Tweede Advent

Gemeente van Christus,

Wie bent u? Wie ben jij? Als u, als jou die vraag zo op de mens af gesteld zou worden, wat antwoord je dan? Ik heb eens na zitten denken over wat ik zou antwoorden. Het was eigenlijk onmogelijk tot één antwoord, één woord te komen. Ik zou, denk ik, als eerste antwoorden: ik ben Wielie, maar daarmee zou nog niets zijn gezegd. Althans, voor sommige mensen misschien wel. Ah, Wielie! Die van Wielie van Wielie van Wielie! De vierde Wielie op rij in de familie Elhorst. Ik zou, denk ik, ook al snel antwoorden: ik ben dominee, maar ook: ik ben een activist, een activist voor de rechten van LHBTI+-personen. Ik ben gelovig. Ik ben een kerkgaand mens. Ik ben alleenstaand. Ik ben een vriend. Ik ben soms ongeduldig, vaker verontwaardigd. Ik ben meestal een harde werker. En er zouden ook dingen zijn die ik niet zou zeggen. Dingen die bij mij horen, maar waar ik me voor schaam. (…) De antwoorden zouden, denk ik, ook afhangen van wie mij de vraag stelt. Ik ben wel eens in situaties waarin ik zo lang mogelijk probeer te vermijden te zeggen dat ik voor de kerk werk. Niet omdat ik mij daarvoor schaam, maar omdat het, ben ik dan bang voor, associaties oproept, die mij direct in een bepaald daglicht zetten, ook al zijn die associaties volkomen onterecht en hebben ze niets met mij te maken. Soms zou ik misschien helemaal niets zeggen, omdat ik de vraag ongepast vindt. Wie ben jij mij te vragen wie ik ben? Wie ben je? Kun je zeggen dat je een mens bent uit één stuk of moeten we eigenlijk vaststellen dat mensen altijd uiteenvallen in fragmenten; dat er eigenlijk geen geheel is; dat het eigenlijk onmogelijk is je zelf samen te vatten, om het zo maar te zeggen. En als je nu uitlegt wie je bent, is dan over een jaar het antwoord nog hetzelfde? Is wie wij zijn ooit afgerond of is het altijd een proces met een open einde? Waar vindt dat proces een anker en hebben wij dat eigenlijk nodig? Kun je jezelf eigenlijk wel kennen? Ik kan u verzekeren dat ik mijzelf ten goede en ten kwade heb verrast met wie ik soms bleek te zijn, en ik ben benieuwd wat het leven wat dat betreft nog voor mij in petto heeft. Wie ik ben lijkt geen uitgemaakte zaak.

 

Wie ben je? Het is de hoofdvraag in het Bijbelgedeelte uit het Evangelie naar Johannes dat we zojuist hebben gehoord. Wie ben je? Een vraag naar identiteit, zouden we tegenwoordig zeggen. De vraag is meer dan ooit belangrijk, of, moeten we zeggen: wordt meer dan ooit belangrijk gevonden. In mijn eigen leven was de vraag lange tijd een nogal prangende. Bij de dingen die ik als tiener aan mijzelf ontdekte, vroeg ik mij af: wie ben ik? Hoe kan ik zo anders zijn dan de mensen om mij heen, dan de mensen die van mij houden, dan de gemeenschap waartoe ik behoor? Ik had in eerste instantie geen antwoord op die vragen. Ik voelde me onthand. De vraag was te zwaar voor een tiener. Maar gaandeweg vond ik de woorden, vond ik het vocabulaire. Wie ben ik? Ik ben ook homo. Geen gemakkelijke ontdekking, een bevochten identiteit, op mijzelf en op mijn omgeving. De woorden, het vocabulaire was hard nodig om mijzelf te vinden, om een antwoord te vinden op de vraag: wie ben ik? Identiteit is inderdaad belangrijk. De woorden die een mens vindt voor zichzelf, ook de woorden die worden aangereikt, helpen mensen te rusten in een begrip van zichzelf, hoezeer dat ook steeds aan verandering onderhevig kan zijn, hoezeer dat soms ook bevochten moet worden, hoezeer mensen ook beseffen dat ze nooit helemaal samenvallen met die woorden.

