte, naar ons nieuwe leven in Babylon of zelfs naar ons oude leven in Jeruzalem. Ook wij hebben de tussenstap nodig. Denkend aan Johannes en zijn oproep, zal het ook niet Gods zegen hebben als we het evangelie te goedkoop, te vriendelijk maken. Dat gevaar is niet irreëel; dat gebeurt niet alleen gemakkelijk in een tijd van voorspoed, het gebeurt ook in tijden van tegenspoed zoals nu, als we vooral getroost willen worden. De Heer komt, en Hij komt met nieuwe zegen, met nieuwe gaven. Maar Johannes gaat aan Jezus vooraf; bekering – en dus besef van zonde – gaat aan de komst van een betere toekomst vooraf, en zeker aan de komst van de beste toekomst, een blijvend leven met Hem.

Laat ik nog wat concreter worden. Door de pandemie zijn we in onze samenleving op verschillende terreinen tegelijk geraakt, zozeer, dat veel is uitgevallen of stilgelegd. Hoe vervelend dat ook is, we moeten door die woestijn. Corona dwingt ons, nu al en straks, om op verschillende terreinen tegelijk te kiezen: wat, en hoe, willen we het een en ander weer opstarten? Amsterdam wil straks de toeristen weer met open armen ontvangen, maar niet langer de drugs-zoekers. Is dat niet geweldig, al zal het niet meevallen dit in de praktijk te brengen? Schiphol wil straks het vliegverkeer weer hervatten. Is het niet goed om een flink deel van de vliegtuigen aan de grond te houden? Alle restaurants en veel winkels moesten voor langere tijd dicht. Doen we ze straks allemaal weer open, of maken we keuzes, voor onszelf, en met elkaar, via de regering?

Er zijn gemakkelijk meer voorbeelden te geven. Maar daar wil ik graag u bij inschakelen. Vanmorgen wil ik de oproep van Johannes de Doper graag als vraag aan u meegeven. U en ik zitten straks, en misschien nu al, in ons stukje woestijn. Dat zal voor ieder van ons verschillend zijn; maar wat wilt u dan weer oppakken? wat zou ik anders willen doen? en wat maakt het uit of we daarbij echt aan de komst van de Heer denken?

 

LITURGIE

Orgelspel

Stilte

Bemoediging

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Lied: 213:1,4,5

Drempelgebed

Groet: V: De Heer zij met u,

G: Ook met u zij de Heer.

Welkom en Inleidend woord

Gebed om ontferming en verlichting

Lied: nr 2-3 uit Messiah van Händel

https://www.youtube.com/watch?v=3qCD4ONWXYQ

Bijbellezing: Markus 1: 1 t/m 8                

Lied: 456b:: 1,2,3,4

Uitleg en verkondiging

Lied: 158a: 1,2,3

Gebeden
Voorbeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 353

Zegen

Drempelgebed

Heer, we zijn over de drempel van een nieuw jaar,

we willen over de drempel van uw huis gaan,

om naar te luisteren naar oude stemmen

die van uw komst getuigen.

Geef dat we in het nieuwe jaar zien

welke kansen en gevaren zich aandienen:

kansen om het Koninkrijk meer nabij te brengen,

gevaren die het verder van ons af brengen.

Leer ons die kansen aangrijpen en

Die gevaren weren, Heer,

help ons over de drempel,

in Jezus’ naam,

amen.

 

Groet, Coronakaarsen aansteken

Welkom, Inleidend woord, Moment voor kinderen en volwassenen

U allen thuis en hier, gemeenteleden en gasten die meekijken en meeluisteren, welkom! Nog veel heil en zegen in het nieuwe jaar. Laten we hopen dat het een beter jaar wordt dan vorig jaar!

Op deze zondag aan het begin van het nieuwe jaar vieren we in alle kerken Epifanie, en staat traditioneel de doop van Jezus door Johannes centraal. Hier heb ik een beeldje van Johannes de Doper. Het komt uit de derde grote familie binnen de christelijke kerk.

Eén familie kennen we allemaal, dat zijn de protestantse kerken, dat is van de oude, grote families de jongste. De tweede familie kennen de meesten van ons ook, dat is de rooms-katholieke kerk. Maar de derde, die in feite de oudste christelijke familie is, kennen we minder: dat zijn de Oosters-orthodoxe kerken. Die heb je vooral in Rusland, Griekenland en Libanon. In de Oosters-orthodoxe kerken neemt Johannes de Doper een belangrijke plaats in. Daar wordt hij vaak zo afgebeeld – kijk, misschien ook leuk voor kinderen, als jullie kijken: dit is Johannes, hij ziet er wat gek uit.

Johannes heeft lang haar (dat mocht niet geknipt worden, net als bij Simson), hij heeft een jas van kamelenhaar (die bijna als een vacht om hem heen zit) en hij houdt zich aan een bijzonder dieet (sprinkhanen).

Over Johannes de Doper gaat het vandaag in de dienst. Wie was hij, en waarom is hij zo belangrijk? Kinderkaars aansteken

 

Gebed om ontferming en verlichting

God, er is veel in de wereld dat ons bezighoudt. De dramatische ontwikkeling rond het af- en aantreden van de president van de Verenigde Staten. Het begin van de vaccinaties in ons land. De verspreiding van een nieuwe variant van het virus, en de nood van Engeland. De extreme verschillen in temperatuur over Europa. Zo veel om zorgen over te maken, zoveel gemengde gevoelens, ook als we ons afvragen hoe U hierin staat. Heer, houdt uw wereld in uw handen, waar zij naar ons gevoel uit de hand begint te lopen. Geef ons houvast in Bijbelverhalen, in wat U via hen tot ons wil zeggen. Geef dat deze verhalen weer gaan spreken tot ons hart, gaan zingen in onze ziel. Dat vragen we U,

De eerste tekst die we nu gaan horen is een tekst uit het Oude Testament die door alle vier de evangelisten geciteerd wordt als zij Johannes de Doper typeren. We horen de tekst in de muzikale toonzetting uit de Messiah van Händel. U kunt de muziek beluisteren door op de link te klikken die onder aan de streaming op www.kerkdienstgemist.nl in beeld verschijnt.

 

We gedenken mw. Beers

Op kerstdag is overleden Catharina Beers in de leeftijd van 93 jaar. Ze leefde het laatste anderhalve jaar in de Gooise Warande. Weinig gemeenteleden zullen haar gekend hebben, ze kwam daar niet in de middagdiensten. Ze was jong getrouwd met dhr. Leijnse, maar het huwelijk eindigde na zestien jaar. Ze hield afstand tot de kerk, maar was ook wel nieuwsgierig, ze wilde dat de dominee een keer kwam. Ik heb haar leren kennen als een dame met een zekere aristocratie en een kritische geest. We spraken over Indonesië, en over de Hervormde Kerk waarin ze nog belijdenis heeft gedaan. Ze wilde dat ik nog een keer terugkwam, maar daar stak corona een stokje voor. Laten we mw. Beers gedenken met een moment stilte bij het licht van de paaskaars.

 

Gebeden

Heer, ook materieel dwingt corona ons tot ingrijpende keuzes. Wat en wie gaan we steunen, wat willen we overeind houden of opnieuw opstarten? De portemonnee van de kerk is niet zo groot, maar ook de kerk krijgt deze vraag. Daarom bidden wij U met name voor de diaconieën van de kerken, geef hen wijsheid en moed, God, zo bidden wij U tezamen…

God, het virus is lang buiten onze gemeente gebleven, maar nu niet meer. Voor Kerst is een gemeentelid aan corona overleden, na Kerst zijn er hier of daar besmettingen. Het is extra sneu als dat iemand treft die in de verpleging werkt, die zich inzet om andere zieken, misschien ook coronapatiënten, te genezen. We bidden U voor Lydia Vermunt die een milde vorm van corona heeft; geef haar kracht en geduld, ook om in huis afstand te bewaren. We bidden U voor de gezinnen die geen zieken hebben maar wel onder druk van de coronamaatregelen staan; zegen hen, Heer. We bidden U voor allen die werken in verzorg-, verpleeg- en ziekenhuizen. Ze zijn al oververmoeid en de derde golf is langer dan de eerste en tweede en is nog maar amper op zijn hoogtepunt. Wees in het bijzonder met hen, zo bidden wij allen tezamen…

Hoor ons bidden of stil zijn in de stilte…[…] Onze Vader

 

Wegzending en zegen

Voor ik u de zegen mag geven, wil ik u de vraag van de preek nog een keer voorleggen en u uitnodigen daarop te reageren.

Als straks de coronabeperkingen geleidelijk opgeheven worden, wat wilt u dan weer oppakken in uw dagelijkse leven, wat zou u anders willen doen, en wat maakt het uit of u daarbij aan de komst van God en zijn Koninkrijk denkt?

Ik nodig u uit uw antwoorden naar mij te mailen. Ik zal er discreet mee omgaan, persoonlijke antwoorden zal ik alleen persoonlijk beantwoorden; maar misschien zijn er ook antwoorden bij die we met elkaar als gemeenteleden kunnen delen: die kan ik in een volgend Bericht uit de Pastorie plaatsen en zo aan u teruggeven..

De Heer zegene u en behoede u…

 

—————————————————————————————-

Voorbereiden op het leven dat komt (7): Kerst – Een bijzonder koningskind

Het kerstverhaal speelt zich af rondom de kribbe en op het veld, dat weet iedereen. Maar niet iedereen weet dat het kerstverhaal begint en eindigt in de tempel. Lukas begint het verhaal van Jezus’ geboorte met de aankondiging van de geboorte van Jezus’ neefje, Johannes, een aankondiging die plaatsvindt in de tempel, als zijn toekomstige vader Zacharias daar dienst heeft. En (u hebt het gehoord) meteen na Jezus’ geboorte vertelt Lukas dat Jozef en Maria naar de tempel gaan om zich te laten reinigen en Jezus daar op te dragen. Meteen daarop volgt het verhaal van Jezus als jongen in de tempel, waar hij in gesprek gaat met theologen en bijbelgeleerden.

Wie is dit kerstkind? Wat heeft hij met de tempel te maken? Bij het kerstkind denken wij spontaan aan een koningskind, een kind in het geslacht van koning David. Een koningskind dat dan weliswaar niet in het  paleis, maar in een stal geboren wordt. Maar Lukas lijkt vooral aan dat andere gebouw te denken dat in Jeruzalem naast het paleis stond: de tempel.

Het kerstverhaal lezen heeft iets van een detective. Een beetje in het voetspoor van Jozef en Maria die uit Nazareth naar Bethlehem moeten: ze worden teruggeleid naar hun afkomst. Waar liggen de wortels van het kind dat zij verwachten? De eerste clou was de tempel. Hier is een tweede clou die in dezelfde richting wijst, zij het wat onopvallender. Als het kind in de kribbe wordt gelegd, wordt het in een doek gewikkeld.

Waarschijnlijk krijgt de kleine Jezus een linnen doek om. Een linnen doek roept in de Bijbel bepaalde associaties op. Als Jozef en Maria wat later naar de tempel gaan om hun kind aan God op te dragen, volgen ze een voorschrift in de Thora: Elk eerstgeboren kind moet aan God worden gewijd. Dat doet denken aan het verhaal van Samuel, die door zijn moeder naar het godshuis werd gebracht en daar bij priester Eli opgroeide; van Samuel wordt verteld dat hij als jongen een linnen rok om zijn middel droeg (1Sam 2:18). Dat was het kleed dat priesters droegen. Deze Samuel zal later David tot koning zalven: David die liever een tempel voor God dan een paleis voor zichzelf bouwde, David die, toen hij de ark van het verbond naar Jeruzalem haalde, voor de ark uit danste ‘alleen gekleed in een linnen rok’ (2Sam 6:14). De door God gekozen koning over Israël gehuld in een priesterlijk kleed.

De tempel, het linnen doek of kleed, het ligt er bij Lukas niet dik op, het zijn hints. Maar ze zetten ons op een spoor. Dat spoor wordt onmiskenbaar duidelijker als we de allerlaatste tekst uit Lukas’ kerstverhaal lezen. Dat is een geslachtsregister. Niet geheel verrassend of onbegrijpelijk bij een geboorte, ook een beetje saai misschien, maar wel passend bij een tocht die van Nazareth naar Bethlehem voert: uit welke ouders is Jezus geboren, uit welk geslacht komt hij voort?

Lukas vertelt: ‘Jezus was, zoals algemeen aangenomen werd, de zoon van Jozef, die de zoon was van Eli, de zoon van Mattat, de zoon van Levi…’ Van Jozef heeft Lukas dan al verteld, dat hij uit het geslacht van David was. Het kind is in Bethlehem geboren omdat hij, Jozef zich moest laten inschrijven in de stad waar zijn familie vandaan kwam (2:4). Maar Lukas heeft dan ook al verteld, dat Maria niet zwanger is van Jozef, maar van de Heilige Geest (1:35). Dus die hele stamboom die van Jezus weergegeven wordt, en die van Jozef via allerlei voorvaders naar David terugvoert, en dan nog verder terug, naar Juda, en vandaar nóg verder terug – is niet het eigenlijke voorgeslacht van Jezus. Het is de aangetrouwde familie van zijn moeder.

Op zich is it niet zo schokkend als we bedenken dat in Israël aangetrouwde familie helemaal als familie gold. De band van trouw is minstens zo belangrijk, of belangrijker, dan de bloedband. Niettemin, Jozef is niet de biologische vader van Jezus, en Jezus stamt dus niet af van David, en Juda. Jezus is niet van koninklijke bloede. Hij heeft andere genen.

Wie is het kerstkind? Waar liggen zijn wortels? We hebben nu een eerste antwoord, zij het een negatief antwoord: wie hij niet is. Maar Lukas heeft nog een laatste spoor van kruimels, heel precies op hun plaats gelegd. Dat spoor begint bij iets waarover geen twijfel kan bestaan: Jezus is het kind van Maria. Hij is uit haar geboren. Hij is haar vlees en bloed. Maar wie is Maria, uit welke familie komt zij?

Als de engel Gabriël bij Maria de geboorte van haar kind aankondigt, zegt hij erbij: ‘Ook je verwante Elisabeth is zwanger van een zoon’ (1:36). Maria is bloedverwant van Elisabeth. Elisabeth is de vrouw van Zacharias, de priester die in de tempel dienst deed en die als eerste door Gabriël bezocht werd, in de tempel. Van Elisabeth zegt Lukas, bijna tussen neus en lippen door, dat zij afstamde van Aäron (1:5). Aäron was de eerste priester in Israël, toen het volk nog door de woestijn trok, toen er nog geen tempel was, maar alleen een tent als godshuis, de tabernakel. Aäron, en zijn broer Mozes en zijn zus Mirjam, zijn kinderen van ‘een man uit de stam van Levi’. Zo staat het aan het begin van Exodus (Ex 2:1, vgl. 6:18).

Dus wie is het kerstkind? De zoon van Maria. Maria die de nicht van Elisabeth is. Elisabeth die zelf niet uit de stam van Juda, maar uit de dochters van Aäron stamt. Aäron die uit de stam van Levi is. Levi die de zoon van vader Jacob is aan wie de eredienst in Israël was toevertrouwd, de stamvader van de priesters, die in de tempel dienden. Dus wie is het kerstkind? Jezus is een Leviet, geboren uit de stam van priesters, van tempeldienaars. Hij had recht op de troon van David niet dankzij bloedverwantschap, maar dankzij het huwelijk van Jozef met zijn moeder.

Jezus is dus een heel bijzonder koningskind. Een priesterlijke koning. En dat heeft hij van zijn moeder. Naar zijn aard en afkomst is hij meer priester dan koning. Dat komt er later ook uit. Als Jezus zijn intocht in Jeruzalem houdt, als hij daar als zoon van David verwelkomd wordt, gaat hij eerst naar de tempel, om die te reinigen. Daarna organiseert hij een maaltijd met zijn volgelingen waarbij hij een linnen doek om zijn middel doet om hen de voeten te wassen (Joh 13:4). Een priesterlijke koning.

Deze priesterlijke koning leert discipelen in zijn voetspoor te gaan. Dat zien we bv bij de belangrijkste discipel, Petrus, die er aanvankelijk niet van gediend was (‘u moet mijn voeten niet wassen’). Als het gevaarlijk wordt, doet Petrus liever wat koningen meestal deden: naar het zwaard grijpen. Maar later is hij veranderd. In de brief die op zijn naam staat, noemt hij de gemeenschap van christenen ‘een koninkrijk van priesters’ (1Pet 2:9, vgl. Openb 5:10).

Deze typering is geen uitvinding van Petrus. Hij heeft die afgelezen aan Jezus, die zelf daarmee teruggreep op het Oude Testament. In Exodus is het de typering die God zelf aan Israël gegeven heeft, aan het begin van zijn geschiedenis als volk (Ex 19:6): ‘Jullie zullen mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn’. Het volk dat God geroepen en gevormd heeft, is van begin af aan geroepen om te midden van de andere volken een priesterlijk koninkrijk te zijn: een groep mensen die – in hun organisaties, hun relaties van zeggenschap, en in hun generaties, hun familieleven – laten zien dat leiding geven allereerst dienend, verzoenend, zorgend is.

 

We vieren vandaag de verjaardag van een bijzonder koningskind. Van iemand die ons inspireert om bijzondere koningskinderen te zijn. En dat doen we in een bijzondere situatie, nu we allemaal meer of minder opgesloten zitten in onze huizen en uitzien naar het leven dat komt, dat na de coronatijd komt. Hoe ziet dat leven eruit, hoe willen we dan leven? Is onze oude en vertrouwde manier van omgaan met elkaar en de natuur niet die van koningen? van mensen die het voor het zeggen hebben, die voor minder rijken en minder bevoorrechten bepalen wat er gebeurt? die de schatten van de schepping verbruiken voor hun welvaart, hun luxe, hun vakanties? Is er niet een andere vorm van leiderschap mogelijk? Is die niet noodzakelijk als we onszelf in niet nog grotere problemen willen brengen?

Meer dan ooit is een priesterlijke koning nodig. Een volk van priesterlijke koningen. Dat is Kerst: God stelt een kind in ons midden en zegt: als u niet wordt als hij, zult u het Koninkrijk, een blijvende toekomst voor alle leven, niet binnengaan. Zie dit koningskind, hij is voor priester in de wieg gelegd. Om de eerste te zijn van velen die met hem zullen regeren, voor altijd.

 

LITURGIE

M.m.w. van Job Hubatka (bariton) en Ruud Ootes (trompettist)

Muziek Orgel en trompet

Lied vooraf: 468:1,2,4

Stilte

Bemoediging                                                                   allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Openingslied: 475:1,2,3

Drempelgebed gezongen (uit Händel, Messiah):

Recitatief – Jesaja 60:2-3
For behold, darkness shall cover the earth, and gross darkness the people, but the Lord shall arise upon thee, and His glory shall be seen upon thee. And the Gentiles shall come to thy light, and kings to the brightness of thy rising.Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.
Aria – Jesaja 9:1
The people that walked in darkness have seen a great light, and they that dwell in the land of the shadow of death, upon them hath the light shined.Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht.

Groet:

V: De Heer zij met u,

G: Ook met u zij de Heer.           daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Moment voor kinderen: filmpje

Gebed om ontferming en verlichting

Lied: 478: 1,2,4

Bijbellezing: Lukas 2: 1 t/m 24

21In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.

8Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer. 12Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ 13En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:14‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’15Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’

16Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. 18Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd.21Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.22Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, 23 zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.’ 24Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven.

Lied: Grosser Herr (J.S. Bach, Weinachtsoratorium):

Großer Herr und starker König,                Grote Heer en sterke Koning,

liebster Heiland, o wie wenig                    liefste Heiland, o hoe gering

achtest du der Erden Pracht!                    acht u de pracht van de aarde!

Der die ganze Welt erhält,                        Hij die de hele wereld onderhoudt,

ihre Pracht und Zier erschaffen                haar pracht en rijkdom heeft geschapen

muß in harten Krippen schlafen.               moet in een harde kribbe slapen.

Uitleg en verkondiging

Muziek orgel & trompet

Lied 511: 1,2,5

Gebeden
Voorbeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’.

Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 481: 1,2,3                                         allen gaan staan

Zegen

Muziek

1e collecte: Kinderen in de Knel
2e collecte: Plaatselijke  Gemeente

Gezegende Kerstdagen

 

TEKSTEN UIT DE LITURGIE

Welkom en inleidend woord

Hartelijk welkom in deze bijzondere kerstviering, u hier in de kerk en u allen thuis, gasten en gemeenteleden. Hier met de dienstdoende mensen voel ik me een beetje als de stam van de Levieten die in de tempel dienst deed terwijl de andere stammen buiten moesten blijven. Zij in plaats van hen, zij voor hen – ik hoop van harte dat u dat thuis ook zo voelt: dat wij u stem geven, dat u met ons meezingt, meebidt, meeluistert.

Moment voor kinderen

Ik steek eerst de twee kaarsen aan waarmee we denken aan allen die door corona getroffen zijn. Dan een bijzondere kaars. De vier adventskaarsen branden al, nu komt de laatste, vijfde adventskaars, de kerstkaars. Kerst neemt de fakkel over van advent, we vieren dat het verwachte kind vandaag geboren is. Daarom steek ik nu als kerstkaars de kinderkaars aan. Ook voor alle kinderen die meekijken naar deze dienst. –Voor jullie is er nu ook een filmpje, de laatste in de serie van de afgelopen weken.

