Knock, knock. Who is there? Vierde Advent – 20 december 2020

Wijkgemeente Wilhelminakerk, Bussum
Lezingen: 2 Samuël 7:4-16 en Lucas 1:26-38
ds. Wielie Elhorst

Knock, knock. Who is there?

Gemeente van Christus,

Toen ik de teksten uit 2 Samuël en uit Lucas die vandaag op het leesrooster staan, tot mij nam, gingen mijn gedachten naar een lied uit de traditie van het Leger des Heils. U moet het mij maar niet kwalijk nemen. Wat je in je opvoeding hebt meegekregen, raak je nooit meer kwijt, en daar ben ook niet altijd rouwig om. Het eerste couplet van dat lied en het refrein luiden:

 

Zing van Jezus’ wond’re liefde,

Zing van zijn barmhartigheid!

In het Vaderhuis zo heerlijk,

Heeft Hij woning ons bereid.

 

refrein

Als wij saam daar vergaad’ren,

welk een dag vol van jubel zal dat zijn;

waar wij Hem aanschouwen,

des hemels zonneschijn.

 

Ik was elf jaar toen ik dit voor het eerst bewust meezong. Het was het slotlied van het Nationaal Zangerscongres van het Leger in De Doelen in Rotterdam, in 1979, waar ik bij was. Het was voor het eerst, zo jong als ik was, dat ik besefte dat ik van iets groters deel uitmaakte, iets dat mijn leven oversteeg en mij er tegelijk voor honderd procent in meenam. We zongen met overgave over een plaats waar we allemaal naar toe mochten gaan en maakten die tegelijkertijd ter plekke werkelijkheid. De opname is op YouTube terug te zien en ik kijk deze nog geregeld terug, om diezelfde vreugde te voelen van op mijn plaats zijn, van één zijn met alle mensen daar, één in het verlangen het leven van mensen een bestemming te geven, één in het verlangen die bestemming te zijn, in een plek waar mensen welkom zijn. Ik kon dat toen zo nog niet allemaal onder woorden brengen, maar ik voelde de vreugde en de urgentie, en die heeft mij nooit meer losgelaten, waarvan acte.

 

In het Vaderhuis zo heerlijk

Heeft Hij woning ons bereid.

 

Als wij saam daar vergaad’ren

welk een dag vol van jubel zal dat zijn.

 

Hoe treurig klinken deze woorden vandaag in een lege kerk, waar we het verlangen dat dit lied vertolkt, zo graag samen zouden bezingen. Ik kan en wil er niet aan wennen. Mensen zijn er ook niet op gebouwd, om afgezonderd te zijn van elkaar, een leven op zichzelf. Mensen houden van samen, van gezamenlijkheid, van een dak delen, een plek waar troost wordt gevonden, en ontferming, een plek die hoop geeft en inspireert, om nog veel meer mensen onder dat dak uit te nodigen, uiteindelijk de wereld tot een huis te maken, waar iedereen in kan wonen, samen wonen, samen leven. Een leven in je eigen hok is geen leven, misschien soms voor even, maar niemand houdt dat vol. Zoals ik al zei: we zijn er niet op gebouwd. En dat is denk ik ook de essentie van het gebouw van de kerk: een plek om samen de schriften te openen, te bidden, te zingen en te delen, om samen de aanwezigheid van iets te ervaren dat groter is dan wijzelf en waarin wij tegelijk voor de volle honderd procent worden meegenomen. Een plek die, als het goed is, ook gelijk weer uit zijn voegen barst. Laten we hopen dat het snel weer kan, hoe noodzakelijk de afstand nu ook is. Dat we elkaar kunnen groeten en omhelzen op deze plek, in de kerk.