Een antwoord op de vraag: wie ben jij, of: wie zijn jullie, of: wie zijn wij, kan ook gevaarlijk zijn. In een verwoede poging bepaalde ontwikkelingen te ontwijken of verandering buiten de deur te houden of uit een verlangen naar macht, zoeken groepen, naties naar identiteit. Al langere tijd zien we om ons heen dat landen, dat volken hun heil zoeken in wat we ‘identiteitspolitiek’ noemen, dat landen een antwoord geven op de vraag wie zij zijn. Dat is op zichzelf geen verkeerde vraag, maar wanneer die om dubieuze redenen wordt gesteld, sluit het antwoord op die vraag vaak of eigenlijk bijna altijd mensen uit. We zien het om ons heen in Europa gebeuren. We zien landen zeggen: wij zijn een land van traditionele waarden, we zijn een land van witte mensen, we zijn een land met een geloof dat zich maar in één bepaalde kerk naar waarheid uitdrukt, we zijn een land van familiewaarden. En wie zien hoe die landen zich steeds meer terugtrekken, achter de eigen grenzen, achter muren, achter prikkeldraad, soms letterlijk. Wie ben je? Wie zijn jullie? Het is een vraag naar identiteit die beantwoord mag worden, die voor de broodnodige zelfwaardering kan zorgen, maar die evengoed wegen kan afsluiten, en nogal exclusief blijkt te zijn. En we zien die beweging niet alleen in landen, maar ook in kerken, dichtbij en ver weg. En u kunt het waarschijnlijk al opmaken uit mijn woorden: ik ben daar niet heel erg blij mee.

 

Voor alle duidelijkheid: de vraag naar identiteit, naar zicht op wie wij zijn, is echt geen onzinnige. Juist in deze tijd is het voor ons, voor ons gelovigen, voor ons als kerk, goed die vraag te stellen of gesteld te krijgen, uitgenodigd te worden dit onder woorden te brengen. Maar wat ik vaak zie, is een antwoord die een beweging naar binnen maakt, in plaats van naar buiten, en dat is, denk ik, toch niet de bedoeling. Ik geloof dat we op deze Tweede Advent, op weg naar het licht van Kerst, een antwoord kunnen vinden op de vraag naar onze identiteit in de vraag die aan Johannes wordt gesteld en vooral in het antwoord dat hij geeft. We horen dat de Joden, nader geïdentificeerd met de priesters en de Levieten en verderop met vertegen-woordigers van de Farizeëen, van Johannes willen weten wie hij is. De mensen die de religieuze macht, de religieuze status quo vertegenwoordigen willen weten wie Johannes is, en de vromen onder de Joden, de orthodoxen willen dat ook. Er waren in die tijd zoveel mannen als Johannes, die mensen opriepen zich te bekeren, die de komst van het Rijk van God aankondigden en die mensen doopten. Maar kennelijk herkennen zij iets in deze man, iets van een oeroude belofte die is gedaan, in deze asceet in zijn mantel van kamelenhaar. We kunnen uit het staccato van de vragen achter elkaar, denk ik, opmaken dat de vragen niet echt uit oprechte interesse bedoeld zijn. Er lijkt eerder sprake van zelfinteresse. We horen de vertegenwoordigers van de Farizeëeen zeggen: voor de draad ermee, we kunnen niet zonder antwoord terug naar onze opdrachtgevers. De vraag: ‘Wie ben jij?’ is hier geen vraag die uitnodigt om te vertellen, het is een eerder vraag die probeert klem te zetten, die probeert te labelen. Er wordt een bepaald antwoord verlangt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de evangelist hier ter wille van zijn verhaal, van zijn theologie, de vragenstellers opvoert als ‘bad guys’, een presentatie die in de geschiedenis van het christendom, van de kerk, nogal kwalijke gevolgen heeft gehad. De lading van de woorden is antisemitisch gebleken en het is goed dat wij, dat onze kerk, dat hoe langer hoe meer herkent en gevoelig wordt voor de kwalijke gevolgen van woorden, ook al zijn die in de Bijbel terechtgekomen. Het is een prangende vraag naar onze identiteit, die wij moeten beantwoorden.