Gebed om ontferming en verlichting

We danken U voor kerstfeest, Heer. We zullen het sterker ervaren en herinneren dan in andere jaren. Zegen het feest, ook als het niet zo feestelijk kan zijn als we zouden wensen. Weest u met ieder voor wie het juist moeilijker wordt, eenzamer. We bidden U in het bijzonder voor kinderen. Voor de kinderen op Lesbos; voor kinderen die mishandeld worden, thuis of in gescheiden gezinnen; voor kinderen die zich vervelen omdat ze wéer lange tijd niet naar school kunnen; voor kinderen die door corona psychisch in nood gekomen zijn.

We vragen uw zegen voor ieder die in de Bijbel leest. Juist nu met kerst. Al is het maar om de oude vertrouwde kerstverhalen nog eens te lezen. U spreekt tot mensen door deze verhalen; geef dat wij ons laten raken met oude en nieuwe ideeën, dat zij ons meenemen in de manier waarop U, onze Schepper, met ons omgaat. Geef dat we de Bijbeltekst laten uitspreken, anders horen we vooral wat we zelf graag willen horen. Wees met ons in deze dienst, Heer.

Gebeden

Diaken

God, schenk ons de moed om koningskinderen te zijn zoals het kind van Bethlehem dat is. De moed om minder te heersen en meer te dienen, om minder te nemen en meer te geven. Geef dat we uit de coronatijd mogen overhouden, dat we zuiniger zijn op relaties, zorgvuldiger en liefdevoller in aanraken, en dichter bij huis durven blijven. Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

God, U Allerhoogste, Heer van hemel en aarde, U wilde komen om uw koninkrijk onder ons op te richten en U kwam als priesterlijke koning. U kwam om een koninkrijk van priesters op te richten. Geef dat we vanuit deze goede boodschap om ons heen kijken, ook in onze samenleving. Zijn er geen tekenen die op dit koninkrijk wijzen? Misschien is dit een teken: dat de tijd voor het traditionele mannelijke leiderschap voorbij lijkt, de tijd van grote en kleine koningen, van leiders in fluwelen mantels en leiders in maatpakken. We bidden U voor vrouwen op leidinggevende posities. Zij hebben het moeilijk om niet de stijl van dominante mannen over te nemen, en moeilijk om in reactie niet in eigen gebreken te vervallen – help hen, Heer, wees met vrouwen in een leidinggevende rol. Zo bidden wij U allen tezamen…

We bidden U voor ons grote mensen met onze grote problemen, waar we vaak maar niet uitkomen, of alleen zo vreselijk langzaam, met eindeloze conflicten en compromissen, te langzaam om nog op tijd te zijn. Misschien dat dit alleen anders wordt als we een kind in ons midden zetten en dat consequent voor ogen houden, om dat een toekomst te geven, een toekomst die langer duurt dan tien of vijftig jaar. We bidden u voor al onze kinderen en kleinkinderen op aarde. Zo bidden wij…

 

 

Uit de reacties:

–Dat Jozef en Maria naar de tempel gingen, dat was toch om Jezus te laten besnijden? –Zo wordt het vaak wel op afbeeldingen of in films getoond, maar volgens Lukas was het niet om Jezus daar te laten besnijden. Dit laatste doet niet de priester, maar de vader, thuis, 8 dagen na de geboorte. Jozef en Maria gingen naar de tempel om hun eerste kind op te dragen, de moeder te laten reinigen, en een dankoffer te brengen. Dat gebeurde 33 dagen na de geboorte, zie Lev 12.

Besnijden, opdragen, reinigen, offeren, dat zijn gebruiken uit het oude Israël, uit de Thora die wij niet meer kennen, maar door Jozef en Maria als gelovige Israëlieten nageleefd werden. Paulus zou ze voorbeelden noemen van ‘Jezus Christus geboren uit een vrouw, geboren onder de wet’ (Gal 4:4) – we hebben daarbij stilgestaan in de derde Adventsdienst, die ook doopdienst was. Of die regels nu ethisch noodzakelijk waren (en dus nog steeds gelding hebben) of niet, hij vervulde ze.

–In het traditionele kerstverhaal bungelt Jozef er een beetje bij. Of is dat ook een vertekening? –Jozef heeft een belangrijke rol bij de geboorte van Jezus. Bij Mattheus speelt hij eigenlijk de hoofdrol. Zowel Lukas als Matteus noemen hem expliciet ‘zoon van David’ (Mat 1:20, Luk 1:27). Dat Jezus dus ook zoon van David genoemd mag worden (Mat 21:9, Luk 1:32, vgl. bv 18:38), dankt hij aan Jozef, en meer speciaal aan het feit dat Jozef zijn verloofde trouw blijft die niet van hem zwanger is. Dat Jozef met Maria trouwt maakt hem tot vader van Jezus.

Ook Matteus laat er geen twijfel over bestaan dat Jozef niet de biologische vader van Jezus is. Al bouwt hij zijn stamboom precies omgekeerd op – niet vanuit Jozef, maar naar Jozef toe – ook bij Matteus wordt op het beslissende moment een sprongetje gemaakt: ‘…werd Mattan de vader van Jakob, Jakob de vader van Jozef, de man van Maria, uit wie geboren werd Jezus, die Christus genoemd werd’ (1:16).

–Paulus zegt ergens dat Jezus ‘naar het vlees’ zoon van David was (Rom 1:3). Vergist Paulus zich? –Ik denk het niet. In deze tekst is ‘naar het vlees’ iets ruimer bedoeld dan ik het in mijn uitleg gebruikt heb. Paulus stelt ‘naar het vlees uit het geslacht van David’ naast ‘door de heilige Geest aangewezen als zoon van God’: met het eerste wil hij dus Jezus mens-zijn aanduiden. En tot een menselijk geslacht behoor je zowel via bloedverwantschap als via huwelijk.

–In het kerstverhaal vertelt Lukas meer over een tempel dan over een stal. Waar is Jezus eigenlijk geboren? –In feite vertelt Lukas nergens, dat Jezus in een stal geboren is. Hij zegt alleen dat er geen plaats was in de herberg en dat het kind in een kribbe, een voerbak werd gelegd. Of dat in een stal was, staat er niet. Matteus zegt hier nog minder over; hij spreekt alleen van ‘een huis’, waar de wijzen uit het Oosten hun geschenken brengen. Maar dat zou enige tijd na de geboorte kunnen zijn, misschien hadden Jozef en Maria toen een beter onderkomen gevonden. Of wat nog waarschijnlijker is: dat is gewoon het huis van Jozef zelf. Matteus vertelt niet dat hij met zijn aanstaande van Nazareth naar Bethlehem reisde, hij vertelt alleen dat hij na zijn terugkeer uit Egypte weer in Bethlehem wilde gaan wonen, maar zich toen vestigde in Nazareth om niet in handen van de zoon van koning Herodes te vallen (2:23). Matteus roept het beeld op van Jozef als afstammeling van David die gewoon in Bethlehem woonde. (Bij Lukas is er geen vlucht naar Egypte; Lukas vertelt dat Jozef en Maria na de opdracht van Jezus in de tempel terugkeerden naar Nazareth waar zij vandaan kwamen, 2:39.)

 

 

 

—————————————————————————————————–

Voorbereiden op het leven dat komt (6) Doop

Wat moet ik doen om gered te worden? Dat vraagt de cipier van Filippi, een stadje in het noorden van Griekenland. Gered, dat klinkt dramatisch. En dat is het voor deze gevangenisbewaker ook. Hij heeft zojuist een aardbeving meegemaakt. Een aardbeving geeft ook mentaal een schok – vraag maar aan de kinderen in Groningen die ineens de aarde voelden trillen. Gered, dat mag je het dus wel noemen als even letterlijk de grond onder je voeten dreigt weg te vallen en je het kunt navertellen. Of als die grond figuurlijk beeft, bv wanneer iemand uit je huis plotseling naar het ziekenhuis gebracht moet worden en daar snel verslechtert. Dan staat de dood ineens vlak voor je.

Maar niet alleen het lichaam wil gered worden. De gevangenisbewaker voelt nog een andere schok. Hij heeft de verantwoordelijkheid over gevangenen. Door de aardbeving zijn de tralies ontwricht en kunnen de gevangenen ontsnappen. Natuurlijk zijn ze ervandoor! Terwijl het zijn dure plicht is hen in de cel te houden. Voor dat werk heeft hij getekend. De cipier is een zeer gewetensvol man, hij neemt het zichzelf zo kwalijk, dat hij overweegt een einde aan zijn leven te maken. Ook van deze kant dreigt dus de dood. Kan de ziel gered worden? Behalve fysieke nood is er ook morele nood. Wat is nodig om jezelf weer onder ogen te kunnen komen wanneer je het besef hebt dat je vreselijk faalde?

En dan wij hier. Een moeder, een kind, een kleine en grotere kring van mensen rond een bakje water. Hoe ondramatisch kan het zijn? Gelukkig beeft de aarde niet; er lijkt ook niets gebeurd dat we onszelf nooit zouden kunnen vergeven. Toch gaat het ook vanmorgen om redden. Daarom zijn we hier, want rond het doopvont gaat het om niets minder dan het redden van lijf én ziel, fysiek én moreel. Hoe komen we van de cipier van Filippi naar ons hier in de Wilhelminakerk?

 

Het Bijbelverhaal helpt ons, want het meest bijzondere dat het vertelt, is misschien wel het minst opvallende; maar het brengt de doop bij ieder mens. Wat doet de cipier? Hij overleeft de aardbeving. En hij hoeft de hand niet aan zichzelf te slaan want de gevangenen zijn na hun bevrijding niet weggelopen. Toch zegt hij tegen hen niet: Ik ben gered! Hij zegt: Wat moet ik doen om gered te worden? Alsof hij nog gered moet worden.

Dat is geen verspreking. De aardbeving en de gewetensschok deden de gevangenisbewaker kennelijk iets beseffen, dat ook na zijn redding actueel is. En niet onbegrijpelijk, denk ik. Als de dood dreigt, als je bijna sterft, is even je hele leven te overzien. Je had kunnen sterven – je zult een keer sterven. Dat maakt de ervaring dat je gered bent meteen tot vraag: zal je gered worden? Dat je gered bent, werd je gegeven, maar blijft dat zo? En kun je daar dan iets aan doen?

De gevangenisbewaker krijgt te horen: Ja, dat kan, geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw gezin. Zult – ook dit antwoord spreekt over toekomst. Hij die zojuist gered is, zal gered worden als hij gelooft. Ineens valt de naam Jezus. Hij lijkt erbij gesleept, vindt u niet? Hoe is Jezus betrokken in de redding die zal plaatsvinden als je gaat geloven? En was hij al betrokken in de redding die heeft plaatsgevonden? De cipier werd vooral gered doordat zijn gevangenen niet ontsnapten toen ze de kans kregen. Wat voor vreemde gevangenen doen dat? Mensen die Jezus volgen.

Maar hoe volgen zij daar in de gevangenis Jezus? Eén van deze gevangenen, Paulus, schrijft in éen van zijn brieven iets dat Jezus is ‘de zoon van God geboren onder de wet om hen die onder de wet staan te bevrijden en tot kinderen van God te maken (zie Gal 4:4). De cipier had zich verplicht de gevangenen met zijn leven te bewaken, dat was éen van de romeinse wetten waaraan hij zich gebonden voelde. Hij stond onder die wet. Paulus is daarvan vrij, hij kan na het losspringen van de boeien weglopen, maar hij stelt zich vrijwillig onder die wet, hij blijft gevangene. Hij wil de cipier niet in gewetensnood brengen. Deze tegemoetkoming, van iemand die dat niet hoefde te doen, geeft de cipier grote bevrijding. Paulus doet voor de cipier iets dat Jezus voor hem en ons allemaal heeft gedaan.

Aanvankelijk had Paulus grote moeite met Jezus, maar dankzij een harde klap in zijn leven was hij gaan zien wie Jezus werkelijk is. Het kind van God dat in ons bestaan gekomen is. Dat klinkt vlak voor Kerst niet onbekendJ Maar wat betekent dat concreet? Dat Christus zich vrijwillig onder de beperkingen van ons bestaan gesteld heeft. Eén ingrijpende beperking is de dood, die ons leven bedreigt, en tenslotte eindigt. Een andere grote inperking is ‘de wet’, het geheel van normen, regels en voorschriften die ons handelen inperken en ons geweten binden. Wat we allemaal moeten, van onze ouders, onze regering, onze werkgevers, onszelf. Wat zij van ons en wij van elkaar verwachten.

Door in ons bestaan te komen heeft Jezus de beperkingen van ons bestaan, de fysieke en morele condities van ons bestaan op zich genomen. Dat deed hij, zegt Paulus, om ons te bevrijden, zodat wij niet langer bang en gebonden in die condities hoeven leven, maar vrije kinderen van God kunnen zijn, zoals Jezus dat was. En dat vieren we inderdaad met Advent en Kerst: de komst van iemand in ons bestaan, die niet de dood en de wet, maar wel de ban van dood en wet wegneemt. Iemand die met woord en daad laat zien hoe je in deze condities vrij tegenover deze condities kan staan.

De gevangenisbewaker in Filippi hoort en ziet deze vrijmoedigheid in zijn gevangenen, in Paulus en zijn metgezel. Hij hoorde ze zingen toen ze nog in boeien zaten; hij ziet ze in de gevangenis terwijl ze hadden kunnen ontsnappen. En nu vertellen ze van Jezus – van wie zij met hun actie in feite al getuigd hadden. De cipier is om; hij wast hun wonden en zet hen een maaltijd voor. Dan wil hij zich laten dopen. Want in de doop is alles samengevat wat hij zojuist heeft meegemaakt en is gaan geloven.

 

Ja, dopen is je laten onderdompelen in de nood van het leven, in de verplichtingen van het leven, maar daarin vrij gemaakt, schoongewassen, behouden, en daarom met een diepste vreugde over het leven die je doet zingen. En deze onderdompeling gaat tot in de dood; in de doop is daarom het hele leven samengevat. Dat is de reden waarom we in de kerk maar éen keer dopen. Je laten dopen is: je laten onderdompelen in het leven in vertrouwen op die mens die leefde, stierf en opstond; die mens die van God kwam en zich liet onderdompelen in ons leven met zijn harde fysieke en morele condities, om naast ons te komen staan en ons daarin te bevrijden.

De aardbeving in Filippi gaf de cipier een doodschrik, maar de wijze waarop twee gevangenen daarmee omgingen deden hem helemaal opleven. Zo kan de schok van een natuurramp, samen met de verrassend vrije manier waarop sommige mensen ermee omgaan, doorwerken in ons leven. Misschien treft ons een heel andere schok. Maar ook die kan zo doorwerken. We hebben bv een niet zo voorzichtig leven geleid en lopen op een dag hard tegen onze grenzen aan. Iemand sleept ons erdoorheen. Een vriend, een kind. Dat kan je bij het doopvont brengen.

De weg waarlangs we gered worden is bij ieder mens verschillend, en laat toch een patroon zien. Eén vast element is, dat je op die weg niet alleen bent. De gevangenisbewaker laat zich dopen in het bijzijn van die vrije gevangenen die in hun daden en woorden laten zien wat het is om Jezus te volgen. De wijze waarop zij het evangelie verkondigen raakt de cipier zo, dat doodsangst en gewetensnood zijn hart niet langer beheersen. Dat zien zijn huisgenoten als eerste, en dat werkt volgens het Bijbelverhaal zo aanstekelijk, dat ook zij gedoopt willen worden. De dreiging van het fysieke einde en een moreel bankroet kan ook hun leven niet langer beheersen. Zo wordt de bevrijding doorgegeven, aan de allernaasten en liefsten, aan hen die het meest in onze hoede zijn gegeven. Onze eigen kinderen, onze partner, onze ex-partner, zij mogen als eerste delen in de bevrijding die wij ervaren hebben. Als ze willen kunnen ze die nu ook zelf gaan ervaren.

Jij zou hier niet staan vandaag, Naomi, als jij niet iets van deze bevrijding ervaren hebt. Je bent als kind gedoopt, je bent als jonge vrouw ondergedompeld in het leven; misschien was je toen het geloof in de doop soms even echt kwijt. Maar de Heer heeft jou – via mensen op je weg – vastgehouden en je erdoorheen getrokken. Nu wil je je doop vernieuwen, en ook je zoon in deze vernieuwing meenemen. Daar is het water, daaromheen staan de jouwen, en dáaromheen staan wij, een kring van bevrijde gevangenen.

 

LITURGIE

Orgelspel

Stilte

Bemoediging                                                                                  allen gaan staan

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus Christus

A: Amen

Lied: 42: 1,3

Drempelgebed

Groet: V: De Heer zij met u,

                G: Ook met u zij de Heer.                                           daarna gaan allen zitten

Welkom en Inleidend woord

Gebed om ontferming en verlichting

Lied: 340b (Geloofsbelijdenis)

Bijbellezing: Jozua 24: 14 t/m 15 + Handelingen 16: 25 t/m 34                  

Lied: 351: 1,3

Uitleg en verkondiging

Lied: 347: 1,2

Doopvernieuwing & doop van Naomi & Erlend Huisma

Gedenken van een overleden gemeentelid

Gebeden
Voorbeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 440: 1,2,3                                                                        allen gaan staan

Zegen

 

 Drempelgebed

God, wees met ons allen deze Advent,

op weg naar Kerst, nu we weer vieren dat

een Kind ons bij de hand neemt

en tot andere mensen maakt.

Zegen deze dienst, Heer,

wees in ons midden.

Amen

 

Welkom en inleidend woord

In deze bijzondere dienst een speciaal welkom voor Erlend en Naomi, voor haar vriend Robin, en haar beste vriend Valentino. Een apart welkom voor Bjarne Eia, de vader van Erlend die misschien nu of later deze opname bekijkt, die graag doopgetuige had willen zijn maar vanwege corona niet uit Noorwegen naar Nederland kan komen. Ook de families van Naomi en Erlend in Nederland, Ghana en Noorwegen: als u meekijkt, hartelijk welkom hier bij ons. A dear welcome to Bjarne Eia in Norway, and to the families of Naomi and Erlend in Ghana and in Norway, if you are watching now or later. En natuurlijk u allen hier en thuis, gemeenteleden van de Wilhelminakerk en gasten, hartelijk welkom.

Over de doop en Advent zal er in de loop van de dienst genoeg gezegd worden, laat ik nu alleen iets zeggen over éen speciale voorbede in het Gebed om Ontferming dat zo meteen volgt. De laatste voorbede in dit gebed is vanmorgen voor vluchtelingenkinderen. Na de brand van een opvangkamp voor vluchtelingen op Lesbos heeft de Nederlandse regering beloofd om 100 kinderen een plek te geven in ons land. Dat is nu, drie maanden later, nog steeds niet gebeurd. We willen bidden voor de kinderen die hier al hadden kunnen zijn en voor onze regering. Daarna zijn we 100 plus 100 seconden stil, éen seconde voor elk kind dat een plaats in onze herberg is toegezegd, plus een seconde voor het feit dat we het die plaats nog niet hebben gegeven.

Voor we overgaan tot het Gebed om Ontferming eerst nog een moment voor de kinderen, met een filmpje. Gwendolien, wil jij de kinderkaars aansteken voor jullie en Erlend meenemen naar jullie eigen dienst gaan?

 

Gebed om ontferming en verlichting

God, we denken vanmorgen aan de nood van ouders en kinderen wereldwijd. We denken aan gezinnen die gescheiden zijn, om de meest uiteenlopende redenen: van honger en oorlog tot relatieproblemen en overlijden. We denken aan de kinderen die met éen ouder verdergaan, of soms zonder ouders. We denken ook aan de ouders zelf, aan hun eigen pijn en de pijn die ze zien in de ogen van hun kinderen. Heer, wees bij allen die niet bij elkaar kunnen zijn.

Lieve God, verschillende verhalen uit de Bijbel gaan over ouders en kinderen, heel realistisch, maar nooit zonder diepe troost. Geef dat ze ons blijven inspireren. Zoals het verhaal van Naomi, die haar land moest verlaten en berooid terugkwam, maar toch niet alleen was. Ze kreeg nieuwe familie, een nieuwe toekomst. Een kleinkind nam haar tenslotte bij de hand. Wees met ouders die door een hard lot getroffen zijn, geef dat zij net als Naomi iets van uw voorzienigheid mogen ervaren.

Ons hart is bij twee groepen kinderen in het bijzonder. We bidden U voor kinderen die mishandeld worden. En bij moeders die zich daar machteloos bij voelen. Corona heeft voor hen de situatie vaak nog moeilijker gemaakt. Geef de kinderen en de moeders kracht, geef dat zij steun van mensen en instanties krijgen. Breng vaders tot inkeer over hun geweld. –We bidden U vanmorgen ook voor de kinderen van vluchtelingen op het Griekse eiland Lesbos. Er zijn er duizenden, maar we denken met name aan hen die in ons land een plek zouden krijgen, maar nog steeds niet gekregen hebben. Hoor ons spreken of stil zijn in de stilte […..] God, hoor onze gebeden, in naam van Jezus Christus, amen.

