Tijd om Jezus te herkennen – Preek Ds. Nico den Bok 21 mei 2023: 13 t/m 27 + Hand 2: 36 t/m 38

Tijd om Jezus te herkennen                                                                                  Wilhelminakerk 21 mei 2023

 

Op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren is het niet verkeerd om terug te kijken op de afgelegde weg door het kerkelijke jaar. We zijn van Advent en Kerst via Goede Vrijdag en Pasen naar Hemelvaart gegaan, we staan nu voor Pinksteren en voor de lange feest-loze periode daarna, van de zomer tot en met de herfst. In feite volgden we op deze gang langs de feesten het leven van Jezus, van zijn geboorte en eerste publieke optreden naar zijn arrestatie en dood, zijn opstanding en verschijning en hemelvaart. Waarom is het zo gegaan? Dat deze wonderlijke weg de weg is van degene die door God op aarde is aangesteld om mensen en volken te redden en te leiden is niet meteen helder. De discipelen van Jezus worstelden daar al mee. Maar ze begonnen ook antwoorden te vinden.

Laten we vandaag eerst een stapje terug gaan om vervolgens een stapje vooruit te doen. Zo kunnen we wat overzicht krijgen. Dat kan ons helpen, want ook wij zitten met hun vragen. Wij zitten bovendien met allerlei antwoorden die in onze traditie en onze tijd gegeven zijn, die de verwarring nog groter hebben gemaakt. Laten we daarom een stukje meelopen met de discipelen om te zien hoe zij tot hun antwoorden kwamen. Lukas doet hiervoor een mooie handreiking. U weet dat hij niet alleen het bekende evangelie, maar ook de handelingen van de apostelen geschreven heeft. Laten we een stapje terugdoen naar het verhaal dat hij aan het eind van zijn eerste boek vertelt, het verhaal van de Emmaüsgangers, en daarna een stapje vooruit naar de pinkstertoespraak van Petrus.

 

Het verhaal van de Emmaüsgangers is zo bekend, dat we over belangrijke dingen in het verhaal gemakkelijk heenlezen. Wij zijn sterk geneigd, denk ik, om het te lezen als het verhaal van twee teleurgestelde volgelingen van Jezus, die wel zijn vreselijke kruisdood, maar niet zijn verrassende opstanding hebben meegemaakt. Ze lopen naar huis en kunnen niet begrijpen dat het zo verkeerd met hun meester is afgelopen. Ze hoopten dat hij het was die Israël zou verlossen, maar zie, hij is vermoord.

Toch mist deze kijk op de Emmaüsgangers een belangrijk aspect. Lukas vertelt dat zij na Pasen naar huis liepen. Ze hadden niet alleen de kruisdood van Jezus’ meegemaakt, maar ook de verhalen van de vrouwen gehoord, die teruggekomen waren van het graf en hen vertelden dat het leeg was, sterker nog, dat zij Jezus ontmoet hadden, dat hij leeft. Voor de Emmaüsgangers is dus niet alleen Jezus’ dood, maar ook zijn opstanding verwarrend en onbegrijpelijk. En zo staan zij ineens veel dichter bij ons, die niet alleen geloven in de dood van Jezus, maar ook in zijn opstanding en desondanks verdrietig of zelfs verbijsterd zijn. Bij christenen van alle tijden en plaatsen die het leed en onrecht in de wereld zien waaraan Jezus niets meer lijkt te kunnen doen omdat hij zo jong vermoord werd en zijn opstanding en hemelvaart hem – in de hemel bracht, of in elk geval in een andere wereld dan de onze.

Er is nog iets waarop Lukas ons op een ander been zet dan wij waarschijnlijk gewend zijn. Dat is dat Jezus, die met de Emmaüsgangers mee gaat lopen, zich niet meteen bekend maakt en hen niet direct uitlegt hoe zij zijn dood en opstanding toch kunnen zien als de verlossing van Israël. Hij legt hen uit dat de door God gezalfde leider en verlosser van Israël moest sterven en opstaan – dat ‘de Messias moest lijden om zijn glorie binnen te gaan’ – maar dat doet hij door hen mee te nemen door de geschiedenis van Israël zoals beschreven in Wet en Profeten. Hij neemt zijn discipelen mee op een wandeling door het Oude Testament. Met een knipoog naar ons zegt Lukas dus: u kunt Jezus niet goed begrijpen omdat u uw heilige Schrift niet goed begrijpt. Onze heilige schrift is allereerst het Oude Testament. Dat was voor de discipelen de Bijbel.