 

Deze ervaring lijkt haaks te staan op wat we deze ochtend hebben gehoord uit 2 Samuël. Koning David heeft eindelijk, na de constante dreiging van zijn voorganger en de eindeloze hoeveelheid gevechten met de Filistijnen, vaste voet aan de grond gekregen in Jeruzalem. En hij heeft de ark van het verbond met daarin onder andere de Tien Woorden overgebracht naar Jeruzalem. David laat voor zichzelf een paleis bouwen, maar beseft dan: hoe kan ik in een paleis wonen, terwijl de ark gewoon in een tent staat. Dat klopt niet. Hij deelt zijn zorg met huisprofeet Natan en die zegt in eerste instantie: doe wat uw hart u ingeeft. Maar dat gaat iets te snel, zo hoorden wij vanmorgen. Wie zal David zijn zorg en Natan zijn snelheid kwalijk nemen. Als je na jaren strijd eindelijk rust vindt, eindelijk ergens kan landen, eindelijk vaste grond onder de voeten vindt, niet meer opgejaagd wordt, je bestaan en je positie niet voortdurend wordt betwist, dan wil je ook graag settelen. David consolideert wat hij eindelijk voor zichzelf en voor zijn volk gewonnen heeft en Natan ondersteunt dat. Logisch. Vanzelfsprekend. Maar toch, als je dat doet in een positie als die van David, met de macht die je als koning hebt, is dat wel een dingetje. Wie paleizen gaat bouwen, een stad met dikke muren, zit al snel zelf weer vast, en verandert al te snel in dat waarvan je je zelf nu juist hebt bevrijd. Hoe vaak hebben de profeten de koningen van Juda en Israël niet voor moeten houden dat hun identiteit niet wordt gevonden in paleizen en steden en rijkdom en reukoffers, maar in het verhaal van bevrijding uit een angstig land met een angstige farao, die zij nu zelf van de weeromstuit geworden waren. Net als bij de instelling van het koningschap onder de voorganger van David, Saul, horen we ook God nu weer protesteren. Geef mij maar een tent, zegt God. Ik heb geen vaste plek nodig, geen woning en al helemaal geen tempel. God heeft zijn zin niet gekregen. Salomo, Davids zoon, bouwde een tempel, een prachtige, maar als het aan God gelegen had, zo horen we vanmorgen, had hij dat wel kunnen laten. Jammer dat het toch gebeurd is, want we zien tot op de dag van vandaag tot wat voor ellende die plek in Jeruzalem heeft geleid, hoe betwist die is geworden en hoe weinig deze, met alle respect, nog te maken heeft met die ark en die Tien Woorden, in de tent, die God zelf zoveel liever had. Als bouwen consolideren wordt, als macht wordt vastgelegd, als God wordt vastgepind, dan loopt de mens al snel uit de pas, uit de pas van Gods liefde en vooral uit de pas van wie wij in de naam van die liefde mogen zijn: naasten. Wie te innig verbonden raakt met een positie van macht en wie en passant God ook nog even in een gouden kooi denkt te kunnen stoppen, raakt meer kwijt dan hem of haar lief is. Toegegeven, David lijkt het uit oprechte eerbied te doen: ik een paleis, dan God een tempel, maar God is er toch niet mee gediend. God zegt tegen Natan: ik heb toch nooit in een huis gewoond! En wat doet Hij om zijn argumentatie kracht bij te zetten? Hij vertelt hoe Hij steeds nabij was in alles wat David overkwam en ondernam, hoe Hij steeds nabij was in alles wat zijn volk, ooit slaven, overkwam en ondernam. ‘Every step of the way’, zegt God. Ik ben niet bedoeld voor een huis, voor een tempel. Ik ben bedoeld voor een volk onderweg, ik ben bedoeld voor koningen die de trouwe dienaren zijn van de Tien Woorden die ik onderweg gaf. Ik woon niet in tempels, ik woon in het bevrijdende handelen, dat begon toen ik jullie uit Egypte wegleidde en dat tot op de dag van vandaag doorgaat. Lieve, trouwe dienaar David, zegt God, je hoeft voor mij geen huis te bouwen, ik bouw liever een huis voor jou, een eeuwig huis, in mijn trouwe nabijheid en in de woorden die mijn volk en jou, hun koning, zal hoeden en beschermen. De God van Israël is een nomadengod en dat wil Hij het liefst blijven, wonen in een tent. Ik vind het een geweldig verhaal. Deze God, onze God, is echt een vreemde, God van de vreemdelingen, en dat maakt Hem, vind ik, zo de moeite van het dienen waard. Geen God die macht wil consolideren, geloof in een tempel op wil bergen, maar die niet anders wil dan dat Hij de bevrijding die Hij heeft gebracht, terugziet in hoe zijn volk, vooral de verantwoordelijken onder hen, hoe de mensen die in Hem geloven die bevrijding blijven praktiseren. En dat gebeurt niet in het optrekken van gebouwen maar in het leven van en in zijn Woorden. In dat leven, in dat handelen wil God wonen.