 

Doopvernieuwing & doop

van Naomi & Erlend Huisma

Doopvernieuwing

V: Naomi Jannetje Huisma, als kind ben je gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Vandaag wil jij je doop vernieuwen. Wil jij hier bij het doopvont gaan staan?

 

V: Geloof je in de God van Israël, onze schepper,

in Jezus Christus, zijn Zoon, onze redder,

en in de Heilige Geest die ons leven vernieuwt?

Geloof je in het goede, bevrijdende nieuws van het evangelie

dat wij in de kerk willen mogen doorgeven in woord en daad?

N: ja dat geloof ik

 

V: Aanvaard je je doop die aan jou vandaag bevestigd wordt,

waarmee God jou belooft te vergeven en te vernieuwen

en waarmee jij God belooft je oude leven achter je te laten

om met Hem te leven elke dag?

N: ja ik aanvaard mijn doop

 

V: Wil je deel zijn van de gemeente van Gods kinderen,

die samenkomen rond Schrift en Tafel

om te luisteren, te bidden, te vieren en te dienen,

met inzet van de gaven die jou geschonken zijn?

N: ja dat wil ik

 

Predikant reikt doopwater met St. Jacobschelp aan, Naomi tekent met water een kruisje op haar voorhoofd.

 

V: God die niet loslaat wat zijn hand begon, bevestigt jou als zijn kind, en geeft zijn zegen op jouw weg.

 

Doop

V: Naomi, verlang jij dat je kind, Erlend, gedoopt wordt?

 

N: ja dat verlang ik

 

Erlend komt bij Naomi naast het doopvont staan.

Predikant schept water met St. Jacobschelp en giet dat over Erlends hoofd

 

V: Erlend Huisma, ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 

V: Naomi, beloof je om je kind in woord en daad te laten zien

hoe onze Heer Jezus wil dat wij leven?

N: ja dat beloof ik

 

V: Naomi, je kind is nu Gods kind, laat Hem mee-zorgen in jouw zorg voor je kind.

 

V: Leden van de gemeente van Jezus Christus in Bussum, bent u bereid om Naomi te helpen bij het waarmaken van haar belofte wanneer dat passend en nodig is? Willen jullie Erlend helpen om als christen op te groeien?

Allen: ja dat beloven we.

 

V: Naomi en gemeente, dat onze Heer Jezus jullie mag helpen in je bereidheid om de dopeling te helpen.

 

Lied 348: 1,9                                                                     allen gaan staan

 

Voor Naomi is er een doopkaart voor Erlend en een doopvernieuwingskaart voor haarzelf,

een doopkaars, een bijbel en een bloemstuk. Na de dienst kunnen die meegenomen worden.

 

We gedenken Tettie Visser (In memoriam door Jacomette de Blois)

Lamberta Visser-Vlaanderen is geboren op 5 januari 1937 in Bussum. Op 8 december overleed zij in de Antonius Hof waar ze bijna 12 jaar gewoond heeft. Vrijmoedig noemen we haar voornaam Tettie, een lieve vrolijke naam die goed bij haar paste. Ze was een geliefde bewoner in de Antonius Hof. Ook al sprak ze de laatste jaren niet meer, ze kreeg liefdevolle aandacht van de zorgmedewerkers, van bewoners en oude vrienden, ook uit de kerk. Haar kinderen Anke en Jaap hebben haar tot het laatst liefdevol mee-verzorgd.

Tettie was een zorgzame vrouw voor velen, als echtgenote, moeder en oma, als diaken, bezoekvrijwilliger, thuiszorgmedewerker, als buurvrouw en (schoon)zus. Aan ruzie had ze een hekel; ze oordeelde niet, ze probeerde altijd het goede te zien in de ander. Dat was niet naïef, maar heel wijs. Haar kinderen vertellen dat ze tot het laatste toe van haar geleerd hebben.

Tettie is geboren als één na jongste dochter in het gezin met 7 kinderen van kruidenier Vlaanderen in de Herenstraat. Haar man leerde ze kennen in het gereformeerde jeugdwerk. Het was een goed stel. Samen hebben ze in Laren, Weesp, toen in Bussum, op de Lange Heul en het langst op de Aaltje Noorderwierlaan gewoond. 22 jaar geleden overleed haar man, na een ziekbed. Op de lange wandelingen op de hei met haar zoon en de hond, kon ze haar verdriet en verhalen vertellen. Ze bleef sociaal actief op verschillende manieren, ook toen al de eerste tekenen van de ziekte van Alzheimer zichtbaar werden. Inmiddels was weduwnaar Jan Bontekoe een trouwe vriend geworden, heel gelukkig. Hij heeft Tettie enorm liefdevol en trouw gesteund, tot ook hij ziek werd en overleed.

Op 12 december hebben we in kleine kring afscheid genomen van Tettie in het rouwcentrum van Monuta. Met een dienst zoals zij en haar kinderen het graag wilden. We kwamen binnen met ‘Nu daagt het in het Oosten’. En hoorden ontroerd: ‘Zij die gebonden zaten, in schaduw van de dood…. Begroeten  ’t morgenrood’. We lazen 1 Corinthe 13, woorden haar op het lijf geschreven. Voluit geleefd. Wij vertrouwen haar en haar kinderen en kleinkinderen toe aan de Heer die trouw houdt.

 

Gebeden

Heer, we bidden U voor de kinderen van Tettie Visser, voor allen die haar zullen missen. We bidden U voor onze gemeente die opnieuw afscheid moet nemen van een dierbaar lid. Dood en doop liggen dicht bij elkaar, er is een sterven dat niet verdrietig hoeft te maken, maar uw diepste zegen heeft –geef dat wij dat mogen geloven en ervaren. Zo bidden wij U allen…

Dank U wel voor doopmoeder Naomi die de moed gevonden heeft om te zeggen: mijn huis wil proberen de Heer te dienen. Dank U wel voor een gemeente die daaromheen staat zoals Israël indertijd rond Jozua en zijn familie stond: Ja ook wij willen de Heer dienen. –We bidden U voor Naomi, en voor Erlend, voor Erlends vader, en voor Naomi’s vriend. We denken aan Naomi’s vader, en aan haar moeder Augustina die overleden is, en aan de families in Nederland en in Afrika. Zegen ieder van hen persoonlijk en allen met elkaar. Zo bidden wij U tezamen…

Heer, we bidden U voor Udo en Carla Heetebrij. Udo ligt in het ziekenhuis (niet op Intensive Care) en Carla is thuis. Ook als het virus de gezondheid niet meteen in de gevarenzone brengt, kan het nog altijd psychisch een harde klap geven. En kan het voor de partner die niet getroffen is minstens zo zwaar zijn als voor de getroffene. Geef Udo en Carla vrede en kracht, Heer, zo bidden wij U tezamen…

Heer, u roept ons allemaal weg bij onze familie, zoals U Abraham wegriep uit zijn land en volk en zoals U Jozua en zijn familie wegriep uit het volk Israël. U roept ons weg uit onze families, om ons vervolgens allereerst naar hen te zenden en hen tot zegen te zijn. Is dat niet de zin van de doop, om deze beweging te kunnen maken? De meesten van ons hebben de doop als kind ontvangen, we zijn van jongs af aan weggeroepen uit onze families. Uw bevrijdende, vernieuwende kracht heeft een leven lang kunnen doorwerken. Dank U wel daarvoor! Maar als kinderdoop kan de doop ook gemakkelijk vervlakken tot een gebeuren binnen de familie en zo krachteloos worden. Help ons allemaal herinneren aan onze doop, en verlangen naar vernieuwing van de doop, en hopen op de laatste, diepste doop en vernieuwing, als we zullen sterven en  ons opstaan. Zo bidden wij U allen tezamen

Onze Vader

 

——————————

U laat mij wonen                                                     Overdenking uit de afscheidsdienst van Katrina Klaassina Kielema-Moesker

De psalm die u zojuist gehoord hebt, is door mw Kielema zelf uitgekozen. Met name de laatste verzen, en in de berijmde versie, die ook boven de rouwkaart staat. Maar eigenlijk is de hele psalm in veel opzichten typerend voor haar.

De psalm begint met een noodkreet en een smeekbede: ‘God doe mij recht, wees mij genadig’. Als je dit samenneemt met de pittige opmerking die daarop volgt richting de machtigen der aarde, de bazen, dan moet elke gereformeerde oude stijl zich in deze combinatie herkennen. Roepen om rechtvaardigheid, leven uit genade, stem geven aan ‘kleine luyden’.

De roep om gerechtigheid heeft een enorme impuls gegeven aan de opbouw van de sociale rechtsstaat zoals we die nu kennen en nu onder de coronacrisis zucht. Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat die roep ook wel eens te sterk kon worden, te dominant. Ook in het persoonlijke leven. Als er iets misdaan was, kon dat niet zomaar vergeven worden, er moest excuus komen. De kinderen vertelden mij hoe moeder Kielema daar stug aan kon vasthouden – al had dat stugge zeker ook met haar Groningse komaf te makenJ

Rechtvaardigheidsgevoel was niet alleen stevig naar buiten gekeerd, in het protest tegen maatschappelijk onrecht, maar was even stevig naar binnen gekeerd. ‘Wees mij genadig, HEER’. Deze roep was wel de grondtoon in het gereformeerde levenslied. Hebben wij mensen eigenlijk wel ergens recht op, althans in relatie tot de belangrijkste persoon in ons leven, God? We leven van zijn genade, niet alleen omdat we schepsel zijn, volkomen afhankelijk van onze Schepper, maar omdat we bovendien rebelse schepselen zijn, die vaak doen wat Hij niet wil. Ook de toon van genade kon te sterk, te dominant worden. Dan roept het een gevoel van kleinheid op die niet nederig maakt, maar neerslachtig. Als mens ben je eigenlijk niets, nietswaardig. Daar had moeder Kielema regelmatig last van. Vooral in de herfst, als de bomen hun bladeren verliezen.

En dat het derde element uit het begin van de palsm dat ook onder gereformeerden sterk gevoeld werd. ‘Jullie hebben de schijn lief, mannen op leidinggevende posities.’ Schijn is niet helemaal bedrog. Wat machtigen neerzetten is vaak indrukwekkend en aanlokkelijk. Toch is het bedrieglijk; het belooft meer dan het kan geven en verbergt een leegte achter een mooie gevel. De psalmdichter komt daar verderop op terug met een stille suggestie. ‘Velen zeggen: wat of wie maakt ons gelukkig?’ En zij kiezen dan voor koren en wijn. Lekker eten en lekker drinken, volle winkels, welvaart, en wat daarvoor nodig is, een economie die groeit en bloeit. Dát belooft mensen gelukkig te maken. En dat is niet allemaal bedrog. Maar toch. De psalmdichter zoekt geluk ergens anders. ‘In U, Heer, vindt mijn hart meer vreugde dan zij in hun koren en wijn. Laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.’

Het gebed klinkt hier als een belijdenis, stevig en kwetsbaar. God maakt mij gelukkig – wie durft dat in onze tijd nog te zeggen? God geeft mij wat al het goede der aarde, al het kunnen van mensen uiteindelijk niet kan geven. En zo komt in de psalm het verlangen naar rechtvaardigheid naast het verlangen naar geluk te staan in de overtuiging dat beide tenslotte ontvlammen aan God. Misschien mogen we dit ook van moeder Kielema zeggen: dat haar antenne voor geluk in haar geloof lag. En misschien nog iets: dat zij iets van dit geluk geproefd heeft. Ze sprak weinig over haar geloof, ook niet met haar man, die zes jaar geleden overleed. Maar ze leefde eruit. Iets gaf haar die vriendelijkheid en zorgzaamheid en raakbaarheid, die naar het einde toe nog sterker en zachter leek te worden. Kwam dat allemaal op uit haar karakter?

Nog twee woorden uit de Bijbeltekst wil ik apart noemen. Het eerste is ‘veilig’, in de combinatie met ‘huis’. ‘U God laat mij wonen in een veilig huis’, dat zijn de laatste woorden van psalm 4. Opnieuw doet dat sterk aan de gereformeerde traditie denken. Wat zij vooral wilde uitstralen was: zekerheid. Zo is het. Hier kan ik op bouwen. Dit staat als een huis. Of het nu om theologische inzichten ging (dat werden dan dogma’s) of om praktische leefregels (dat werden dan ongeschreven wetten, bv voor zondagsheiliging). Wat je denkt en wat je doet moet duidelijk en onbetwijfelbaar waar en goed zijn. Met als gevolg, dat een huis in deze stijl opgetrokken gebouwd is voor de eeuwigheid. Wanneer de wereld om het huis heen ingrijpend veranderd, bv doordat er steeds meer moslims in de buurt komen wonen, heeft dat weinig invloed. Voor de Islam bv kon moeder weinig waardering hebben. Een goed-gereformeerde zag dit geloof weliswaar niet als heidens (moslims geloven in één God), maar wel als ketters (ze hebben hun beeld van die ene God te zeer geformuleerd in reactie op een verkeerd begrepen leer over Gods drie-eenheid).

Dit werd allemaal anders voor kinderen en kleinkinderen, voor wie die wereld wel openging en met een enorm aanbod aan verrassende, hartverwarmende of nog onbegrepen wetenswaardigheden en ervaringen binnenkwam. Ineens blijkt dat er in Latijns Amerika tempels gebouwd werden in dezelfde tijd dat er Europa kathedralen gebouwd werden, met een heel ander maar niet minder sterke religieuze passie. Of dat er heel andere relaties kunnen opbloeien dan die tussen man en vrouw, vanuit een even sterk verlangen naar liefde en trouw. Moeder kon op dit punt geen gids zijn; op zijn best een baken, een vast punt. Ze was er wel mee bezig, zij het misschien een beetje tegen wil en dank. Bv toen ze een kopie uit Eva’s Lied bewaarde, een bundel met vrouwvriendelijke of zelfs feministische liederen die ook in de kerken gebruikt is. Of toen ze in de kantlijn van Lied 245, bij de zin ‘hij feilt niet die uw heil verwacht’, ‘hij’ doorstreepte en er ‘zij’ van maakte. Ze liet wel staan: ‘Zij feilt niet’ – is dat toch niet een gereformeerd verlangen? Maar nu een protest tegen het kwalijke gereformeerde effect dat mensen, vooral vrouwen als falende wezens ziet! En toch weer gereformeerd ondervangen: ‘die uw heil verwacht’.

Ook daar waar oudere generaties niet meegaan in goede of nodige vernieuwingen is hun opstelling niet zonder waarde. Ik denk weer even aan de kinderen en kleinkinderen. Wie niet langer opgroeit in een omgeving waar de gereformeerde kerk het enige godshuis is, kan in een omgeving zonder godshuizen, of juist met een keur aan godshuizen, zich toch oriënteren aan dat ene kale gebouwtje, die preekschuur met het spitse torentje dat hardnekkig naar de hemel wijst. God heeft wel vaker het kleine en onaantrekkelijke uitgekozen om het grotere en rijkere te beschamen.

Het laatste woord: vrede. ‘In vrede leg ik mij neer en meteen slaap ik in’. Je kunt geen vrede voelen en in slaap vallen als je je niet veilig voelt. Je hebt een huis nodig. Maar wat, als dat huis niet het huis van de machtigen en hun welvaart is, omdat daar teveel onrechtvaardigheid of schijn heerst? Wat, als dat huis ook niet het huis van de kerk met haar traditie kan zijn, omdat dat een slechte naam gekregen heeft of gewoon te vreemd geworden is? Wat, als het huis dat je veiligheid geeft, óok niet het huis van de schepping kan zijn, de aarde en de natuur, waarvan ons eigen kwetsbare lichaam een deeltje is, dat zomaar getroffen kan worden door een virus? Wat, als het veilige huis zelfs niet in die Hogere Hand gevonden kan worden waaraan schepsel op genade of ongenade overgeleverd is? Waar zijn we dan veilig? Moeten we dan niet zeggen dat we als mensen tenslotte dakloos in het leven staan, homeless?

De psalm komt op een ander punt uit. ‘U laat mij wonen, Heer, in vrede slaap ik in.’ De psalmdichter heeft een God gevonden die geen hoogste baas of alleenheerser is, maar een goede heer die voor zijn huisgenoten een huis bouwt waarin zij ’s avonds gerust kunnen gaan slapen. Uit de psalmen spreekt het geloof in een God die mensen tot kroon van de schepping heeft gemaakt, een wezentje waarin Hij niettemin zijn hele werk aan de schepping samenvat en daarin zoveel investeert, dat Hij, als het stuk dreigt te gaan, zelf nog een keer de handen uit de mouwen steekt. Dat is het geloof van de psalmen en nog meer het Evangelie: niet alleen is God de schat in de akker van de schepping waarvoor wij mensen alles moeten verkopen om die op te delven en zo de hele schepping te behouden, maar ook wij zelf zijn een schat, voor God, waarvoor Hij alles verkocht heeft en de hemel verlaten, om ons te winnen. Wij zijn de parel die God opduikt in de zee van de wereld met gevaar van eigen leven. Een parel die Hij wil laten schitteren, waaraan Hij de hoogste eisen stelt, maar waarvoor Hij ook alles wil geven. Aan ons, aan onze schittering heeft Hij zijn eer aan verbonden, dáarom wil Hij dat we juist denken en goed handelen, en is Hij verontwaardigd als wij dat niet doen, en daarom is Hij ook bereid te vergeven, niet éen keer, niet zeven keer, maar zeven maal zeven keer. Hij doet alles wat nodig is en eerbaar om het werk van zijn handen te behouden. Het is God die ons recht doet en gelukkig maakt. En dan ook vrede geeft. Tot en met de vrede om in te slapen.

De vrede om in te slapen, ja, dat is het kwetsbaarste bewijs dat we ons veilig voelen, dat we gelukkig zijn en rechtgedaan. We hebben vrede, voelen ons helemaal op ons gemak, we geven ons over. Inslapen, dat is ook: sterven. Maar dan is sterven: je hele leven loslaten zoals je je bewustzijn loslaat wanneer je in slaap valt, vertrouwend dat het niet weg is, dood is, maar even uit je handen wordt genomen en je straks weer teruggegeven wordt als je de ogen weer opslaat. –Maar waar, in welk leven? Is er dan een hemel? Is er een nieuwe dag na de oude dag van dit leven? Daarover is vanuit de psalm niet veel te zeggen. Hemel, dat is God zelf die ons thuishaalt, God die ons laat ervaren wat we in dit leven alleen maar kunnen geloven: dat Hij het huis is waarin wij wonen. Dat Hij niet laat varen het werk dat Hij met ons begonnen is.

 

Dankgebed en voorbeden

God – we voelen ons verlegen om dit woord uit te spreken, God, we kunnen niet geloven dat U er bent, of wel geloven maar er toch niet zeker van zijn – God, we zijn hier met zoveel verschillende mensen, die toch allemaal hun dank willen uitspreken voor de vrouw die straks begraven wordt. Een heel lieve vrouw, die we allemaal zullen missen. –Ik bid U, God, voor Ineke, Gerard, Jeanet en Frank, voor hun partners, voor hun kinderen en hun partners, voor hun kleinkinderen en de achter-kleinkinderen. Dat al het goede in het leven van moeder, groot- en overgrootmoeder in hun leven mag doorwerken en nieuwe vrucht dragen. Wees met hen in het gemis van de komende tijd. Als onze ouders sterven, laat ons niet verweesd achter. Ik bid U ook voor onze gemeenteleden, vrienden vriendinnen, die een geliefde moeten loslaten. Zegen onze gemeenschap, draag hen in de ouderdom.

Ik bid voor uw kerk, voor oud zeer, en nieuwe mogelijkheden. Juist de gereformeerde kerk heeft in enkele generaties een verandering doorgemaakt zo ingrijpend, dat ze ook de belangrijkste dingen bijna op zijn kop heeft gezet. Geef dat we eerlijk en mild oordelen, Heer, en elkaar vasthouden. Veel van wat eerst was is laatste geworden, en wat laatste was is eerste geworden. Eeuwenlang stond godsdienst op de eerste plaats, eer aan God in den hoge, en mensendienst op de tweede plaats, vrede op aarde in mensen een welbehagen. Nu lijkt het bij velen omgekeerd, bij velen die uit de protestantse kerk zijn weggelopen én bij velen die trouw bleven. Hoe moeten we dit waarderen, God? Als winst? Als verlies? Of loopt er ook een lijn door, waarin we uw hand mogen zien? Geloofden we juist als gereformeerden niet dat U, God uw eer verbindt aan de zorg voor onze broeder op aarde? Dat U liever hebt dat wij U vergeten dan dat we de geringste mens vergeten? Wees met ons, Heer, zegen elke mensendienst, en geef dat áls mensen de godsdienst herontdekken zij vrij mogen zijn van alles wat uw naam schade heeft berokkend. Dat zij U in uw ware glorie en in uw ware onmisbaarheid mogen herontdekken.

In stilte zeggen wij wat niemand voor ons kan zeggen. […] Zo bidden wij U in naam van Jezus Christus,

 

Bij het graf

Afscheidswoorden

We geven de aarde ons lichaam in bewaring.

We geven de hemel onze geest in bewaring.