Misschien moeten we hier even een stap opzij doen. Velen van ons vinden dit een omweg, die zij liever overslaan. Waarom kunnen wij niet direct vanuit de ervaring van leed en onrecht in de wereld naar hem die als haar verlosser gekomen is, naar Christus, zodat we hem ook direct áls Christus, als leider en verlosser herkennen kunnen, en dan ook ervaren dat hij ons leidt en verlost? Op vergelijkbare wijze denken veel jongeren of mensen aan de rand of buiten de kerk: waarom wordt de betekenis van Christus voor ons leven niet directer duidelijk, waarom moeten we eerst meegenomen worden door dat oude boek, de Bijbel die in zoveel opzichten niet meer van deze tijd is?

Toch ligt hier wel een probleem volgens Lukas. De Emmaüsgangers herkennen Jezus niet omdat ze te direct vanuit hun eigen ervaring de gebeurtenissen beleefd hebben. De ogen gaan alleen goed open langs de weg die God zelf onder mensen al heeft afgelegd vóor Hij in Jezus gekomen is: de weg langs Mozes en de profeten. Wie die weg overslaat, wil eigenlijk (om het goed oudtestamentisch te zeggen) ‘heidens’ blijven, een mens als alle andere mensen, een volk onder de volken. Waarom hebben wij christenen uit niet-joden, bv uit Nederland, van Germaanse afkomst, het Oude Testament nodig? Wel, het Oude Testament vertelt van een volk dat weggeroepen werd uit de andere volken om een weg met God te gaan. Als wij niet meer uit andere volken weggeroepen willen worden, missen we essentiële dingen die God alleen in een geschiedenis met Hem kan geven, dingen die we nodig hebben om Hem in zijn omgang met ons goed te kunnen volgen. Zonder die ervaringskennis zullen we Christus lange tijd niet herkennen, ook als we in hem geloven.

Ook al hebben andere mensen en andere volken een eigen weg met God te gaan om tot Christus te komen, de weg die het oude Israël gegaan is blijft voor ieder ander volk een baken dat in de goede richting wijst. We mogen geloven dat Christus al de tijd dat wij onze weg afstemmen op de weg van Israël al met ons meeloopt. Maar we herkennen hem nog niet. Al was ons hart tijdens deze tocht brandend, onze ogen zijn nog vertroebeld. Pas als wij onder zijn leiding die weg een eind afgelegd hebben, beginnen wij iets te vermoeden, en pas als dit eerste inzicht handen en voeten krijgt, in het breken van brood bij ons thuis, herkennen wij hem. Langs deze weg wordt duidelijk dat Jezus door dood en opstanding heen ons leidt en verlost.

Zo geeft Lukas alle niet-joodse volken tot op de dag van vandaag flink wat huiswerk mee. We moeten onze geschiedenis, in het groot en in het klein, in de wereld waarin we leven en in ons persoonlijke leven, leren verstaan in het licht van de geschiedenis van Israël. We moeten Jezus volgen die ons door deze geschiedenis heenleidt, totdat we hem herkennen, tot we zien dat zijn weg, die zo vreemd is omdat hij door lijden en dood gaat, dé weg is naar verlossing en vervulling. We moeten ons door Jezus tot Jezus laten leiden. En dat gaat alleen via Mozes en de Profeten.

 

Ja dit zet ons wel aan werk, te meer omdat Lukas zelf niet éen voorbeeld van een tekst uit het Oude Testament die Jezus gebruikte om de Emmaüsgangers uit te leggen waaróm de Messias moest lijden en sterven om zijn glorie in te gaan. Dat laat Lukas kennelijk aan Jezus’ volgelingen over, aan de kerk en haar bijbeluitleggers, aan zijn lezers, aan ons. Wel, laten we deze uitdaging aangaan en een klein stukje meelopen met de Emmaüsgangers. Laten we kijken of een bekend verhaal uit het begin van het Oude Testament de weg van Jezus begrijpelijker kan maken.