 

Gods dringend appèl was tevergeefs, maar toch niet de belofte die Hij deed. Honderden jaren later wordt een jonge vrouw bezocht door een engel, de engel Gabriël, door God gezonden. Na alles wat Hij met zijn mensen heeft meegemaakt, geeft God het nog niet op. Hij wil onder zijn mensen blijven wonen, maar niet op de manier die zij voor ogen hebben, niet zoals als wij het willen. De stad Jeruzalem is niet in beeld, het cederhouten paleis van koning David is zijn glorie al lang verloren, de tempel staat er nog, maar of het nog het huis is waar God wordt gediend? God is niet in het centrum van de macht. God zit niet aan tafel met de aanzienlijken: koningen en hogepriesters. We hadden het kunnen weten, van deze God in een tent, deze nomadengod, deze God van wees, weduwe en vreemdeling. Hij ziet een jonge vrouw, ver weg van Jeruzalem, in Nazareth, onaanzienlijk, maar van een oud en koninklijk geslacht; niet langer met macht bekleed, maar een klein mens onder andere kleine mensen. En daar, in die mens, die jonge vrouw wil Hij wonen, wil Hij weer onder de mensen zijn, wil Hij de belofte die Hij ooit deed, opnieuw gestand doen. Ik had het zelf wel aardig gevonden, als God Maria toestemming had gevraagd, maar dat doe Hij niet. Hij gaat zijn gang. Toch wat ingewikkeld in ons tijdsgewricht. Gelukkig horen we dat God Maria zijn gunst heeft geschonken, dat er niets afgedwongen wordt, maar dat God Maria bedacht heeft met zijn genade, en die is nogal overweldigend, zo weten we. Maria is er ondersteboven van, geen wonder, en ze verbaast zich over de aard van Gods goede gunst, over de aard van zijn genade. God wil onder de mensen wonen, en ik ben degene in wie Hij woning zoekt. Hoe is dat mogelijk? Uit mij, eenvoudig mensenkind, wordt God zelf geboren, in een klein kind. Het is eigenlijk te gek voor woorden. En toch is deze God onze God. Weer doet Hij het niet zoals wij het wellicht zouden verwachten. God wil onder zijn mensen zijn, bij hen wonen en Hij doet dat door zich over te geven aan die mensen zelf, aan een jonge vrouw, aan de kostbare en kwetsbare woning die een baarmoeder is van even kostbaar en kwetsbaar nieuw leven. Dat is een hele andere overmacht. Niet die waarop wij normaal gesproken vertrouwen. Maria zegt: ik wil U dienen, God. Kome wat komt. In dat vertrouwen kan God wonen, in die overgave komt Hij terecht. God zelf is in verwachting, en als Hij dan uiteindelijk onder de mensen komt, in de overmacht van de zachte kracht van een zuigeling, blijkt Hij op zijn plaats in een stal, in een voederbak. Zover is het nog niet, maar…

 

als wij saam dáár vergaad’ren

welk een dag vol van jubel zal dat zijn;

dáár waar wij Hem aanschouwen,

des hemels zonneschijn.

 

Dat is onze bestemming. Dat ons geschiede naar dat Woord.

 

Amen