We geven God het vertrouwen dat Hij nog een verrassende toekomst heeft voor beide,

zoals Hij heeft beloofd.

In dat vertrouwen, in dat geloof heeft Katrien Kielema geleefd, in dat geloof is ze gestorven.

Daarom is er nu een verdrietig afscheid, dat geen blijvend afscheid hoeft te zijn.

Onze Vader die in de hemel zijt..

 

 

 

——————————————————————————

 

Voorbereiden op het leven dat komt (5): Job en Jezus

Ken u het gezegde: ‘Wie goed doet goed ontmoet’? We gebruiken het niet zo vaak, maar als we het doen is het meestal om elkaar te bemoedigen, zeker als veel tegenzit. Houd moed want als je goed doet, doet het leven jou ook goed. Nou ja, het leven kan ook stevig tegenzitten.. Maar, ook dan is er een vangnet, want wie gelooft mag erop rekenen dat God ervoor zorgt dat zij die goed doen gezegend worden. God is immers de goedheid zelf: Hij is royaal met gaven én doet recht.

En ja, dit geloof is een grondgedachte in de hele Bijbel, in Oude en Nieuwe Testament. Maar een grondgedachte die bij christenen in het Westen de laatste tijd algemeen is aangevochten. Velen hebben de gedachte maar losgelaten, of praten er liever niet meer over. Ze hebben teveel mensenlevens gezien waarin het verband tussen goed werk en Gods zegen zoek is.

En zien we dat ook niet in de Bijbel – zelfs bij hoofdpersonen uit Oude en Nieuwe Testament, zoals Job en Jezus? Job doet alleen maar goed en kijk eens wat hij over zich heen krijgt. De ene rampspoed na de andere, en tot overmaat van ramp ook nog zijn vrome vrienden. En Jezus, Jezus doet meer dan goed, maar eindigt aan een kruis. Als dit zo met Gods beste dienaren gebeurt, wat zegt dat van God? Doet God wel recht? Sommigen stellen de vraag nog scherper (zoals ik het zelf ook jarenlang gedaan heb): is er wel een God?

Vanmorgen wil ik stilstaan bij Job en Jezus. Laten hun levens inderdaad zien, dat we de gedachte aan ‘loon’ helemaal overboord moeten zetten? Deze vraag weegt zwaar. Job en Jezus zijn onschuldig, ze doen allebei wat God wil; en toch treft hen een bitter lot. Is er dan geen God die in dit leven waarborgt dat goed met goed vergolden wordt? Er is zoveel kwaad dat goede mensen treft. Job en Jezus verliezen al wat hen dierbaar is: bezit, familie, gezondheid. Ze komen alleen te staan en lijden intens.

 

Toch, is dit het hele verhaal dat de Bijbelverhalen over Job en Jezus vertellen? We hoorden hoe van Job wordt verteld, dat hij al wat hij verloor dubbel en dwars terugkreeg en toen nog lang en gelukkig leefde. En dat is omdat hij het grote verlies dat hij leed niet verdiend had en God dat rechtzet. En Jezus vertelt zijn discipelen, die bezit en familie opgegeven hebben om hem na te volgen, dat zij dubbel en dwars vergoed zullen worden. In dit leven, zegt Lukas er apart bij. Op dit punt staan Job en Jezus dus helemaal naast elkaar.

Aan Gods verrassende vergoeding in dit leven voegt Jezus nog iets toe. Voor wie alles geven om hem na te volgen is er óok nog eeuwig leven. Die vergoeding vinden we bij Job niet. Job sterft uiteindelijk ‘oud en der dagen zat’: als hij klaar is met het leven en in het reine gekomen (als hij recht gedaan is, door God gerehabiliteerd). In het oude Israël lijken velen daarmee vrede te hebben. Of hoopt Job toch op nog iets meer? U weet misschien – bv van het prachtige lied uit de Messiah van Händel – hoe Job midden in zijn ellende uitroept: I know that my redeemer liveth, ‘Ik weet dat mijn verlosser leeft! in mijn vlees zal ik hem zien’. In mijn sterfelijke lichaam de Levende zien – denkt Job dat de dood misschien niet het einde zal zijn?

Ik denk dat Job bedoelt: ook mijn lichaam zal meemaken dat het verlost wordt, mijn verlosser zal voorkomen dat ik sterf aan die vreselijke huidziekte die overal jeukt. En dat is ook gebeurd. Maar stel dat Job op de vuilnisbelt buiten de stad doodgegaan was – was dan zijn geloof gelogenstraft? Was zijn geloof in de komst van de verlosser staande gebleven als hij zo door tegenslag getroffen was, dat zijn sterfelijke lichaam daadwerkelijk gestorven was? Ik vrees van niet. In de meeste teksten van het Oude Testament blijft het geloof in God die redt en recht doet, die vergoedt en nieuw leven geeft, staan voor een harde grens. Tot aan de dood is er nog iets te redden, daarna niet meer, zelfs niet door God. In dat gevoel staat het moderne Westen weer sterk naast het oude Israël.

Het Nieuwe Testament breekt door die grens heen. Dat gebeurde eigenlijk al in de tijd tussen Oude en Nieuwe Testament, maar daarover vinden we in de Bijbel heel weinig. Waarom ging men geloven dat er leven is voorbij de dood is, leven waarin de dood voorbij is? Daarvoor is uiteindelijk maar éen reden te geven. Mensen hebben iemand gezien – met eigen ogen gezien en met eigen handen aangeraakt – die leefde, leed en stierf en toen weer leefde. Jezus was het levende bewijs dat het geloof van Israël, het geloof dat God redt en recht doet, niet langer hoeft terug te deinzen voor zijn laatste consequentie. God zegent en vergoedt zijn dienaar niet alleen tot aan de dood, maar zelfs tot in de dood. Hij die neerdaalde in het dodenrijk leeft, naar geest én lichaam.

Als het gaat om vergoeding doet God er dus bij Jezus, vergeleken Job, nog een schepje bovenop. Maar ook daarmee doet God recht, want van Jezus kan gezegd worden: hier is meer dan Job; bij Jezus vinden we minstens twee dingen die we niet bij Job vinden. Het eerste is, dat Job als onschuldige alles verliest, behalve zijn leven. Jezus verliest als onschuldige echt alles: óok zijn leven. Job krijgt tenslotte alles wat hij verloor terug, dubbel en dwars. Ook Jezus krijgt al wat hij verloor terug: hij krijgt ook zijn leven terug, dubbel en dwars. Jezus krijgt een leven waarin hij niet meer hoeft te sterven.

Er is nog iets dat we bij Jezus vinden en niet bij Job. Job verliest alles doordat het hem wordt afgenomen door omstandigheden en door andere mensen. Jezus verliest alles, inclusief zijn leven, doordat hij het vrijwillig loslaat. Als het gaat om het loslaten van bezit, familie, gezondheid heeft Job geen keus, Jezus wel. Bij Jezus is het een offer, bij Job niet. Job kan zijn ellende niet ontwijken, Jezus wel maar doet het niet. Jezus is dus even onschuldig als Job, maar hij doet meer dan Job, hij geeft wat hij heeft en tenslotte geeft hij zijn leven. En God doet opnieuw recht: Hij geeft Jezus daarvoor ook meer terug. Job wordt verlost van de dood, voor een tijd. Jezus wordt verlost van de dood voor altijd.

Vanuit de Bijbelteksten is de boodschap voor vanmorgen ondubbelzinnig. God doet recht aan onschuldig getroffenen. Hij doet dit al in dit leven, op wonderlijke wijzen, die meer doen dan alleen herstellen. God geeft bezit voor bezit, familie voor familie, misschien anders dan we verwachten, maar zeker niet minder. En tenslotte geeft Hij een leven voor een leven, en meer dan dat: eeuwig leven. Zie daar komt uw herder en hij heeft het loon bij zich! Hij brengt het loon voor allen die onschuldig zijn aan wat hen treft en toch God blijven dienen, en voor allen die alles geven in Gods dienst.

 

Laat ik dit op éen punt concreter maken. Hoe deelt deze herder dat loon dan uit, waar en wanneer zien we dat gebeuren? Als wij het zo vaak niet zien gebeuren, kijken we misschien dan verkeerd? Wat verwachten we te zien? Laten we deze vraag stellen aan degene die het dichtst bij ons staat. Hoe wordt Job vergoed voor zijn bitter lot?

Als we het boek Job helemaal uitlezen, krijgen we hiervan een roerend voorbeeld. We hebben het gehoord: ‘Al zijn broers en al zijn zusters, en iedereen die hem van vroeger kende, kwamen naar zijn huis om samen met hem te eten; ze schudden hun hoofd en troostten hem, omdat de Heer zoveel rampspoed over hem had uitgestort. En elk van hen gaf hem een geldstuk en een gouden ring’.

Hoe krijgt Job terug wat hij verloren heeft? Zijn broers en zussen en oude bekenden komen naar hem toe en helpen hem, emotioneel en financieel. De Bijbeltekst tekent ze met een paar potloodlijntjes, maar raak en realistisch. In hun religieuze besef blijken ze dicht bij Job te staan. De Heer heeft al die rampspoed over Job uitgestort, menen zij. Zoals Job ook zelf zegt: ‘De Heer geeft, de Heer neemt, gezegend zij de Heer’ (1:21), ‘Zouden we het goede wel van God aannemen, maar het kwade niet?’ (2:10). We vinden dit geloof ook bij anderen in het oude Israël. Zoals Naomi, die moest emigreren vanwege hongersnood en toen in het andere land haar twee zoons verloor; ze zei: ‘De Almachtige heeft mij een bitter lot gegeven’. Ook Jobs vrouw geloofde dat het goede én kwade uit Gods hand komt, maar zij trok er haar eigen conclusie uit: ‘Wat is dat voor een God die eerst zegen en dan vloek geeft? Zeg deze God maar vaarwel en sterf’.

Maar we moeten éen slag nauwkeuriger worden. Job vecht niet het geloof aan, dat het goede én het kwade uit Gods hand komt. Dat zouden wij misschien willen, maar Job doet dat niet. Het enige dat hij aanvecht is een conclusie die zijn vrienden uit dit geloof trekken: Als jou iets kwaads treft, moet je dat kwaad wel verdiend hebben. Job vecht dus niet aan dat dit kwade dan uit Gods hand komt, maar dat het een straf zou zijn. Job zegt ook niet, dat geen enkel kwaad dat mensen treft een straf is. In feite deelt Job met zijn vrienden, dat straf niet onverdiend is als er schuld is. Maar, zo houdt hij vol, in zijn concrete geval is er geen schuld. –Wat is nu het bijzondere van de broers en zussen van Job? Dat we bij hen hetzelfde  geloof horen als bij de vrienden (namelijk, dat goed en kwaad uit Gods hand komen), maar niet de conclusie van de vrienden. We horen ook niet dat ze Job gaan verdedigen.

Net als de vrienden gaan zij naar Job toe en tonen hun diepe meeleven, en ze troosten. Maar anders dan de vrienden zwijgen ze verder, en steunen hem met geld. Ze volgen hun hart en handen. Ze hebben waarschijnlijk hun eigen gedachten over de oorzaak van het leed – sommigen dichter bij Job, anderen dichter bij de vrienden – maar houden die gedachten voor zich. Jobs familie doet zoals zoveel goede familieleden over de hele wereld doen als zij een broer of zus onschuldig getroffen zien.

Hoe zegent God Job na al zijn ellende? Onder meer via zijn familie. Zij helpen hem er weer bovenop.

Job en Jezus – God vergoedt, zegt de Bijbel. Hij vergoedt dienaren die door omstandigheden iets kostbaars verliezen. Hij vergoedt nog meer als zij vrijwillig iets kostbaars opgeven om Hem beter te kunnen dienen. Elk verlies doet pijn, maar die pijn, dat verlies krijgen bij God nooit het laatste woord.

 

LITURGIE

Orgelspel

Stilte

Bemoediging

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Lied: 23: 2,5

Drempelgebed

Groet: V: De Heer zij met u,

G: Ook met u zij de Heer

Welkom en Inleidend woord

Gebed om ontferming

Lied: 19: 3,5

Gebed bij de opening van de Bijbel

Eerste Bijbellezing: Job 42: 10 t/m 13

Lied: 62:7

Tweede Bijbellezing: Lukas 18: 28 t/m 30

Lied: 726: 2,4

Uitleg en verkondiging

Lied: 799: 1,3,5

Gebeden
Voorbeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 439: 1,2

Zegen

 Drempelgebed

God, U bent goed voor wie U dienen.

Dat zingen we zondags hier in uw huis

met psalmen uit het oude Israël.

Wees met ons op deze plek

waar onze dienst eredienst is:

spreken, luisteren, zingen, bidden.

Geef Heer dat ook op deze dienst

uw zegen rust, wees goed

voor allen hier

en thuis.

 

 

Welkom en inleidende woorden

Iedereen hier en thuis van harte welkom. ‘Uw herder komt en hij heeft het loon bij zich’. Dat was de Bijbeltekst vorige week in de Gedachtenisdienst, de laatste dienst van het kerkelijke jaar. De tekst kondigt een komst van onze Goede Herder aan waarin hij alles rechtzet. Vandaag begint het nieuwe kerkelijke jaar, met de eerste zondag van Advent. Met Advent vieren we, hoe de herder en zijn loon voor het eerst in onze levens gekomen is.

Vandaag wil ik beginnen met wat voor velen binnen en buiten de kerk wel de grootste vraag is: óf hij wel komt. En waar zijn loon dan te zien is. We zitten met vragen. Gelukkig geeft de Bijbel daarvoor veel ruimte. Denken we maar aan Job, en natuurlijk aan Jezus.

 

Gebed voor nood van de wereld

God, de gedachte dat U komt, ergens in ons leven – voor sommigen meteen aan het begin, voor anderen halverwege of later, voor ons allemaal aan het eind; de gedachte dat U komt en het loon met U meebrengt, roept gemengde gevoelens bij ons op. We zien uit naar de grazige weiden, maar loon? We vinden het moeilijk er zo over te spreken. Loon kan ook een valkuil zijn. Help ons hier zuiver over te denken, Heer. Voor vanmorgen vragen we U: geef dat het boek Job ons hierbij mag helpen. Als wij mensen U dienen óm loon, zit er iets scheef. Neem het loon weg, en we laten U los. Dat was toch het punt dat uw tegenspeler, Satan, maakte? Gelukkig was Job sterker. Hij liet zijn geloof niet varen toen hij zijn zegeningen in het leven verloor. En hij bleef geloven dat U iemand die goed doet en desondanks een groot verlies lijdt, recht zult doen. Geef ons iets van de kracht van Job, zo bidden wij U…

Geef ons iets van de kracht van Job – was zijn grootste kracht niet, dat hij U bleef dienen vóor hij zijn grote verliezen leed, toen hij nog had wat zijn hart begeerde? Hij was rijk, had een gezin en bleef U bij dat alles dienen; hij hield zich aan uw geboden en bad elke dag voor zijn kinderen. Hoe vaak gaat dat anders, Heer, hoe vaak worden wij mensen juist in tijden van voorspoed en rijkdom wat gemakkelijker in onze ethiek, of zelfs corrupt, in kleine dingen, en in grotere. Als we dan ons geloof loslaten, tonen we nogmaals dat het ons óm het loon, de zegen ging, en niet om U en uw geboden zelf. Al in het Oude Testament wordt hierover geklaagd: bij welvaart lopen de godshuizen leeg. Heer, prikkel ons in onze zwakheid, zodat we bij verlies het geloof niet laten varen. En sterk ons óok als we het goed hebben maar de benen van ons geloof deze weelde niet kunnen dragen. Geef ons iets van de kracht van Job. Dat vragen we U in naam van Jezus,

 

Moment voor volwassenen en kinderen

[Evie zit boven op het balkon mij opa Cor en oma Joke]

Aan het eind van deze week is het weer Sinterklaas. Er is de laatste tijd veel gepraat over Sinterklaas, ook op de televisie. Dat ging over zwarte piet, veel mensen vinden het niet goed dat hij zwart is. Zij willen kleurpieten. Toen ik zo oud was als jij, Evie, werd er ook over sinterklaas gepraat, maar toen ging het over iets anders. Veel mensen vonden het niet goed dat sint een roe bij zich had.

Weet je wat dat is, een roe? [..] Natuurlijk ken je het liedje: ‘Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe’. Dat is een stokje, waarmee je een tik kunt krijgen als je je niet goed gedragen hebt. Ik weet nog goed dat ik dat als kind wel eng vond. Maar het liedje gaf ook zin om je best te doen op school, om goed te zijn voor je broers en zussen, om mijn huisdieren goed te verzorgen.

Later hoorde ik dat sinterklaas eigenlijk niet uit Spanje komt, maar uit Turkije: daar was hij een bisschop, een belangrijk iemand in de kerk. Een sint, dat betekent: heilige. Iemand die veel goeds doet voor God en voor mensen. In de kerk werd ook gesproken over ‘wie zoet is krijgt lekkers’. Daar hoor je nu in de kerk veel minder over. Ook in de kerk houden we niet van de roe en zingen we niet meer ‘Wie zoet is krijg lekkers, wie stout is de roe’. Liever zingen we: ‘Iedereen krijgt lekkers’!

Wat denken jullie als kinderen hiervan? Wat denken wij als ouders en grootouders? Ik bedoel nu even niet, of piet zwart of gekleurd moet zijn, maar dat andere, of wie zoet is lekkers krijgt.. Vinden we dat we altijd kadootjes moeten krijgen, ook als we ons niet goed gedragen hebben? –In de Bijbel staan veel liederen die zingen dat God goed is voor ieder die goed doet. Daarover gaat de dienst vanmorgen. Lijkt God een beetje op sinterklaas? En op welke sinterklaas, die van vroeger, of die van nu?

Ik vond een letter in mijn schoen vanmorgen bij de grote schoorsteen in mijn huisje. Er zat een briefje bij: ‘Voor het kind dat vanmorgen in de kerk is’. Evie, na de dienst is de letter voor jou.

 

Gebed bij de opening van de Bijbel

Heer, als we over U nadenken en we luisteren naar Bijbelverhalen, komen bij veel woorden die U typeren, allerlei associaties bij ons op. Ze doen ons denken aan oude en actuele discussies, met alle herinneringen en gevoeligheden die daaromheen zitten. Loon is zo’n woord. Hoe lastig is het dan om wat de Bijbel zegt in zijn eigen verband te laten staan.

Help ons luisteren, Heer, help ons steeds weer terug te keren naar de teksten van de Bijbel die door allerlei acties en reacties onder ons vertekend zijn geraakt. Die steeds weer verrassend nieuw blijken en soms tegen alle haren instrijken. Kom met uw Geest in ons denken en voelen als wij luisteren naar uw Woord, dat vragen we U in Jezus’ naam,

 

Gebeden

Diakengebed

Dank U wel voor familie die ons troost en materieel steunt. Dank U wel voor ieder die ons draagt door moeilijke tijden. Zegen hen die ons tot zegen zijn. Help ons, Heer, om anderen in hun verdriet te troosten en steunen. Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Dank U, God, dat U onschuldig getroffenen niet voor schuldig houdt. Dank U wel dat Job in de Bijbel staat, hij geeft veel slachtoffers een hart onder de riem. Hun leed is al erg genoeg. We bidden U voor allen die schuld aangepraat worden. Dat zij staande blijven en zich niets wijs laten maken. We bidden U ook voor hen die anderen onterecht beschuldigen. Geef hen meer onderscheidingsvermogen, openheid, bereidheid om spijt te betuigen. Zo bidden wij U allen tezamen…

Heer, we vinden het moeilijker maar willen U ook danken dat u schuldigen niet voor onschuldig houdt. Als wij getroffen worden, zijn we niet altijd onschuldig. In zijn verzet tegen zijn vrienden spreekt Job tot onze verbeelding, maar Job is een uitzondering. Wie durven zeggen dat zij in alle opzichten onberispelijk leven zoals hij en daarom geen enkele tegenspoed verdienen? We bidden U voor allen die moeite hebben om schuld te erkennen als die er wel is. Geef ons kracht om soms ook tegenover onszelf sterk te zijn, zo bidden wij U allen tezamen…

Stil gebed

Onze Vader

 

————————————-

Wie of wat doet ons dit aan?

               Vervolg over Job, overdenking middagdienst Gooise Warande, 1-1-20

In deze coronamaanden voelen velen zich onschuldig getroffen. En hoe terecht, in allerlei opzichten. Daarmee stelt de nood van onze tijd ook lastige vragen aan ons als gelovigen, over God en zijn zorg voor mensen. Als wij onschuldig getroffen worden door een hard lot, wat of wie treft ons dan? Laten we het boek Job als leidraad nemen, daar wordt een onschuldige getroffen. Wie doet hem dat aan?

Eerste antwoord: Satan doet het. Hij zit achter al het kwaad in de wereld, hem bedoelen we als we bidden: ‘En verlos ons van het boze’. –Het boek Job geeft wel enige aanleiding tot dit antwoord. Het begint met het bekende verhaal over een beraad in de hemel waarin Satan God het voorstel doet om Job te beproeven. Satan is overtuigd dat Job voor deze test zal falen. Hiermee is duidelijk: Satan zit achter de ellende van Job. –Toch vertelt het boek Job niet, dat Satan vervolgens al de ellende die Job treft over hem uitstort. Er staat alleen, dat bandieten komen plunderen en moorden, dat de bliksem inslaat, dat het huis waar Jobs kinderen feestvieren door een windhoos instort. Meer wordt er niet gezegd. Daarmee zijn we terug bij de vraag: wat of wie doet Job al het kwaad aan?