We kennen het allemaal, het verhaal van Jozef, de lievelingszoon van dé stamvader van Israël. Deze uitverkoren positie zette bij zijn broers kwaad bloed. Ze verkochten hem als slaaf naar Egypte. Daar klom hij onverwachts op tot onderkoning. En toen brak er hongersnood uit. Jozef bleek de vooruitziende blik te hebben om in de jaren voorafgaand aan de schaarste graanvoorraden aan te leggen. Daar kon de hele regio van profiteren in de magere jaren die volgden. Zo kwam ook de familie van Jakob naar Egypte om graan te kopen.

Wat doet Jozef nu? Hij ziet zijn broers, maar maakt zich niet meteen bekend. Hij stuurt zijn broers terug naar vader Jakob en zegt dat ze pas graan krijgen als ze hun jongste broer meebrengen. En als ze dat met veel tegenzin inderdaad doen, wil Jozef die jongste broer, Benjamin, in het gevang gooien om te zien hoe de broers dáarop zullen reageren. Zijn ze echt veranderd na alles wat ze hun andere jongere broer aangedaan hebben? Goddank, ja, ze willen Benjamin niet aandoen wat ze indertijd met Jozef deden, ze willen ook vader Jakob niet opnieuw in hartverscheurend verdriet storten. Broer Juda spreekt namens de anderen als hij zichzelf aanbiedt om in Benjamins plaats de gevangenis in te gaan. Dán maakt Jozef zich bekend. –Om hem goed te herkennen hadden de broers een weg terug naar huis nodig, een weg door het verleden, maar anders dan zoals het gegaan is, nu met spijt, nu als broers die hun broeders hoeder willen zijn.

We hebben een wandeling door het Oude Testament nodig om te zien waar we verkeerd gingen in wat we deden met onze naasten, om weer terug te willen komen op het goede pad. Pas dan zullen we onze Heer herkennen, en zien hoe hij ons leidt en verlost. Precies langs deze weg worden we geleid en verlost. We krijgen de tijd om door Christus naar Christus geleid te worden.

 

Laten we nu dan nog even vooruitkijken, naar Pinksteren. In de wijze waarop Petrus zijn pinksterpreek houdt geeft Lukas zelf een verrassende parallel tussen het verhaal van Jozef en het grote verhaal van Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Ook Petrus neemt zijn toehoorders mee door het Oude Testament, zij het niet via een verwijzing naar Jozef, maar via een verwijzing naar David. Maar hij doet het zo, dat ook het Jozefverhaal onmiskenbaar doorklinkt. We hebben het gehoord, Petrus zegt tot de mensen die voor hem staan: broeders, God heeft hem die jullie kruisigden, aan zijn rechterhand gezet. –God heeft de broer die jullie als slaaf naar Egypte verkocht hebben, daar tot onderkoning gemaakt. Nu kan deze Jezus allen redden, zij die veraf zijn, en zij die dichtbij zijn. –Nu kan hij niet alleen zijn nieuwe volk, maar ook jullie, zijn oude familie redden.

Dat Jezus koning onder God geworden is, hebben we met Hemelvaart gevierd. Hij zit aan de rechterhand van de Vader, zegt onze geloofsbelijdenis. In het verdere verloop van Handelingen zal waargemaakt worden wat Petrus zegt: dat ook zij die verre zijn door Jezus gered worden, want ook vele niet-joden gingen in hem geloven en liet zich door hem leiden. Door vele joden als koning verworpen werd hij heer over vele niet-joden. En dat zijn dit keer niet alleen Egyptenaren (vgl Hand 2:10). Het evangelie verspreidde zich buiten Israël. Zo is het tenslotte ook bij ons gekomen.