De Joden, de tijdgenoten van Johannes, de mensen met interessen en belangen, vuren hun vragen op Johannes af, en steeds is het antwoord: nee, dat ben ik niet. Ik ben niet Elia. Ik ben niet de profeet, ik ben niet de messias. En dan, na nog een keer naar zijn identiteit gevraagd te zijn, antwoordt Johannes: ‘Ik ben een luid roepende in de woestijn. Richt recht de weg van de Heer’. Het zijn woorden van de profeet Jesaja. Dat is apart. Johannes antwoordt niet met zijn naam, zoals ik zou doen. Hij geeft een antwoord met woorden die zeggen wat hij doet, hoe hij handelt. Het is een heel joods antwoord. Wie je bent valt niet zomaar samen met je naam of met welke zelfverklaring dan ook, het is af te lezen uit wat je doet. Wie je bent, ook, of juist voor God, wordt bepaald door je handelen dat hopelijk een goed handelen is. Zo word je iemand, zo krijg je een gezicht. Johannes gebruikt woorden die een antwoord op de vraag naar wie hij is, buiten zichzelf aanwijst, buiten zichzelf zoekt. Hij is een stem die roept, maar dan niet voor zichzelf, maar voor een ander. Richt recht de weg van de Heer. Het antwoord op de vraag wie hij is, is geen zelfverklaring, al begint het antwoord met de woorden ‘ik ben’, het is een verwijzing, en in die verwijzing, naar Jezus, naar de Christus, wil Johannes dat de vragenstellers hem verstaan. Niet voor niets begint dit Bijbelgedeelte met de woorden: dit is het getuigenis van Johannes, en niet met: dit is Johannes. Dit zijn de woorden van Johannes, die verwijzen en daarmee tegelijk een antwoord geven op de vraag wie hij zelf is. Dat is toch anders dan wij het gewend zijn, gevraagd naar onze identiteit. Hier is sprake van een identiteit die juist wordt gevonden in de verwijzing naar een ander. Anders dan wij gewend zijn, maar is het verbazingwekkend, voor ons, eigenlijk? Nee, het is, direct aan het begin van het evangelie, de kern van wie ook wij mogen zijn, en wij weten dat ook, belijden het: een verwijzing, een getuigenis, van Christus, voor wie wij niet anders dan Johannes de weg recht maken, dwars door de woestijn. We zongen het twee weken geleden nog, in de Gedachtenisdienst: wij leven en sterven niet voor onszelf, maar voor onze Heer.

 

Het mooie is, als ik het zo mag zeggen, tot slot, dat weten wie Jezus is niet zomaar een uitgemaakte zaak is. Wij hebben Hem nooit in pacht. Ook de woorden van Johannes over Jezus zijn geen laatste woorden. We bereiden niet alleen een weg vóór Jezus, Hem leren kennen is zelf een aspect ván die weg. Johannes weet wat hij doet en hij doet het, maar hij claimt Jezus niet. Hij kan Jezus niet claimen. Jezus blijft ook een tegenover, ook voor Johannes. Wie doorleest tot en met vers 34 hoort Johannes tenminste drie keer zeggen dat wij Jezus niet kennen, niet herkennen, dat Johannes ook zelf niet wist wie Jezus was. Wie Jezus is, wie Hij voor ons wil zijn, is een reis, een weg in zichzelf. De tijd van Advent wil die reis, die weg zijn, steeds een beetje dichter bij Jezus, bij de komst van God op aarde. Het Johannesevangelie presenteert Jezus met steeds andere beelden: herder, deur, waarheid en veel meer, in een poging dat willen kennen van Jezus te laten worden tot een zien, steeds dichter bij het Licht. Onze reis naar Jezus, het aftellen van de dagen tot Kerst, zijn een uitnodiging Jezus te onthullen, een uitnodiging die tegelijk laat zien wie wij zelf mogen zijn. Het mooie van het gaan van die weg, bij dat steeds weer mogen ontdekken, dat onszelf aan het werk zetten, is de genade dat het licht gewoon komt, dat Hij voor ons te zien zal zijn, ondanks onze eigen inspanningen, dat het vanzelf Kerst wordt en wij onszelf terugvinden in aanbidding, bij het wonder van een God die mens wou zijn.

Amen

Tweede Advent – 6 december 2020

Wijkgemeente Wilhelminakerk, Bussum
Lezing: Johannes 1:19-28
ds. Wielie Elhorst

Wie ben jij? Weet jij het?