Tweede antwoord: God doet het. –Tot dit antwoord geeft het boek Job méer dan enige aanleiding. God gaat met Satan de weddenschap aan, Hij had hem ook uit de hemel kunnen gooien. Wat belangrijker is: Job deelt met zijn vrienden en vrouw een geloof dat hem sterk in de richting van dit tweede antwoord drijft. In reactie op alle rampspoed zegt hij: De Heer geeft, de Heer neemt, gezegend zij de Heer. Zelfs het verlies van zijn gezondheid kan dit geloof niet veranderen. Zijn reactie: Niet alleen het goede, ook het kwade komt uit de hand van God.’ Job toont hiermee een geloof dat ook elders in het Oude Testament voorkomt (bv Jes 45:7).

Het grote meningsverschil met de vrienden (en met zijn vrouw) is ook niet dit geloof, maar de conclusie die zij eruit trekken. De vrienden zeggen: Als jou iets kwaads treft (dat uit de hand van God komt), moet je het verdiend hebben. Dan moet het een straf zijn. En Jobs vrouw zegt: als God goed én kwaad geeft, is Hij grillig, is het leven onberekenbaar, en kun je net zo goed sterven. Hiertegenover houdt Job aan twee dingen even hartstochtelijk vast. Hij is onschuldig, dus kan het bitter lot dat hem treft geen straf zijn. En God is hiermee niet onbetrouwbaar geworden, Hij zal redden en rechtzetten.

In het antwoord dat God zelf aan Job geeft, aan het eind van het boek, zegt God dat Job beter van Hem gesproken heeft dan zijn vrienden. Hiermee bevestigt God, dat niet alle kwaad dat mensen treft een straf is. Alleen, wat is het dan wel? Wat of wie doet Job zijn ellende aan? Ook daarover geeft Gods antwoord aan Job meer helderheid. Heel opvallend is dat God niet zegt: Ik deed het. Hij zegt overigens ook niet: Satan deed het. –Maar wat of wie doet het dan wel?

Derde antwoord: de rovers doen het, de bliksem doet het, de windhoos doet het. Dat is het wat God met zoveel woorden in zijn antwoord aan Job zegt. Kijk naar de schepping, hoe groots die is. Hoe gevaarlijk die óok is. Vuur en wind zijn krachten die mensen tot zegen kunnen zijn, maar die mensen ook kunnen verwoesten. –Dit antwoord past heel goed bij het begin van het boek Job, waar verteld wordt, dat Sabeeën en Chaldeeën roofovervallen plegen op het land van Job, dat noodweer zijn knechten op het veld overvalt, en dat een cycloon over zijn huis raast. Zij veroorzaken de rampspoed. Dus wie of wat doet Job alle ellende aan? Dat zijn eigenlijk twee dingen: de natuur en mensen. Goede mensen als Job kunnen door twee soorten kwaad in de wereld getroffen worden.

Maar als zij Job dat aandoen, wat doet God dan nog? Nu gaat het erom spannen – hier gaan de wegen van het Bijbelboek Job en veel mensen in onze tijd uiteen. In het Bijbelboek Job wordt nergens het geloof in God als schepper aangevochten. Job gelooft erin, en Gods antwoord aan Job geeft aan dit geloof een krachtige ondersteuning. De grootse natuur en mensen zijn schepping. Zij rusten in de handen van God. Dit besef is zo sterk, bij Job en de andere personen om hem heen, dat het verwoord kan worden met uitdrukkingen als: God geeft en Hij neemt, goed en kwaad komen uit zijn hand.

Maar wat doet God als Hij schept? Dan maakt Hij allerlei dingen met een eigen aard en activiteit, Hij maakt dat elk ding zijn ding kan doen. Als vuur iets verbrandt, is het niet God die dat verbrandt. Dat doet het vuur. God maakt dat vuur vuur is. Daarmee houdt God wel alle macht over de dingen die Hij schept. Als Hij wil, kan Hij hen stoppen hun ding te doen. God kan bv vuur maken dat niet verbrandt (zie Dan 3:17). Dit heeft een gevolg dat van direct belang is voor Job. Als natuur en mensen schepping zijn – als er een schepper is – is er meer mogelijk dan wat er in de natuur en door mensen gebeurt.

Alleen als er een God is die niet samenvalt met de schepping, kan dat wat in het leven door schepping verkeerd gaat – door natuurrampen of door menselijk wangedrag – helemaal rechtgezet worden, en meer dan dat. Als er alleen maar natuur en mensen zijn, kan dit niet. (Dan kunnen alleen mensen nog proberen iets recht te zetten.) Maar met een schepper is er veel meer mogelijk. Hij kan wantoestanden rechtzetten, Hij kan herscheppen wat stuk gegaan is, Hij kan in zijn schepping komen en iets doen dat echt als zijn daad gezien mag worden. Job gelooft daar vurig in: ‘Ik weet dat mijn verlosser leeft’. Hij gelooft dat ook zijn arme, geplaagde lichaam dat nog zal ervaren. Hiermee staat Job in de traditie van het oude Israël, dat leerde uitzien naar de komst van God in de geschiedenis, reddend en rechtzettend, en uiteindelijk naar een vernieuwing en voltooiing van de hele schepping. Job gelooft in een redding die helemaal rehabiliteert. En wat hij gelooft heeft hij gekregen.

Durven wij geloven wat Job gelooft? Durven wij geloven dat mens en natuur schepping zijn? Dat er een Schepper is die trouw blijft aan het werk van zijn handen en daarom ook als Verlosser in ons leven komt? Durven wij Advent te vieren?

 

 

Uit de reacties (vooral via mails, vanwege corona)

–Heeft Naomi, na haar harde lot, niet dezelfde geloofsovertuiging als Job? ‘De Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan’ (Ruth 1:20, Statenvertaling). –Deze hartenkreet zit inderdaad dicht bij het geloof van Job. Het zit ook dicht bij het geloof dat spreekt uit het loflied van Hannah en Maria: ‘De Heer geeft en Hij neemt, Hij doodt en doet leven’. Ik ben heel blij dat een boek als Ruth in de bijbel staat, ook als aanvulling op Job: dichter bij het gewone leven en de dramatiek daarvan. Ruth is een boek dat een leven beschrijft waarin God niet ingrijpt zoals dat in andere Bijbelboeken verteld wordt (zoals in Genesis en Samuel-Koningen). In het boek Ruth worden van de Heer geen persoonlijke acties of reacties vermeld. Naomi heeft een leven zoals velen van ons dat hebben: een leven waarin we vrijwel uitsluitend met Gods schepping te maken hebben: met voorspoed maar ook met rovers, vuur en storm, en op z’n best een verborgen voorzienigheid. Die voorzienigheid blijkt als Ruth met Naomi meegaat uit het land waar ze vanwege hongersnood naartoe gevlucht is en waar haar zoons gestorven zijn. Via Ruth krijgt Naomi toch nog nageslacht, en wat voor nageslacht! Naomi werkt heel nuchter aan deze voorzienigheid mee. Ze toont een geloof dat dicht bij Job staat: ‘Moge hij [Boaz] gezegend worden door de Heer die tegenover de levenden en de doden zijn trouw handhaaft’ (2:20). Net als Job wordt dus ook Naomi vergoedt (maar gewoner, minder ‘sprookjesachtig’).

–Als in het boek Job inderdaad niet gezegd wordt dat Satan de natuurrampen veroorzaakt en de rovers beweegt om Jobs land binnen te vallen, en als ook God in zijn antwoord aan Job niet zegt dat Satan dat allemaal deed, wat doet de duivel dan nog wel? –In het boek Job is Satan eigenlijk niet meer dan de stem van het geloof, dat mensen God en zijn gebod loslaten als zij de zegeningen in het leven verliezen, zegeningen die zij dankzij God en zijn gebod hebben verkregen en konden behouden. Dit is een geloof dat door een lange ervaring bevestigd is, ook in de geschiedenis van Israël, en daarom een krachtige stem die een pittig punt maakt: Houden mensen inderdaad van God omdát Hij hen beloont? Dan is voor hen Gods zegen belangrijker dan God zelf; dan is hun hele godsdienst in feite eigenbelang. Ik kan me voorstellen dat God dat zelf ook wil weten: Waarom houden mensen van Mij? Dat Hij de proef op de som neemt, is zo gezien geen luxe, maar een erezaak. Ook voor mensen: Waarom doen we Gods wil? Het boek Job is een fel protest tegen het geloof en de ervaring dat mensen onverbeterlijk egocentrisch op God en het goede gericht zijn. Zo hoeft het niet te zijn, een mens kan bij groot verlies God en zijn gebod in ere blijven houden.

–Waar vind je in onze tijd de verschillende antwoorden op de vraag ‘wie of wat doet het Job aan’? –Antwoord 1 (‘Satan doet het’) vind je binnen de kerk vooral bij evangelische christenen, maar je vindt het ook daarbuiten. In ‘de wereld’ is de duivel erg populair, zoals blijkt uit allerlei films of de fascinatie voor het occulte. –Antwoord 2 (‘God doet het’) vind je in de twee varianten die ik in de uitleg in feite onderscheiden heb. (2a) Bij verschillende religieuze volken leeft het geloof in een Lot, al dan niet bepaald door een allerhoogste mysterieuze godheid die maakt dat alle dingen ‘zo moeten zijn’. Bv bij mensen in India en Sri Lanka (denk maar aan de wijze waarop in die landen op de tsunami van 2004 is gereageerd). Eigenlijk staan zij dichter bij Job dan de andere variant van dit geloof, (2b) die bij veel orthodoxe christenen, moslims en joden te vinden is. Volgens deze overtuiging bepaalt God alles wat mensen treft, goed én kwaad, en heeft dat altijd een ethische lading, want goed is (genade)loon, kwaad is straf. Deze visie komt dicht bij die van de vrienden van Job. –Antwoord 3 (‘De natuur en mensen doen het’) heeft ook twee varianten. (3a) Velen in het Westen menen: de natuur en de mensen doen het alleen. God doet daarin niets. Je vindt deze overtuiging bij ongelovige (atheïstische) én gelovige (geseculariseerde) mensen. Zij is voor een deel gegroeid in reactie op een orthodoxie, die tegen de visie van Jobs vrienden aankroop, in reactie op de seculariserende visie op natuur en mens die in de moderne tijd ontstond. Met als effect, dat de ene scheefgroei vervangen werd door een andere. (3b) Natuur en mensen doen het, maar als schepping van God (die wezens met een eigen natuur schept en sommige bovendien met een vrije wil, die zij kunnen misbruiken). Dit is de visie die mijns inziens het meest in lijn is met het boek Job en met de bredere orthodoxie van de kerk (zoals die vóor de moderne tijd gegroeid is).

 

 

————————————————————————————————–

Voorbereiden op het leven dat komt (4): Gedachtenis

In de Gedachtenisdienst (22-11-20) was ds Wielie Elhorst de liturg en ik de prediker; hieronder de teksten die ik uitsprak

 

Gebed bij de opening van de Bijbel

God, er is zoveel onvrede. Onvrede vanwege dingen die ons worden aangedaan, door omstandigheden of door andere mensen, soms hele groepen en volken, en onvrede vanwege dingen die we zelf doen of nalaten. We willen eerlijk zijn, in onze christelijke traditie vonden we wat we verkeerd doen meestal erger dan wat ons wordt aangedaan, we waren vooral op zonde gericht. Maar hoe vaak zijn mensen niet gewoon slachtoffer? In hoeveel opzichten zijn we dat niet allemaal, God, bv door corona? Help ons hiermee in het reine te komen! In reactie schieten we gemakkelijk naar de andere kant door en willen we over schuld niet horen. Licht ons voor vanuit de Bijbel! We vragen U dit in dit uur, nu we onze doden herdenken, allemaal mensen die van alles is aangedaan en die van alles gedaan hebben, maar die ons dierbaar zijn, die onze vaders en moeders, vrienden en kennissen en medegemeenteleden waren. Help ons, God, geef ons dit uur uw licht en warmte.

 

Moment met de kinderen

Even een vraag voor de kinderen die misschien via de computer meekijken, en tot Niek hier in de kerk. Is er in jouw, in jullie familie dit jaar iemand gestorven?

In mijn familie gelukkig niemand. Ook niet door corona. Maar toch moet ik aan iemand denken. Zij is al lang geleden gestorven. Mijn zus, Paula. Ze was een jaar jonger dan ik, zij had de naam van de moeder van mijn vader, ik de naam van de vader van mijn moeder. We hebben als kinderen veel samen gespeeld, we hielden van tekenen. Kijk, ik heb iets van haar meegebracht om vandaag aan haar te denken. Het is een tekst uit de Bijbel die mijn zus later, toen we al naar de grote school gingen, heel mooi voor mij heeft overgeschreven – gekalligrafeerd heet dat.

Ik vond die tekst toen al éen van de mooiste uit de hele bijbel. Dat wist zij. Het papier is nat geworden, de rode inkt is wat uitgelopen; maar je kunt alles nog lezen: ‘Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreek tot het hart van Jeruzalem, dat de tijd van lijden voorbij is, dat haar ongerechtigheid geboet is..’ God spreekt hier zoals je moeder tot je spreekt als je wat te wild gerend hebt en hard bent gevallen en huilt en zij naar je toekomt.

Misschien vinden jullie het een beetje saai om de hele tekst (en de uitleg) te horen. Ik heb een idee, iets dat jullie nu kunnen doen. Zoek in je huis of kamer naar iets dat jou doet denken aan iemand uit je familie die gestorven is. Ben benieuwd wat je vindt!

 

Uitleg en verkondiging

We hopen allemaal dat onze geliefden in vrede heengaan. En dat willen we ook voor onszelf, toch? We moeten allemaal sterven; het beste dat dan kan gebeuren, is vredig sterven. Maar wat is daarvoor nodig? Wanneer sterf je in vrede?

Veel mensen zeggen: we kunnen gaan in vrede als we klaar zijn om te sterven. Klaar om te sterven betekent dan meestal: klaar zijn met het leven omdat het leven door allerlei kwaaltjes te moeizaam en uitzichtloos geworden is. Als de fut er helemaal uit is, het lichaam wil niet meer. Om dit te voelen hoef je niet heel oud te zijn. Je moet maar hard getroffen zijn, of eindeloze tegenwerking ervaren hebben. Dan kan het moment komen dat je zegt ‘ik ben er klaar mee’. En het kan ook in geloof uitgesproken worden: ‘God neem deze last van mij af, ik kan niet meer’. Als we dit zien bij geliefden, dan kunnen zij en wij het sterven bij alle verdriet ook als een verlossing ervaren. Er vrede in vinden.

Er is nog iets dat maakt dat wij in vrede kunnen heengaan. Ook dat vind je bij mensen bijna overal, binnen en buiten de kerk, gelovig of ongelovig. We kunnen in vrede sterven als we vrede hebben in ons geweten. Meestal is bedoeld: als we in het reine gekomen zijn, met onszelf, met belangrijke andere personen om ons heen, en met God. Is er nog een schuld die niet betaald is, is er nog een relatie niet verzoend, kun je nog iets rechtzetten of goedmaken? Dan doe je dat graag vóor je heengaat. Daarna kun je goed afscheid nemen. Het is als met dat verhaal uit het evangelie, van die man die naar het altaar in de tempel, in de kerk gaat en dan beseft dat hij nog boos is op een naaste. Jezus zegt: Ga dan eerst naar die naaste om het goed te maken en kom dan terug. Dat zegt God vaker tegen ons tijdens ons leven, Hij fluistert het in ons binnenste, en dat stemmetje wordt sterker als het einde nadert. Daarom heb je zo graag dat je dochter uit Canada nog overkomt, met wie je jarenlang geen contact had. Of mobiliseer je je kinderen om jou nog éen keer naar je broer te brengen, op wie boos gebleven bent sinds het overlijden van je ouders.

In het reine komen met een naaste is vaak sterk gekoppeld aan in het reine komen met God. Als je gelovig bent is dat bijna vanzelfsprekend, het is het tweede grote gebod van de liefde dat volgens Jezus gelijk is aan het eerste. Maar het besef komt ook bij niet-gelovige mensen voor. De Engelsen hebben er zelfs een uitdrukking voor: wie gaat sterven maakt zich klaar om zijn of haar schepper te ontmoeten: to meet your Maker. Ben je klaar om ‘je schepper te ontmoeten’? Dan kun je gaan in vrede.

Maar wie ontmoet je dan als je je schepper ontmoet? Daar geven de grote godsdiensten behoorlijk verschillende antwoorden op. De christelijke traditie zegt: dan ontmoet je Jezus. Dan ontmoet je God, ja, maar God, de schepper van alle mensen, die helemaal in de schoenen is gaan staan van een mens als jij, een mens die bovendien alles gedaan heeft om jou in vrede te kunnen laten leven en in vrede te kunnen laten sterven. In deze mens komt God ons tegemoet in het uur van onze dood. Met God in het reine komen is met Jezus in het reine komen. Als er dingen niet goed waren in je leven vanwege omstandigheden of andere mensen, of vanwege dingen die jezelf deed of naliet, dan loop je daar met hem doorheen; hij bied je alles dat nodig is om het goed te maken en vrede te krijgen.

De tekst die we hoorden uit het laatste Bijbelboek, Openbaring, brengt dit heel levendig voor ogen. Daar zegt Jezus het zelf: Ik zal komen, spoedig, en ik zal ieder oordelen naar zijn daden. Veel mensen, ook veel christenen schrikken hiervan. Jezus komt om te oordelen? Openbaring sluit op dit punt aan bij het Oude Testament. Ieder mens zal loon naar werk ontvangen. We vinden dat bv ook in Psalm 62. Het nieuwe in het Nieuwe Testament is dat de Heer die dit loon zal geven, Jezus is.

Jezus brengt het loon voor onze daden met zich mee. Door het zo te zeggen grijpt Openbaring vooral terug op éen tekst uit het Oude Testament, Jesaja 40. Het einde van het Nieuwe Testament grijpt terug op het hart van het Oude Testament. ‘Troost, troost mijn volk, spreek tot het hart van getroffen mensen, dat het einde van het leed in zicht is, dat ook het einde van het lijden onder eigen fouten in zicht is, dat er iets nieuws komt, iets dat niet meer slecht kan worden. Ieder mensenkind zal het zien, ieder mens zal de glorie, de billijkheid en genegenheid van de schepper zien, daar is Hij, Hij komt als een herder, Hij heeft zijn loon bij zich.’

Zegt de grootste profeet van het Oude Testament. Jesaja plaatst deze boodschap in een context die we vandaag meteen herkennen. Mensen zijn grassprietjes en veldbloemen; die zijn een tijdje groen en kleurrijk en dan verwelken ze en sterven ze af. En toch zullen wij, lichamelijke wezens, de Heer zien, die nooit verwelkt, wij zullen de Herder zien die zelfs voor verwelkte en afgestorven wezens nieuw leven brengt. En dat betekent tenminste twee dingen: dat er geen lijden meer is, geen pijn, geen afscheid, en dat wij elkaar geen kwaad meer doen.

Zo komt dat loon in beeld, we moeten het dus ruim nemen: als vergoeding voor lijden dat je is overkomen of aangedaan, maar ook als vergoeding voor het goede dat je deed, vaak in moeilijke omstandigheden. Al ons zuchten en zweten is niet tevergeefs, onze herder komt en zal het goed met ons maken, helemaal goed. De Heer is mijn herder! Dat ruime loon dat Hij met zich meebrengt kun je in éen woord samenvatten: vrede. Want Oude en Nieuwe Testament zeggen: geen vrede zonder gerechtigheid. Er is pas vrede als alles wat ons overkomt en als alles wat wij doen goed is, en als dit niet morgen of overmorgen weer heel anders kan zijn maar altijd zo blijft.

Op een dag is het allemaal goed, helemaal goed, blijvend goed. Dat is de dag van de Heer, zeggen de profeten van Israël. En die dag komt sneller dan we denken. Spoedig, zegt Jezus in Openbaring. Ook als we er zelf weinig rekening mee houden – gelukkig maar – is het goed hieraan van tijd tot tijd herinnerd te worden. Wanneer zal onze schepper komen? Hij staat aan het begin van ons leven, Hij komt tot ons midden in het leven, en Hij staat aan het einde. Wanneer komt het einde? Het einde van de geschiedenis van de mensheid kan langer op zich laten wachten, maar de geschiedenis van ieder mens eindigt met zijn of haar sterven. Dan komt Hij, want Hij laat niet los wat zijn hand begon. Op de dag waarop ons leven eindigt, kan het voleindigd worden. De dag dat we alles terug moeten leggen in handen van onze schepper, is de dag waarop alles goed kan komen.

Zijn we nog een beetje bang voor de ontmoeting met Hem, bang voor zijn loon? Het is uiteindelijk het beste dat ons kan gebeuren.