Als de Heer erkenning vindt bij een nieuw volk, blijft hij zijn handen uitsteken naar zijn eerste volk, de mensen met wie hij al een geschiedenis heeft. Alleen, die oude en nieuwe mensen miskennen dat gemakkelijk. Zij scheiden wat de Heer blijft verbinden. Als Jezus is opgestaan en ten hemel is gevaren en dan zijn mooiste gave geeft aan zijn volgelingen op aarde – de Heilige Geest – steekt hij óok de handen uit naar de mensen die elk op eigen wijze bijgedragen hebben aan zijn verwerping. Zo redt de Heer niet alleen het leven van nieuwe mensen en volken, maar ook van oude. En de houding die oude en nieuwe mensen past, zij het elk op heel andere wijze, is de houding van spijt, van omkeer, en levensverandering. Jullie moeten naar het doopvont, zegt Petrus tot zijn volksgenoten. Dat zal hij later ook tot niet-joden zeggen, ook ‘heidenen’ hebben het een en ander af te wassen (en dat weten ze zelf vaak maar al te goed). Om de Heilige Geest te ontvangen moeten we ons laten schoonmaken. We moeten onze fouten inzien en onze verkeerde wegen verlaten, die voor sommigen wegen zijn waarop zij al langer in God geloofden maar hem niet werkelijk herkenden, en vo or anderen wegen waarop ze zonder God wandelden en zijn gezalfde daarom óok niet herkenden.

Na Hemelvaart krijgen we een tijd van inkeer. Dat is de tijd (om nog eenmaal met Petrus en het Oude Testament te spreken) waarin God alle vijanden aan Jezus’ voeten legt – zoals Hij de broers aan de voeten van Jozef legde, zoals Hij hun vijandschap tegenover hem overwon, en zij elkaar eindelijk in de armen konden sluiten.

 

UIT DE LITURGIE

Gebeden

Heer, help ons in de tijd tussen Hemelvaart en Wederkomst, maak deze tijd ook voor ons tot een tijd van inkeer, waarin u met ons meeloopt naar u toe. Help ons de moeiten overwinnen die wij onderweg blijken te hebben. Zoals het feit dat voor veel westerse christenen Jozef herkenbaarder is dan Jezus omdat Jozef uiteindelijk niet gedood werd, maar Jezus wel: hij lijkt nu koning in de hemel, niet meer op aarde. Heer, leer ons zien dat deze afwezigheid juist waarborgt dat hij ons voorgaat op aarde, in leven én in sterven, en zo een groter en blijvender perspectief biedt juist voor ons aardse leven. Zo bidden wij u allen tezamen..

Heer, er is nog iets dat we moeilijk vinden: dat we u, Christus pas goed herkennen als we een langere weg met u gaan, en dat die weg ook nodig is om onze zonden beter te leren kennen, de diepere of terugkerende weerstanden tegen datgene waar u voor staat. Dat horen we liever niet. En toch is het niet anders: Christus is onze heer, hij wil ons als zijn broeders en zusters, hij wil dat wij volmaakt zijn zoals onze hemelse Vader volmaakt is. Niet alleen de Geest is heilig, niet alleen de Vader is heilig, ook de Zoon, de mensenzoon is heilig – driemaal heilig is onze God. Wees onze God, Heer, zo bidden wij U allen tezamen..

Heer, als we naar het verhaal van Jozef luisteren en dan naar dat van Jezus, lijkt het ook of de geschiedenis zich herhaalt. Eenzelfde patroon komt terug. En dat lijkt ook na Christus te gebeuren. We leven al langer in een samenleving die Christus uit haar midden heeft weggedaan. In de laatste vijftig jaar hebben velen van ons die hier aanwezig zijn, het zelf meegemaakt: dat Christus uit zoveel levensverbanden is uitgebannen. Individueel is ons aandeel hierin heel verschillend, we hebben het met elkaar gedaan – zoals de broers, in de verkoop van Jozef naar Egypte – maar we zitten allemaal met de gevolgen, tot in onze eigen families. Kinderen en kleinkinderen komen niet meer naar de kerk en geloven misschien ook niet meer. God, ontferm u over ons, breng ook ons tot inkeer. Uw zoon, onze Heer, is ons vreemd geworden, anderen volgen hem, buiten de vertrouwde kerken, buiten Europa; onder hen is hij te vinden, komt hij ook weer voor ons te staan: gekleed als een Afrikaan of Aziaat, die we straks nodig hebben om in de algemene nood niet ten onder te gaan. Help ons, Heer, zo bidden wij U allen tezamen..