 

—————————————————————————————————–

Voorbereiden op een leven dat komt (3) Toekomst voor onze families

Tweede Voleindingszondag, Wilhelminakerk 8-11-20

 

Als we nadenken over het leven dat komt en dan meteen aan het leven na de dood denken, komt er al snel een verenging in onze gedachten. Want het eeuwige leven, als dat er is, lijkt een individueel leven, van elk mens op zich. Tot aan ons sterven kunnen veel mensen veel voor ons betekenen, maar sterven doen we alleen. En na de dood zijn we gericht op God, toch? We kijken alleen naar Hem op de Troon. Staan daar ook andere mensen? Zijn daar ook onze dierbaren? Of mensen die jarenlang naast ons woonden of werkten? We durven daar bijna niet om ons heen te kijken.

Maar is dat niet gek? Volgens het evangelie komt het eeuwige leven in dit leven tot ons, en wordt het vooral gezien als een binnengaan in het Koninkrijk. Een Koninkrijk, dat is een sociale grootheid, een koninkrijk ben je niet in je eentje, daar zijn meerdere mensen voor nodig, een organisatie, met een gedeelde loyaliteit en een leider. Zou dat allemaal ontbreken in de hemel of op de nieuwe aarde?

Ook vanuit het Oude Testament gezien is het heel gek om bij een blijvend leven met God te denken aan een verzameling van losse individuen. Leven met God doe je met ieder die in Hem gelooft, en dat is in het Oude Testament allereerst een volk, een groep van verwante mensen. Dat begint dus met je gezin, je familie. God is begonnen met Israël, de nieuwe naam die vader Jacob kreeg, Jacob die zelf twaalf kinderen kreeg die op hun beurt de stamvaders van een volk geworden zijn.

In de schriftlezing uit Openbaring wordt hierop teruggegrepen, op de twaalf stammen van Israël. Uit elke stam is een volheid van generaties voortgekomen, en zo ontstonden er twaalf maal twaalf duizendtallen. Met elkaar hebben die nog steeds het karakter van een volk, een heel uitgebreide familie.

Die 144.000, en het Lam, dat is dus allereerst het volk Israël, en Jezus. Maar dan moeten we de ontelbare menigte die om hen heen staan, ook allereerst als volken en families zien. Zoals de tekst ook zegt: ‘een ontelbare menigte uit alle landen en volken, rassen en talen’. En dan mogen we ook, met Openbaring, de lijn doortrekken. Als al deze volken en families, met Israël voorop, het eeuwige leven binnengaan – waarom niet ook ons volk en onze familie?

 

Maar laten we niet te snel gaan. Wie zijn die 144.000 mensen? Het volk Israël, maar dat is nog tamelijk vaag. De verwijzingen vanuit Openbaring naar het Oude Testament zijn specifieker. Allereerst, de lijst van twaalf maal twaalf duizendtallen herinnert concreet aan een telling uit Numeri. Daar staat dat uit elke stam van Israël een aantal mensen wordt uitgelicht voor een speciale taak. Het gaat dan om mannen die gerekruteerd worden om dienst te doen in het leger van Israël tijdens de reis door de woestijn. Zij moeten hun families verdedigen tegen mogelijke aanvallen van vijanden onderweg. Dit element komt ook in Openbaring terug. Die 144.000 vormen met elkaar een leger onder aanvoering van het Lam. Het seal team van Christus, zijn heilssoldaten.

De gedachte dat het hier om een volk van verwanten gaat is daarmee niet losgelaten, maar binnen het volk is er verschil aangebracht. Sommige volksgenoten vechten voor de veiligheid van de anderen, zij zijn bereid voor de anderen hun leven te geven. Daarin lijken zij op het Lam. De 144.000 beschermen de ontelbare menigte. Beide horen bij God, beide zijn op weg naar het beloofde land. Maar de ene groep is een kerngroep binnen de grotere groep.

De tweede verwijzing van Openbaring naar het Oude Testament herinnert aan het bekende begin van de woestijnreis van Israël. Die 144.000 zijn namelijk te herkennen aan een soort uniform. Zij hebben hun kleren hebben gewassen in het bloed van het lam, zegt Openbaring. Deze uitdrukking verwijst naar de uittocht uit Egypte. U kent het verhaal allemaal. Egypte was het land waarin de Israëlieten niet vrij waren, waar zij met de dood bedreigd werden. God heeft hen uit die beklemming bevrijd doordat zij het bloed van een lam aan hun deurposten konden smeren. Toen de dood door het land ging en overal de oudste zoon doodde, en daarmee de belangrijkste bloedlijn in de families afbrak, ging de doodsengel bij de Israëlieten niet naar binnen. De families van Israël kregen toekomst. Het joodse volk kon als volk uittrekken. De stammen trokken de woestijn in, naar het beloofde land. –In Openbaring wordt dat lam geïdentificeerd met Jezus. zijn bloed aan hun deurposten geeft zijn mensen vrije doortocht, weg uit het land waar de dood dreigt.

Bloed, dat schrikt ons af. Wij houden niet van offers, bloed is een teken van de dood. En ja, het Lam is gedood, geslacht. Maar zijn bloed is tegelijkertijd het bewijs van zijn overwinning op de dood. Want iemand die zijn leven geeft, laat zien dat iets in hem minstens even sterk is als de vrees voor de dood. Als het leven van de ander in gevaar is, is hij of zij bereid het eigen leven daarvoor in gevaar te brengen, uit liefde voor die ander en voor God. Jezus had deze kracht en hij schenkt die kracht aan zijn volgelingen, aan die 144.000.

Ook zij beginnen dankzij deze kracht hun vrees voor de dood te overwinnen en hun leven in te zetten. Eerst in gewone omstandigheden zonder grote offers, maar dan ook in moeilijker omstandigheden, als de dood dreigt, en tenslotte in de moeilijkste omstandigheid, als de dood feitelijk komt. Hun liefde voor God en voor hun naasten is sterk als de dood, zodat doodsdreiging haar niet meer laat wijken voor angst of haat. Zo rekruteert Christus een leger van volgelingen. Zij zijn net als het Lam, dat tevens de Leeuw van Juda is: lammeren met het hart van leeuwen. Hun belangrijkste wapen is niet het zwaard, maar hun bloed. Op deze wijze ontstaat de kerngroep en een menigte daaromheen.

In het visioen van de 144.000 zit nog een derde verwijzing naar het oude Israël. En die heeft alles te maken met de derde, laatste fase in het Exodus-verhaal. Het hele volk wordt bevrijd en gaat de woestijn in, ouders en kinderen; maar niet iedereen komt in het beloofde land aan. Sommigen haken af, en willen terug naar de vleespotten van Egypte; velen durven niet vooruit, en sterven in de woestijn. Die 12×12.000 vormen niet alleen de kerngroep die strijdt voor de andere volksgenoten, om hen onderweg te beschermen, zij vormen ook de groep die lijdt onder de andere volksgenoten als die afhaken, morren, terug willen en zich dan van de kerngroep distantiëren of zich er zelfs tegen keren. Niet elke vader in Israël vertrouwde op God boven alles; niet elk kind in Israël kreeg zijn naaste lief als zichzelf. Op weg naar het beloofde land gaf God niet alleen zijn zegen, maar kwam ook zijn oordeel toen veel Israëlieten Gods leiding en leefregels loslieten. Op deze wijze werd de kerngroep ‘de rest’ die overbleef: zij die wel trouw bleven aan God en zijn gebod.

Die 144.000 zijn daarom niet alle leden van elke stam. Veel stamgenoten, veel familieleden zitten er niet bij. Dat geldt zelfs van de menigte die niemand kan tellen. Hoe groot die ook is, velen horen daar niet bij, velen hebben zich niet laten wassen in het bloed van het Lam. In de loop van de woestijnreis begint er dus een scheidslijn door het joodse volk te lopen, er ontstaat een Israël binnen Israël. Jezus zei al dat dit zou gebeuren (Mat 10:34v). En die scheidslijn loopt vroeg of laat ook door al die andere landen en volken, stammen en talen die opgeroepen worden zich te voegen bij het Lam en zijn volgelingen. Een scheidslijn die dus ook door hun, door onze families en gezinnen zal gaan.

 

Samenvattend mag ik zeggen: voorbereiden op het leven dat komt, dat is een leven met anderen, en dat zijn allereerst onze familieleden en volksgenoten. Daar zien we in dit leven naar uit, zeker bij de coronabeperkingen, maar daar mogen we ook voor het eeuwige leven naar uitzien. Voor de Troon staan we straks niet in een cocon van individuele gelukzaligheid. Daar zal elke naaste ons dierbaar zijn, en daar kan elke dierbare naast ons staan. Maar het leven dat komt zal ook scheiding brengen. Niet iedereen laat zich leiden door God en het Lam. Israël heeft als eerste ervaren dat deze scheiding door de eigen families heenloopt. Laat ik tot slot onderstrepen dat, hoe pijnlijk dit ook is, het op zich nogmaals aangeeft dat we door God allereerst naar eigen mensen verwezen worden. We raken hier aan een dimensie van het christelijke geloof, die ons in de laatste generaties vreemd geworden is.

Is het u wel eens opgevallen dat Jezus vrijwel zijn hele werk onder zijn eigen volk gedaan heeft? Dat deed hij ook bewust, hij zegt: ik ben gekomen voor het huis van Israël, om daar verloren schapen te zoeken (Mat 15:24). Wat Jezus voor alle mensen heeft gedaan, heeft hij allereerst voor zijn volksgenoten gedaan. En toen de Heer zijn weg volbracht had, zei hij bij zijn opstanding tot zijn discipelen: Zoals de Vader mij zond, zo zend ik u. Ook de discipelen werden allereerst tot hun volksgenoten gezonden. De kerk begon als groep joden die zich tot joden richtten. De kerk bestaat principieel uit broeders en zussen, maar praktisch allereerst uit broers en zussen. Althans dat is de bedoeling.

Worden ook wij dus niet allereerst naar onze broers, naar onze familie gestuurd, om hen tot heil te zijn, op weg naar een vrij en duurzaam leven? Worden ook wij niet gezonden naar ons eigen huis, om daar te zoeken wat verloren is? Pas als we daar afgewezen worden nadat we onze volle inzet gegeven hebben, komen anderen in beeld. En die volle inzet, kan die met minder gegeven worden dan met het hele leven, dus door bij vader en moeder, broers en zussen te blijven tot het einde toe? Jezus die kwam voor het huis van Israël gaf zijn discipelen dezelfde prioriteit mee (Mat 10: 6, 14). Paulus deed hetzelfde: hij ging eerst naar de synagoge, dan naar de markt. Een missionaire kerk die deze verhoudingen omdraait, is in serieuze problemen.

Naar de eigen mensen gaan, dat is altijd de eerste en echte missie. Die vraagt ook het meest van ons. Want onze eigen families, daarmee zijn we het sterkst verbonden, maar daar is de weerstand – als er weerstand is – ook het grootst. Daar is de weerstand even groot als het leven, even groot als ons eigen leven, want daar is de meeste geschiedenis, daar hebben anderen onze meeste kanten kunnen zien (op het werk of in de gemeente is dat altijd maar een deel). Daar kan dus ook de diepste pijn zitten. De Heer kwam in het zijne, en het zijne heeft hem niet aangenomen. Maar waar de sterkste verbondenheid is, is ook de diepste vreugde als er pijn of verlies was en er toch een nieuwe toekomst mogelijk blijkt. In het leven dat komt staan we met onze dierbaren in de belofte en in het oordeel van onze Schepper. Als wij toekomst krijgen en die willen delen met elke naaste, willen we die dan niet het liefste delen met onze liefste naasten? En houdt dat op bij de dood?

 

LITURGIE

Orgelspel & Stilte

Bemoediging

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Lied: 122: 1,2

Drempelgebed

Groet: V: De Heer zij met u,

                 G: Ook met u zij de Heer

Welkom en Inleidend woord

Gebed om ontferming (naar Psalm 49:20)

Lied: 149:1,2

Gebed bij de opening van de Bijbel

Bijbellezing: Openbaring 7: 1 t/m 15

Lied: 726:1,4

Uitleg en verkondiging

Lied: 133

We gedenken Joke van Noort         

Gebeden
Voorbeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 704:1,2

Zegen

Drempelgebed

Heer, hoe zijn de stammen opgegaan!

Dat zongen we zojuist met een psalm uit het oude Israël.

Stammen – de mensen die toen met elkaar naar de tempel gingen

waren één grote familie, een volk van verwanten.

Dat maakt ons ook verlegen, God.

Waar zijn onze families? Onze broers en zussen,

kinderen en kleinkinderen: velen gaan niet met ons op

naar uw huis.  Wij zijn uw volk,

maar zijn wij nog een volk?

Wees met ons hier, Heer, wees

met onze dierbaren die hier niet zijn,

wees met ons allen.

 

Welkom en inleidende woorden

Welkom in deze dienst, u hier en ieder die thuis meekijkt of meeluistert. We steken ons licht weer op aan het licht van de opgestane Heer. Daar is zijn Paaskaars, hier zijn de gemeentekaarsen, die deze maanden in het bijzonder branden voor mensen die door corona getroffen zijn. En natuurlijk de kinderkaars – Rosa, wil jij die voor ons aansteken?

We gaan verder met het thema ‘Voorbereiden op het leven dat komt’. Vanmorgen met een toespitsing die ons allemaal raakt. Ik kan dat het beste voelbaar maken door nu alvast het Moment voor kinderen en volwassenen te houden. –Er is een heel bekend boek dat veel jongens gelezen hebben, u kent het vast wel: De laatste der Mohikanen.

Het speelt zich af in de 18e eeuw, in het grensgebied van Canada en de Verenigde Staten, toen nog kolonies van Frankrijk en Engeland. Die waren met elkaar in oorlog, en sommige Indianen kozen voor de Fransen, andere voor de Engelsen. Aan het eind van het boek is er een gevecht tussen twee groepen Indianen. Van de ene groep, de Mohikanen, zijn alleen een vader en zijn zoon over. In dat gevecht wordt ook de zoon gedood. Daar staat de vader dan in zijn grote verdriet, hij kijkt naar de hemel en de verre bergen en spreekt een gebed uit:

Grote Geest en Schepper van al het leven, een krijger komt snel en direct bij u als een pijl die in de zon geschoten is. Heet hem welkom en laat hem zijn plaats innemen bij het Raadsvuur van mijn volk, hij is Uncas, mijn zoon. Zeg hem geduld te hebben en vraag de dood snel te zijn, omdat ze er allemaal zijn, behalve éen, ik, Chingachgook, de laatste van de Mohikanen.

 

Gebed om ontferming (met verwijzing naar Psalm 49:20)

God, het is een oude overtuiging, die bij veel volken op aarde vroeger en nu voorkomt, en die ook in het oude Israël voorkwam. De overtuiging dat we, als we sterven, ‘met onze vaderen vergaderd worden’. Dat ook wij daar heen gaan waar onze ouders en voorouders heen gingen toen zij stierven.

Heer, is dat zo, is er na de dood ook voor de families, voor onze volken nieuw leven? We durven soms niet eens te denken dat we elkaar dan kunnen herkennen! Hoe anders zal het zijn als we onze ouders en grootouders zullen zien, met onze kinderen en kleinkinderen, met onze volksgenoten.

Ontferm u over onze families, Heer, in dit en het komende leven! Zo bidden wij U.

 

Gebed bij de opening van de Bijbel (naar Openb 7: 1-3 en 15)

God, in de Bijbeltekst die we zullen lezen staat dat,

als de aarde geplaagd zal worden door rampspoed

en de schepping schudt en wankelt,

U Uw mensen beschermt.

Zij zijn veilig bij u.

U zult uw tent spreiden over hen

die bij tij en ontij U dienen in uw tempel.

Wees met ons in uw huis,

wees met ons in onze huizen,

Wees zelf ons huis, onze tent, nu

en altijd, amen.

 

Gedenken van Joke van Noort

Op 6 november is overleden op de leeftijd van 88 jaar ons gemeentelid Josephine Jeanne van Noort-Belle. Joke had nog niet zo lang geleden haar heup gebroken, krabbelde daarna weer wat op, maar brak toen haar tweede heup, deels vanwege haar handicap, haar slechte gezichtsvermogen. Ze belandde weer in het ziekenhuis om daarna in Hilversum te revalideren. Daar zat ze heel diep, ze wilde liever sterven, maar leefde op toen ze hoorde dat haar zoon Pieter, die in Nieuw Zeeland woont, naar Nederland kwam. Kostbare weken volgden, voor moeder en zoon. Maar toen sloeg corona toe, bij beiden. Pieter is inmiddels genezen, maar voor moeder werd het teveel. Haar man is tien jaar geleden overleden. Ze is jarenlang bezoekdame geweest. De laatste keer dat ik haar sprak in Gooizicht spraken we ook over haar jeugd in Indonesië. Haar geest was helder. Contact vrolijkte haar altijd op. Ze was niet bang om te sterven, zelfs al ging zij door het dal van de schaduwen van de dood. De afscheidsbijeenkomst is op vrijdagmiddag 16.00 in het crematorium in Laren, vanwege corona in besloten kring.

 

Gebeden

Diaken

Heer, wees met families dichtbij en veraf. Met dierbaren die van elkaar gescheiden zijn vanwege gesloten grenzen en afgelaste reizen. Geef dat we andere mogelijkheden van contact vinden, dat we elkaar daarbij steunen. Geef ook dat we de gedwongen afstand op andere wijze ten goede kunnen gebruiken, bijvoorbeeld als tijd voor bezinning, waardoor onze contacten straks meer waarde kunnen krijgen. Help ons, Heer! Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Heer, we bidden U voor Pieter van Noort, die deze week afscheid moest nemen van zijn moeder. We bidden U voor allen die afscheid moeten nemen van dierbare familieleden, juist in deze tijd. Voor hen die al langere tijd van dierbaren gescheiden zijn door de dood en dat deze weken sterker voelen. Wees met families dichtbij en veraf. –Toen vader Jacob verteld werd dat zijn lievelingszoon door een wild dier verscheurd was, riep hij: Treurend daal ik af naar mijn zoon in het dodenrijk. Het was zijn laatste troost om Jozef daar te zien, al was dat een bittere troost omdat volgens Jacob doden niet meer zijn dan een schim van wat ze als levenden waren. Maar wat, Heer, als doden kunnen opstaan en leven? Dan is de pijn van sterven en afscheid nemen nog niet weg, maar de hoop op weerzien is er wel. Geef ons hoop, God, samen met de mensen uit wie U ons het leven hebt gegeven, of aan wie U door ons het leven hebt gegeven. Zo bidden wij U allen tezamen…

God, wees met families dichtbij en veraf. Toen vader Jacob het bebloede kleed van Jozef zag, wist hij nog niet de bitterste waarheid. Niet een dier had Jozef verscheurd, zijn eigen zoons hadden hem verkocht en hun vader bedrogen. Heer, ook die pijn kennen we in onze eigen families. Broers die niet door éen deur kunnen, kinderen die ouders bedriegen, ouders die kinderen voortrekken, er is zoveel dat juist in deze relaties zo langdurig fout kan zitten. Help ons met onze families, geef ons een jozef die zich met zijn broers weet te verzoenen, ook al gaat dat soms via een langere, confronterende weg. Heer Jezus weest U een jozef voor al uw broeders, voor ons uw medemensen. Redt ons en onze families, zo bidden wij U allen tezamen…

 

 

——————————————————————————————————–

Voorbereiden op het leven dat komt (2) Ieder kan het Koninkrijk in

Wilhelminakerk 25-10-20

 

God is geduldig, lankmoedig, Hij doet heel veel op een heel lange adem. Denken we maar aan de schepping die Hij in een lange evolutie heeft opgebouwd, of aan de wereldgeschiedenis die al duizenden jaren geleden begonnen is. Maar in de Bijbel blijkt er ook een andere kant van God. Hij kan ook heel snel handelen. Soms is er haast bij, geen tijd te verliezen; nu is de tijd van doen. Er zijn dus twee kanten. De Heer vertelt in een lange aanloop wat Hij ons wil zeggen – om het dan in éen keer te zeggen. In de hele geschiedenis van Israël, eeuw na eeuw, spreekt en handelt Hij – om dan ineens zichzelf samen te vatten in een publiek optreden en een publieke dood van een mens die Hij aanwijst als zijn geliefde zoon, die helemaal laat zien hoe Hij, de Vader is.

Laten we hier even bij stilstaan. Genesis vertelt dat God pas aan het eind van de laatste, zesde dag mensen boetseert, man en vrouw, uit alles wat Hij daarvóor geleidelijk heeft opgebouwd. God neemt in zijn scheppingswerk een heel lange aanloop voor Hij komt met zijn meesterwerk, de mens. Wij zouden zeggen: op de astronomische klok van het heelal en de biologische klok van leven op aarde is het drie minuten voor twaalf als mensen op het toneel verschijnen. En in de geschiedenis van mensen herhaalt zich dit. Wat is de geschiedenis van Israël te midden van de geschiedenis van al die veel grotere en ook oudere volken? Een klein en laat segment. En ook in de geschiedenis van Israël zelf herhaalt het zich. Als we die geschiedenis met een jaar vergelijken, verschijnt in de laatste week van dat jaar de Messias, die in zijn levensweg die hele geschiedenis samenvat en vervult. En zelfs als we die levensweg van de Messias zelf in het oog vatten: als hij gekomen is, horen we dertig jaar vrijwel niets van hem; hij groeit op en leeft hij als ieder ander mens – om dan in de laatste drie jaar, in een kort optreden alles te zeggen wat hij te zeggen heeft; en om vervolgens in drie dagen alles te geven wat hij te geven heeft, in een sterven en opstaan waarin zijn hele boodschap is samengevat.

Hier is een patroon. Het zegt iets over hoe God het werk van zijn handen opbouwt.

 

Bij éen moment in dit patroon wil ik vanmorgen stilstaan. Het is een gegeven dat vaker in het Nieuwe Testament voorkomt en veel uitleggers hoofdbrekens heeft gegeven. Een ervaring die de eerste christenen sterk hadden, maar waarmee latere christenen, zoals wij, verlegen zijn. Paulus verwoordt die ervaring het sterkst, maar we zien die ook al bij Jezus zelf. We hebben haar gehoord in de twee Bijbellezingen van vanmorgen. Paulus zegt tegen zijn gemeenteleden: Wij gaan het nog meemaken, wij gaan het nog zien en horen hoe Christus terugkomt en ons meevoert in zijn glorie. En Jezus zegt het al tegen zijn discipelen: Sommigen van u die hier staan zullen de mensenzoon zien komen met al zijn engelen in macht en heerlijkheid. Hetzelfde zegt Jezus later tegen hogepriester Kajafas, als die hem gearresteerd heeft.

Dat brengt ons in verlegenheid want we weten allemaal dat de mensenzoon niet is teruggekomen in de generatie die Jezus zag heengaan en van hem ging getuigen. Paulus en zijn gemeenteleden zijn allemaal al lang gestorven. Ook Kajafas is gestorven, heeft hij de mensenzoon gezien? Sindsdien is er nog een generatie gestorven, en nog éen, en nog vele meer. We leven inmiddels tweeduizend jaar later en de wederkomst laat nog steeds op zich wachten. Of zien we iets over het hoofd? In elk geval stelt het ons voor lastige vragen, ook van niet-christenen. Waar is die Messias van jullie? Hij zou toch komen? Hoe zit het nu met de verlossing van Israël, van de wereld? Komt dat Koninkrijk nog?

Het uitblijven van de wederkomst, en dat tegenover de ervaring van de eerste christenen en Jezus dat zij de wederkomst nog in hun leven zouden meemaken – dit pijnlijke gegeven is anderhalve eeuw lang door Bijbeluitleggers vooral zo uitgelegd, dat Christus en de eerste christenen zich overduidelijk vergist moeten hebben. En hoe begrijpelijk: ook zij waren maar mens; ook Jezus wist niet alles.

Maar was het inderdaad een menselijke vergissing? Misschien hebben ze zich alleen vergist in het tijdsbestek. Misschien dachten ze aan iets dat inderdaad zal komen, maar schatten ze de tijdsafstand tussen het moment waarop zij leefden en het moment waarop de wederkomst zal plaatsvinden niet goed in. Zoals bij een bergwandeling: je ziet de volgende top en die lijkt dichtbij, maar je merkt pas als je verder loopt dat er nog een heel dal en wat kleinere toppen tussen zitten. Dat kon je vanaf je eerste standpunt niet zien. De top was geen illusie, maar de weg erheen is veel langer dan je dacht.

Ik denk dat we met dit beeld al dichter bij de waarheid komen, maar nog een belangrijke stap moeten zetten. Die is voor ons niet gemakkelijk omdat we als Bijbellezers verleerd hebben om rekening te houden met het patroon in Gods omgang met de wereld. Wij hebben moeite met grote verhalen. En toch, als christenen geloven we erin. Wij geloven dat in de geschiedenis van Israël de Schepper van alle mensen in zijn schepping komt. En we geloven dat dit komen van God zijn hoogtepunt bereikt in de komst van Christus. Nemen we dit geloof serieus, dan moet er in de geschiedenis van de natuur en van de mensenwereld een soort verdichting ontstaan naarmate we dichter bij Jezus en zijn belangrijkste daad komen. Bij hem kunnen we verwachten dat een lange aanloop in het kort samengevat wordt. Op éen tijd en éen plaats komt Hij die Heer is over alle tijden en alle plaatsen. In éen mens komt Hij iets zeggen en doen voor alle mensen.

Eén van de belangrijkste aanwijzingen voor deze verdichting en samenvatting is ons allemaal bekend. Het is het wonderlijke, harde gegeven dat wij mensen allemaal moeten sterven.

In de vorige dienst over dit thema, twee weken geleden, zei ik dat de dood op een bepaalde manier bij het leven hoort. Dat maakte ik invoelbaar vanuit ons rechtvaardigheidsbesef. Is het niet onrechtvaardig als het Koninkrijk van God, dat Hij beloofd heeft op te richten op aarde, voor mensen telkens weer niet-helemaal of helemaal-niet komt? Als mensen die hoop steeds weer moeten overdragen op een volgende generatie en op de daaropvolgende generatie – terwijl zij zelf, ja, sterven en in hun leven weinig of niets van vervulling zien? Een mensenleven is nu eenmaal niet langer dan zeventig, tachtig, negentig jaar.

Wanneer we uitgaan van het patroon in Gods handelen dat ik aangaf, gaan we iets anders tegen tijd en tijdsverloop aankijken. Zeker, er is een voortgang van de geschiedenis, en daarin zit hoop voor mensen, hoop op betere tijden, een betere samenleving; en elke echte winst die in deze richting geboekt wordt heeft Gods zegen, Hij spoort ons daartoe ook aan. Maar Hij zet niet alles op deze kaart. Hij laat het werk van zijn hand niet varen, maar het werk van zijn hand is niet allereerst de wereldgeschiedenis waarin individuele mensen nu eenmaal vroeg of laat doodgaan en de voltooiing niet zullen meemaken. Het werk van Gods hand is niet dé mens, want die mens bestaat niet. Er zijn alleen individuele mensen, zoals u en ik. God heeft wel een plan voor alle mensen bij elkaar, in hun generaties en samenleven, maar dat is dan een plan waarin al die mensen tot hun bestemming kunnen komen.

God stuurt erop aan dat in het leven van elk individueel mens de vervulling van zijn belofte komt.

En dat doet hij door het hele leven van elk mens heen, dus door ieders leven én sterven. Zo richt Hij zijn Koninkrijk op. Weet u nog, van twee weken geleden? Een leven in vrede en gerechtigheid komt, maar het komt door leven en sterven heen. Kijk naar Jezus: in zijn leven en sterven is het gekomen. Het leven dat hij leefde tot en met zijn laatste adem, werd bekroond met opstanding.

En deze weg, deze bekroning biedt God elk mens aan, ieder die in Christus gelooft en in zijn voetspoor gaat. Jullie gaan het allemaal meemaken, zegt Jezus tot zijn discipelen, en tot de hogepriester. Wij gaan het allemaal meemaken, zegt Paulus tot de gemeentes die hij sticht overal waar hij het evangelie verkondigt en gehoor vindt. Wie in Christus leert geloven, wie gaat vertrouwen op God zoals Hij in Israël en Jezus gekomen is, zal in zijn eigen leven én sterven de komst van de Mensenzoon in zijn glorie meemaken.

God doet wat Hij beloofd heeft. Hij voltooit wat Hij begon. Hij vervult de hoop die Hij wekt, niet alleen voor de mensheid, maar voor elk mens. Het Koninkrijk komt, en het is dichterbij dan wij denken. Het is nabij, zegt Jezus, het is onder u. Het komt, ook wij zullen het nog meemaken. Hoe lang het ook op zich laat wachten, dat is toch nooit langer dan een mensenleven. We zullen het allemaal meemaken, het komt voor ieder van ons op z’n laatst in het uur van onze dood. Het komt wanneer God onder ons komt en wij hem gaan vertrouwen en volgen, het komt zodra Jezus in ons leven komt. En de bekroning van dit komen komt in ons sterven. Zoals het bij Jezus kwam. Die bekroning is zijn tweede komst in ons leven. Zoals hij ook een tweede keer zal komen in de wereldgeschiedenis.

 

We willen ons voorbereiden op een leven dat komt. Dat voelen we scherper nu ons leven op allerlei wijzen ingeperkt wordt. De hoop vlamt sterker op. Een hoop die ons aanzet duurzamer te gaan leven. Alle beetjes helpen. Uiteindelijk is er echt veel meer dan een beetje mogelijk. Uiteindelijk kan komen wat we allemaal eigenlijk nu hopen: een leven zonder nood en dood. Want dat is toch wat we ‘t liefst willen: niet leven met een uitgestelde dood, maar zonder dood. Voor ieder mens kan dat leven komen. Voor ieder mens komt het einde van de tijd. Hoe ouder we zijn hoe spoediger. Ieder mens kan meemaken dat het meest duurzame leven dat hij of zij kan wensen, daadwerkelijk komt.

 

 

LITURGIE

(m.m.v. Job Hubatka, bariton)

Voorzang: Lied 712

Stilte

Bemoediging

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Lied: 440: 1,2,3                  

Groet:    V: De Heer zij met u

G: Ook met u zij de Heer

Welkom en Inleidend woord

Gebed om ontferming, gezongen: Psalm 102:1

Moment voor de kinderen en volwassenen               

Bijbellezingen: Mattheus 16: 26 t/m 28 gevolgd door 1 Thessalonicenzen 4: 13 t/m 18                  

Lied:  758: 1,3

Uitleg en verkondiging

Orgelspel: Wachet auf (J.S. Bach)

Lied: 749: 1

Gebeden

     Voorbeden met gesproken responsie: ‘Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons’

     Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 769: 1,5,6

Zegen (John Rutter, A clare benediction)     

May the Lord show his mercy upon you;                      Dat de Heer zich over jou ontfermt,
May the light of his presence be your guide:               het licht van zijn aanwezigheid jou begeleidt:
May he guard you and uphold you;                               dat Hij je beschermt en draagt
May his spirit be ever by your side.                               en Zijn Geest altijd aan je zijde is.

When you sleep may his angels watch over you;        Dat zijn engelen over je waken als je slaapt
When you wake may he fill you with his grace:           en zijn genade je vervult als je wakker bent:
May you love him and serve him all your days            dat je Hem liefhebt en dient al je dagen
Then in heaven may you see his face.                          en je dan in hemel Zijn gezicht zult zien.

May the Lord’s loving kindness surround you;            Dat de lieflijkheid van de Heer jou omgeeft,
Keep you safe as you journey on your way:                 je veilig houdt als je jouw pad vervolgt:
May he lead you and inspire you                                   dat Hij je leidt en inspireert
As he grants you the gift of each new day.                   steeds wanneer Hij je een nieuwe dag geeft.

May he bless all your loved ones and cherish them;  Dat Hij al je geliefden zegent en koestert,
Ev’ry friend, ev’ry stranger at your door:                      elke vriend, elke vreemdeling aan je deur:
In the name of his Son our Saviour Christ                    dat God in de naam van Zijn Zoon, Christus,
May God bless you now and evermore                         onze Redder, jou zegent, nu en voor altijd.

 

Drempelgebed

God, U geeft ons tijd.

Tijd om te schuilen

en tijd om kwetsbaar te zijn.

Tijd om los te laten wat niet goed was,

en tijd om opnieuw te beginnen.

Heer, U geeft ons ook het besef

hoe kostbaar tijd is,

hoe zonde het is om tijd te verliezen.

Wees met ons in dit uur,

bescherm ons komen en gaan,

maak deze tijd de moeite waard

omdat U met ons bent

en U niet loslaat

wat uw hand begon.



Welkom en inleidende woorden

Welkom, u hier in de kerk en u allen die thuis meekijkt en meeluistert. ‘Voorbereiden op het leven dat komt’, dat is het thema vanmorgen. Als ons leven ingeperkt wordt, vlamt de hoop op, samen met kritische vragen. We willen weer vrij bewegen! maar wanneer kan dat, en hoe leven we daarnaar toe? We realiseren ons sterker dan tevoren hoe kostbaar vrijheid is! maar hoe kunnen we voorkomen dat we opnieuw ingeperkt worden, hoe kunnen we straks beter met onze vrijheid omgaan dan we deden?

Twee weken geleden zei ik: we mogen uitzien naar een Koninkrijk, naar een goed leven met elkaar, dat komt zoals Gods zegen komt: door het hele leven heen, ook door nood en dood heen. Vandaag gaan we verder, in twee nieuwe stappen. Dat nieuwe leven komt voor iedereen. En het komt sneller dan we misschien denken. Ieder van ons zal het meemaken.

 

Moment voor kinderen en volwassenen

Toen mijn dochter nog klein was, had ze iets dat bijna alle kinderen hebben, denk ik. Als ik zei dat ik iets ging doen, bv boodschappen halen, sprong ze meteen op. Ze stond al met haar jas in de hand. ‘Gaan doen’ was voor haar: ‘nu doen’. Een belofte begreep ze niet goed. Iets wat je nu zegt straks gaan doen, is vreemd. Voor haar was er alleen nu.

Later, toen ze toch ontdekte dat er een later is, dat niet alles meteen gebeurt, was dat ook wel eens moeilijk. Later duurde soms zo lang, bv als meisje op school wachtend tot het vakantie werd.

Daarover gaat deze dienst. Over dat langzaam en snel in onze tijdsbeleving, die misschien iets meer is dan alleen een beleving. Hoe mogen we ons leven zien in het licht van de Eeuwige, en van het Koninkrijk dat Hij, God ons beloofd heeft?

 

Gebeden

Diaken

We denken vanmorgen aan jonge mensen, juist voor de komende wintermaanden. De coronamaatregelen brengen hen in een lastig parket. Als ze erop uitgaan om het opgelegde isolement te ontvluchten, kunnen ze anderen besmetten. En als ze zich aan de regels houden en thuisblijven, kunnen ze depressief worden. Heer, wij bidden U voor hen, help hen behoedzaam te zijn én hoop te houden. Wees met allen die veel behoefte hebben aan sociaal contact en uitgaan, maar dat deze weken of maanden niet kunnen. Zo bidden wij U allen tezamen…

Predikant

Heer, we bidden U voor onze zieken. Helemaal los van corona worden sommigen getroffen, en soms onverwachts, bij goede gezondheid. Een hersenbloeding, een heupbreuk, inwendige ontstekingen, of andere dingen die ook los van een hoge leeftijd voorkomen. Ineens krijgt het leven een heel ander perspectief. We voelen de schrik met hen mee, we voelen de zorgen met hen mee, hou hen vast, Heer, draag hen door de moeilijke tijd heen, geef hen mensen die meedragen. Zo bidden wij U…

Ik wil U ook bidden voor hen die in deze tijd van isolement hartzeer hebben en zich daardoor nog eenzamer voelen. Je moet maar de pijn van scheiding doormaken, afscheid nemen van een partner, of een moeder verliezen. Wees met hen, God, geef hen kracht om het verdriet toe te laten, maar er niet in te verdrinken. Schenk de ziel genezing en nieuw uitzicht. Zo bidden wij U allen tezamen…

Heer, zie onze gemengde gevoelens als juist oude medegemeenteleden of oude niet-gelovige mensen om ons heen laten zien, dat zij niet bang zijn voor de dood en daarom bij alle voorzichtigheid zich ook kwetsbaar durven opstellen, niet spelend met hun gezondheid of het besmettingsgevaar, maar er ook niet al te bevreesd voor. Zie onze tweestrijd, Heer, als zij tot ons zeggen: ‘Zeker, wij zijn oud, maar wij hadden een goed leven en hebben onze langste tijd gehad. Is het niet beter te sterven mét je geliefden, met je broeders en zusters, dan te vereenzamen of te sterven in isolement? Waarvoor of voor wie zijn we eigenlijk bang? De dood komt toch, en in afzienbare tijd. Dat ligt voor jongeren anders, natuurlijk zijn zij voorzichtiger.’ Heer, u weet hoeveel tijd van leven ieder van ons gegeven is; geef dat we die tijd zo goed mogelijk durven besteden, zo bidden wij U allen…

God, we bidden U voor ons allemaal in deze coronamaanden, binnen en buiten de kerk. Vooral jongeren worden rebelser. Maar overal horen we dat mensen gemakkelijker geïrriteerd raken, mensen die leiding geven, en mensen die de zoveelste maatregel moeten accepteren. En dat terwijl de omstandigheden erom vragen juist barmhartiger te worden, voor elkaar en voor onszelf. Ontferm U over ons, leer ons elkaar niet alleen fysiek, maar ook geestelijk meer ruimte geven in plaats van minder. Zo bidden wij U allen tezamen…

Stil gebed

Onze Vader

 

——————————

Voor de middagpauzedienst (3-11-20) in éen van de tehuizen in onze wijk, de Gooise Warande heb ik uit bovenstaande preek éen punt uitgewerkt (Liederen uit oude Liedboek):

Welkom

Bemoediging en Groet

Openingslied: Psalm 102: 9, 13

Gebed

Bijbellezing: Matteus16: 24 t/m 28 + 19: 27 t/m 20: 14

Gezang 482: 1, 5, 8

Overdenking

Gezang 127: 1,3

Gebeden

Collecte

Slotlied 93: 1,3

Zegen

 

Jullie zullen het nog meemaken, zegt Jezus. Jullie zullen de Mensenzoon zien in de heerlijkheid van zijn Vader en vergezeld van engelen.

Jezus zegt dit tegen zijn discipelen, maar hoe kan hij dat zeggen? We weten allemaal dat na deze woorden voor Jezus al gauw het lijden en toen de dood kwam. Dat is toch wat anders dan de koninklijke macht en glorie van de Mensenzoon. Brak die glorie dan met zijn opstanding aan? Die vraag hebben de discipelen zelf na Pasen aan Jezus gesteld. Herstelt u nu het koningschap over Israël? Maar de hemelvaart kwam ertussen. Als wij denken aan de glorieuze komst van het Koninkrijk, denken we vooral aan Jezus’ wederkomst. Maar die is nog steeds niet gekomen, toch? Dus hoezo kan Jezus tot zijn volgelingen zeggen: ‘Jullie zullen het meemaken’?

Toch zegt Jezus het. Hij voegt er zelfs nog iets aan toe: Jullie zullen mee aanzitten in het Koninkrijk en heersen over de twaalf stammen van Israël. Jezus zegt dus tegen zijn discipelen, dat zij niet alleen hem in zijn koninklijke macht zullen zien, maar zelf in die macht zullen delen. Ook dat zullen ze meemaken in hun leven. Hoe kan Jezus dit allemaal zeggen? Heeft hij zich niet enorm in de tijd vergist?

Of vergissen wij ons in de tijd? Vergissen wij ons misschien over wat Jezus bedoelt met zijn wederkomst in glorie? Wij denken daarbij vooral aan een rijk van gerechtigheid dat in de loop van de geschiedenis of aan het einde daarvan aanbreekt. Een rijk dat nog steeds niet gekomen is. Er zijn wel veelbelovende tekenen geweest, ontwikkelingen die in de goede richting wezen, maar er kwam ook steeds weer teleurstelling. En zo werd de komst van het Koninkrijk telkens uitgesteld, naar de volgende generatie. Misschien dat onze kinderen, of kleinkinderen er meer van zien… Maar is dit het tijdsbestek waaraan Jezus dacht? Kijken we zo goed naar het Koninkrijk in zijn kracht en heerlijkheid?

De belangrijkste aanwijzing dat we het iets anders moeten zien komt uit het leven van Jezus zelf. Jezus zelf is tijdens zijn leven zijn heerlijkheid binnengegaan, met zijn opstanding en hemelvaart. Hij zit nu aan de rechterhand van zijn Vader, in glorie en met alle macht in de hemel en op aarde. Wanneer zullen zijn volgelingen hem zien komen? Ik denk dat het eerste antwoord hierop is: als ook zij de weg gaan die Jezus ging, dus als ook zij, in zijn voetspoor, leven en sterven. En ja, dan zien zij hem aan het eind van die weg in glorie verschijnen. Hij wacht hen daar op, hij komt hen vandaar tegemoet.

In feite is dit de overtuiging van de kerk van alle plaatsen en tijden geworden, denk maar aan onze geloofsbelijdenis: ‘…vanwaar hij komen zal om te oordelen levenden en doden’. Hij komt (weder) aan het eind van de tijd, maar dat eind breekt niet alleen bij het einde van de wereld of de geschiedenis aan, maar dat breekt voor elk mens bij het einde van zijn of haar leven aan.

 

Op deze wijze krijgen we naar mijn inzicht het beste antwoord op een aantal lastige vragen. Zoals de vraag hoe rechtvaardig het is als het Koninkrijk van vrede en recht uiteindelijk alleen voor de laatste generatie mensen op aarde zou komen omdat alle eerdere generaties inmiddels dood zijn. Maar dit antwoord roept ook nieuwe lastige vragen op. In feite gaat Mattheus op éen van die lastige vragen in, meteen in de tekst die volgt op Jezus’ woord over het delen van zijn glorie in het Koninkrijk. En ook die vraag draait om het gevoel van (on)rechtvaardigheid.

Als ieder volk, ja ieder mens het Koninkrijk kan binnengaan, doen zij dat klaarblijkelijk niet op hetzelfde moment. Israël kwam eerst, toen pas de andere volken. Europa kwam eerst, toen pas de andere continenten. Volken en mensen leven in heel verschillende tijden en op heel verschillende plaatsen, en worden daarom ook op heel verschillende tijden en plaatsen geroepen om het Koninkrijk binnen te gaan. Het ene volk is al eeuwen christelijk als het andere volk nog maar amper door het evangelie geraakt is. De ene mens groeit op in een christelijk gezin, de andere in een atheïstische familie, of onder hindoes of moslims.

Wat een enorme ongelijktijdigheid bij het binnengaan van het Koninkrijk! De éen gaat het rijk vroeg, de ander laat binnen. Wat de discipelen hierbij vooral bijt is de gedachte dat de éen dus veel meer en langer God dient dan de ander. Maar hoe zit het dan met beloning? Is er in Gods wijngaard geen loon naar arbeid? Zou dat niet onrechtvaardig zijn?

In het evangelie van Mattheus volgt op de tekst over het heersen met Jezus in zijn Koninkrijk, de gelijkenis over de werkers in de wijngaard. Hoe moet dat nu met al die mensen, die allemaal op een andere tijd geroepen worden om voor God te gaan werken? Zij komen vanuit de meest verschillende startposities het Koninkrijk binnen, maar delen tenslotte allemaal in de glorie ervan?

In de wijngaard van Gods Koninkrijk werken sommige mensen vanaf het eerste uur, de hele dag. Anderen worden pas op de middag aan het werk gezet. Nog anderen komen er pas voor het laatste uur bij. En toch krijgen ze aan het eind van dag allemaal wat ze nodig hebben om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Waarom krijgen zij die een halve dag of maar éen uur gewerkt hebben evenveel loon als zij die de hele dag gewerkt hebben? De heer van de wijngaard legt uit, dat de werkers van het laatste uur niet eerder werden geroepen en aan het werk gezet. Het is niet hun schuld dat ze niet meer gewerkt hebben. Maar ook zij moeten leven.

Als je laat tot geloof in God komt en zijn wil gaat doen, maar daar niet veel aan kon doen, krijg je toch het volle loon dat God voor al zijn werkers in het vooruitzicht heeft gesteld: blijvend leven met Hem. Is dat in feite niet heel fair? Ook als je niet in een christelijk gezin of land bent opgegroeid; of als je daar wel bent opgegroeid maar toch pas laat echt door het evangelie geraakt werd; zelfs als dat pas in je stervensuur gebeurt, is het nog niet té laat, ook dan kun je je leven alsnog behouden, want ook dan krijg je de kans om in de glorie van de Heer te gaan delen.

 

Waarschijnlijk hebben de meesten van ons, zoals we hier zitten, vanaf het eerste uur in Gods wijngaard gewerkt. We zijn christelijk opgevoed en bij de kerk gebleven. Maar misschien worden onze kinderen of kleinkinderen pas op het zesde of elfde uur van hun leven goed door het evangelie gepakt. Wat een troost, dat zij tot op het laatste moment kunnen binnengaan in het onvergankelijke leven dat begint in dit leven!

Nog even, en we zitten weer in Advent. We bereiden ons voor op de komst van de Heer. Voor de ene mens komt de Heer vroeg in het leven en loopt Hij de hele levensweg mee. Voor de ander komt Hij ergens halverwege de levensweg. Voor een derde komt Hij laat, misschien zelfs op het laatste moment. Dat geldt in zekere zin ook voor volken. Maar de wederkomst, de tweede komst van de Heer, in glorie, komt voor ieder mens bij de voleinding van zijn of haar levensweg. Hoe ouder we worden, hoe dichter bij dat moment. En hoe oud we ook worden, onze dood komt altijd nog tijdens ons leven. Wij allemaal zullen de Mensenzoon in zijn glorie dus inderdaad zien!

 

 ——————————————————————————————

Voorbereiden op het leven dat komt (1) Als ik later…

Wilhelminakerk 11-10-20

 

Als ik later dood ben – velen van ons denken: dan houdt alles op. Of in elk geval: wat dan komt is niet te zeggen. Of, we moeten daar maar niet aan denken. Zijn er geen belangrijker dingen om ons mee bezig te houden? Er is zoveel nood. En laten we zo lang mogelijk van het leven genieten.

Deze reactie is in de afgelopen maanden weer heel sterk geworden; en hoe begrijpelijk. De fysieke nood is zeer dichtbij gekomen, we zitten er midden in. Hoe raak ik niet besmet? Hoe voorkom ik dat ik een ander besmet? Hoe zorg ik voor mijn ouders, of mijn gemeenteleden die nu vereenzamen? Dat zijn de vragen die ons bezig houden. We zijn ons pijnlijk bewust geworden van de kwetsbaarheid van ons lichaam; en van de kwetsbaarheid van onze welvaart, onze materiële zekerheden.

Deze focus op het hier en nu, deze inperking van onze aandacht tot de dingen waartoe ons leven is ingeperkt door corona, heeft de vraag ‘Als ik later..’ toch niet doen verstommen. Integendeel. Alleen, ook deze vraag is gefocust op ons lichamelijke, materiële leven. Als ik later.. weer kan gaan en staan waar ik wil. Als ik later mijn lieve moeder en mijn oude buurvrouw weer kan knuffelen. Als ik later weer alle mensen kan ontvangen die er in mijn restaurant of kerkzaal passen. Hoe sterk is dit verlangen, juist nu het ingeperkt is!

Maar als we niet meer verlangen dan dit, hebben we de kindervraag in feite losgelaten, want dan hebben we de groeimogelijkheid die in de vraag zit laten vallen, de hoop op verbetering, ja de wil om dingen beter te gaan doen dan we deden. Dan vragen we niet: als ik later groot ben, maar als ik later weer even klein kan zijn dan ik nu ben. Is dat wat we willen? Alleen maar herstel?

Er zijn mensen om ons heen die het verlangen naar beter niet loslaten. Ze voelen dat er meer nodig is dan herstel; tegen de druk in zien ze nieuwe kansen, willen ze dingen anders gaan doen. Zelfs als we niet helemaal zullen kunnen herstellen omdat de klap die onze gezondheid of onze economie gekregen heeft blijvende sporen zal achterlaten, zelfs dan kan geloofd en gehoopt worden dat er meer mogelijk is. Een beter leven binnen smallere marges.

In deze richting stuwt ook het lied van Stef Bos. Hij zingt van een verlangen naar meer, een hoop op beter, de mogelijkheid van mooier. Hij wil voor zijn zoontje de vader zijn die hij niet voldoende was. Hij wil de liefde tonen die hij niet genoeg getoond heeft. Hij wil boven zichzelf uitstijgen, maar in alle nuchterheid, niet idealistisch of je droom volgend, zoals het vroeger vaak ging. Misschien mag ik ook zeggen: hij wil het kinderlijke afleggen en volwassen worden – net als zijn kind dat wil.

En dan komt het meest bijzondere. Uit het lied spreekt het geloof dat die groei niet hoeft te stranden op de inperkingen die het leven ons oplegt. Dat is al heel mooi, maar er is meer. Dit geloof hoeft zelfs niet te stranden op de inperking die het leven zelf is opgelegd. Stef Bos neemt de verspreking van zijn zoontje over en zingt: Later als ik dood ben. Dan zal ik al die dingen doen die nu bij mij zo matig uit de verf komen. Later als ik dood ben, dan zal ik zijn wie ik nu zo weinig, te weinig ben…

We staan hier op de rand van een oer-christelijke hoop. Een hoop die velen bijna niet meer durven hopen. We zien allemaal uit naar een leven dat komt. We bidden er bijna dagelijks om, we bidden er wekelijks om: Uw Koninkrijk kome. We proberen naar deze hoop te leven zolang we leven – maar durven we dat ook nog te doen als we sterven? Durven we ook dan uitzien naar een leven dat komt? Niet meer van hetzelfde – meer van hetzelfde houdt een keer op, ook zonder corona of een andere rampspoed. Nee, meer dan hetzelfde, een beter leven. Een leven dat alles wat in dit leven onaf bleef voltooit. Een leven waarin alle tranen van de ogen afgewist worden en de schuld van ons leven afbetaald. En zo een dood die ons leven niet eindigt, maar voleindigt.

 

Zo zijn we in de buurt van Paulus gekomen. Maar laten we niet te snel gaan, we hebben al moeite genoeg om deze ene stap te zetten, om het verlangen naar een leven dat komt door te trekken tot in en voorbij de dood. Velen van ons haken af, we luisteren naar het liedje van Bos met een vertederd of wat meewarig gevoel: Dit is poëzie, toch een mooie droom. Wie realistisch is beperkt zich al gauw weer tot dit leven, en dit leven levend alsof er geen God is. Alsof er alleen maar fysieke, materiële realiteit is, met al haar wel en wee, en de emotionele en sociale reacties die dit oproept in mensen.

Mag ik twee gedachten meegeven uit de christelijke traditie, die ons nog wat dichter bij Paulus brengen. De eerste gedachte is dat de hele bijbel ons bewust wil maken van een leven dat komt, en dat daarbij ook een duidelijke grens ervaren wordt. Genesis vertelt dat de schepping het begin van leven is, maar een leven dat al snel een geschiedenis krijgt en dat al snel op de harde grens van dood stuit. Een geschiedenis die eigenlijk pas goed begint met Abraham, als hij op weg gaat naar een onbekende toekomst, naar een leven dat komt. Alleen zo worden de Abrahamskinderen tot zegen voor alle volken. En die zegen zal alleen komen als zij Thora zullen leren, als zij Gods wil op aarde leren doen zoals die in de hemel gedaan wordt. De Israëlieten moeten langs de Sinaï, ze behouden de zegeningen die zij onderweg krijgen als zij Gods geboden onderhouden. En in hun voetspoor worden na Christus alle volken geroepen om op weg te gaan naar het leven dat komt. –Wanneer is dat gezegende leven gekomen? Het kwam, meer of minder, maar liep ook steeds weer vast, vooral op menselijk falen. Het zal in de volgende generatie komen, later in de geschiedenis. Het kwam, maar bleef ook hoop. En ondertussen stierf de oude generatie. En de volgende, en de volgende. Abraham is gestorven, Mozes ook, David is gestorven, Jezus ook.

Is dat het dan? Nergens komt het helemaal en voor velen komt er nog veel minder, en voor iedereen komt het tenslotte helemaal niet. Al in het Oude Testament zien we, dat zelfs de nuchtere Israëliet, die niet kan geloven in de onsterfelijkheid van de ziel of een hemel, tegen de grens van het aardse leven aanduwt, en zich niet kan neerleggen bij de laatste inperking van het leven. Hoe kan God een goed mens aan zijn lot overlaten? En dan komt dat ongelooflijke verhaal van die Israëliet die opstond uit de dood. Wat sommige liederen in de bijbel, sommige psalmen slechts durven suggereren, kan nu openlijk gezegd worden: God laat zijn rechtvaardige niet over aan het dodenrijk, Hij redt, ook dan. Kijk maar, Jezus is het bewijs. Alles kan nog goed komen zelfs als we het leven verloren hebben.

Hier is een tweede Bijbelse gedachte. Goed leven, rechtvaardig leven, doen wat God graag wil, dat is iets dat we moeten leren in ons hele leven. Daar beginnen we als kind al mee, en we blijven het proberen tot en met onze laatste ademtocht. Maar dat betekent: sterven hoort bij leven. Of wij goed leven blijkt niet alleen tijdens ons leven, maar ook in ons sterven. Hier ligt de volle waarheid van de gedachte, dat de dood bij het leven hoort. Hoe hoort de dood bij het leven?

Het evangelie sluit aan bij een oer-menselijke ervaring. Ieder van ons kent het, uit verhalen van vroeger, of van heiligen, of van soldaten die ergens voor onze veiligheid of welvaart vechten. In je leven kun je veel goeds doen, maar het beste kun je doen in je sterven. Tijdens je leven kun je veel geven, maar met je sterven kun je alles geven, kun je je leven geven. En dan komt alles erop aan hoe je dat geeft, aan wie je het geeft, voor welke zaak je het geeft. Dat maakt allemaal verschil. Sterven is zo gezien de bekroning van leven, de laatste daad van jou als levende, waarin je laat zien waarvoor je geleefd hebt, voor wie je geleefd hebt.

Ik hoef niet te verwijzen naar het mooiste voorbeeld hiervan, Jezus. Ik kan ook verwijzen naar allen die in zijn voetspoor zijn gegaan en hun leven gegeven hebben als getuige van de goedheid van God die Jezus toonde met woord en daad. Hoe velen hebben hun leven gegeven, in allerlei omstandigheden, vaak heel on-heroïsch, maar toch, gegeven voor de goede zaak. En zij, zingt Openbaring, hebben de kroon des levens ontvangen, zij die overwonnen zoals Jezus overwon. Zij die goed blijven doen tot in de dood, zullen gered worden tot in de dood. Voor hen is het leven gekomen dat geen inperkingen kent, God zet in hun dood de kroon op hun leven.

 

Wat we allemaal willen, wat we allemaal willen als we besmetting willen voorkomen, wat we allemaal willen als we besmet worden en in het ziekenhuis belanden: niet doodgaan, maar leven, een leven waaruit de doodsdreiging weg is – wat we allemaal willen maar eigenlijk alleen maar kunnen uitstellen omdat we toch een keer zullen sterven, wij allemaal – dat leven komt via ons hele leven en daar hoort ons sterven bij. Het komt als bekroning van een goed leven tot het einde toe.

God die het beste met ons voor heeft, moedigt ons aan om zo te leven, en Hij wil ons op zijn tijd alles wil geven dat we daarvoor nodig hebben. Hij wil ons daartoe voor alles liefde geven, en dat is de liefde voor Hem boven alles en voor onze naasten als onszelf, een liefde die uiteindelijk bereid is het eigen leven te geven. En zo zijn we helemaal bij Paulus aangenomen, want deze liefde, zingt Paulus, is sterker dan alle verdrukking, sterker dan alle tegenspoed, machten of ziekten. Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Noch het leven noch de dood kan ons van deze liefde scheiden!

 

 

 LITURGIE

Orgelspel

Stilte

Bemoediging

O: Onze hulp is de Naam van de Heer

A: die hemel en aarde gemaakt heeft

O: die trouw houdt tot in eeuwigheid

A: en niet loslaat wat zijn hand begon

O: Genade en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heer Jezus christus

A: Amen

Drempelgebed

Lied: 642:1,3

Groet:    V: De Heer zij met u,

G: Ook met u zij de Heer

Welkom en Inleidend woord

Gebed om ontferming

Moment voor de kinderen en volwassenen (hier lied van Stef Bos: Als ik later..)             

Bijbellezing: Romeinen 8: 31 t/m 39                             

Lied:  641: 2,3

Uitleg en verkondiging

Lied: 675:2

Gebeden
       Voorbeden met gesproken responsie: Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons

Stil gebed. Onze Vader

Mededelingen door de ouderling van dienst

Slotlied: 727: 3, 6,10

Zegen

Drempelgebed

 

God wees met ons

nu we uw aanwezigheid zoeken

hier in uw huis. Bescherm ons,

we voelen ons kwetsbaar.

Meer dan ooit zien we uit

naar het leven dat komt, bevrijd,

niet langer ingeperkt en elkaar mijdend.

Help ons overwinteren, Heer, voorbereiden,

vertrouwen dat het leven uw leven is,

U die beloofd hebt dat U komt,

U die ons zegt: Vrees niet,

hier ben Ik.

Wees met ons,

Heer, hier zijn we,

wees met ons allen

waar we ook zijn.

 

Welkom en inleidende woorden

Iedereen van harte welkom in deze dienst, u hier in de kerk en u die nu meeluistert en meekijkt thuis. Onze groep is door de laatste maatregelen weer kleiner geworden, maar we mogen erop vertrouwen dat onze Heer ons met zijn aanwezigheid zal zegenen. Hij nam met nog heel wat minder genoegen: ‘waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn’:)

Het thema van vanmorgen is: voorbereiden op het leven dat komt. In een opgelegd isolement hoeft de actualiteit hiervan geen uitleg. Natuurlijk zien we uit naar een beter leven! Tegelijk stelt dat ook vragen aan ons. Hoe zal het leven zijn dat komt? We hopen dat het een beter leven is, maar wat is een beter leven? Willen we zo snel mogelijk ons oude leven terug, of willen we iets meer, iets duurzamers? Waar zien we naar uit?

 

Gebed om ontferming

God, wees met allen die opnieuw bevreesd zijn, nu het virus weer om zich heen grijpt in ons land. Geef hen vrede zodat ze voorzichtig, maar ook nuchter en vrijmoedig kunnen blijven.

Wees met hen die zich wat al te vrij voelen, die alle coronamaatregelen onzin vinden. Heer, wek hun geweten.

Wees met hen die in deze tijd te maken hebben met éen van de gewone kwalen waardoor mensen geplaagd worden, maar die nu minder geholpen kunnen worden. Wees met onze gemeenteleden die met een hersenbloeding of met een gebroken heup in een ziekenhuis beland zijn, sterk hen, God!

Zo bidden wij U allen in Jezus’ naam, amen.

 

Moment voor kinderen en volwassenen

Kennen jullie de zanger Stef Bos? Hij is heel bekend in Nederland, laatst was hij weer op TV. Nog niet zo lang geleden heeft Stef Bos een liedje gemaakt dat veel mensen in ons land kennen. Het heet ‘Als ik later..’ We gaan het straks horen, maar eerst wil ik jullie vertellen hoe dit liedje ontstaan is. Bos heeft dat op de TV uitgelegd.

Op een dag vroeg hij aan zijn zoontje: Wat wil je worden als je later groot bent? Julian, heeft je vader of moeder of oma Joke je dit ook wel eens gevraagd? Wat wil je worden als je groot bent? Is er iets wat je later graag zou kunnen en wat je nu nog niet kan? Ken je iemand die je heel mooi vindt, die je heel goed vindt, iemand van wie je zegt: Zo wil ik later ook zijn?

Het zoontje van Stef Bos moest even over de vraag van zijn vader nadenken. Hij zei: En jij, papa, wat wil jij worden als je later dood bent? Oeps, vader Bos moest even slikken. Zijn zoontje had wel meer grappen, of vindt hij zijn vader erg oud? Ineens kreeg vader Bos het idee van dit liedje. ‘Als ik later dood ben’ – is dat eigenlijk wel zo’n gekke vraag? Is het wel een heel andere vraag dan ‘Als ik later groot ben?’

Als we naar het liedje luisteren, is het antwoord: nee. Ook in het liedje vraagt de vader: wat wil ik later worden? Wat zou ik graag kunnen wat ik nu niet kan? Wie zou ik willen zijn, later? Alsof we deze vraag ook gewoon kunnen stellen als we dood zijn!

Maar kan dat dan niet? vragen onze kinderen en kleinkinderen aan ons.

We gaan nu het lied van Stef Bos horen. Vanwege copyright zullen mensen thuis dit even niet kunnen meemaken. Maar dat is gemakkelijk in te halen, na de dienst of misschien nu al, als u zelf naar Youtube gaat en het liedje aanklikt, ‘Als ik later dood ben’. Voor ons hier in de kerk is het eigenlijk het glorialied. Het is geen glorialied zoals we dat meestal zingen, maar het roept zo wel de vraag op die ik vanmorgen wil stellen en die past bij de situatie waarin we ons allemaal bevinden, binnen en buiten de kerk. Durven we het verlangen dat uit dit liedje spreekt stem te geven? En hoe doen we dat dan?

 

 

Gebeden

Heer wees met ons in onze vrees voor besmetting, in onze vrees om ons leven in gevaar te brengen en te verliezen. Wees met ons in onze vrees om anderen in gevaar te brengen. En wees met ons in onze bewondering maar ook gemengde gevoelens als we iemand het eigen leven in gevaar zien brengen om een ander te redden. We bidden U voor onze artsen en verpleegkundigen. Zo bidden wij U allen tezamen:…

Heer, wat winnen we als we ons leven behouden, maar de moed verliezen om het te geven voor iets en iemand die dat werkelijk waard is? Wat winnen we als we ons leven behouden, maar het geloof verliezen in de voltooiing en bekroning van ons leven, die U ons geeft als we er helemaal voor gaan? Help ons, Heer, prikkel ons! Als geluk ons niet kan stimuleren tot een goed en beter leven, laat de nood het dan doen, hoe vervelend die ook is. Kom met uw ontferming én met uw oproep in ons midden. Troost ons, prikkel ons, doe ons opstaan, Heer! Zo bidden wij U allen tezamen…

Heer velen van ons zijn al ouder, of oud. Velen in onze kring, van familie of gemeente, zijn heel oud. Help ons voorbereiden op het leven dat komt, corona of niet; help ons voorbereiden op de dood die komt. U die wil maken dat ons leven de moeite waard is, maak ook ons sterven de moeite waard, help ons! Er is zoveel te geven – we kunnen ons geld aan goede doelen geven, we kunnen ons gebed geven aan mensen dichtbij en veraf, we kunnen liefde geven tot onze laatste adem, we kunnen ons leven teruggeven in uw handen. Heer, leer ons leven, leer ons sterven, zo bidden wij U allen…

Stil gebed, Onze Vader