Eerste zondag van de veertigdagentijd – 21 februari 2021

Gemeente van Jezus Christus,

Al een poosje is er in de traditie van onze protestantse kerken meer aandacht voor de veertigdagentijd. Die aandacht was er natuurlijk altijd al, maar in de afgelopen jaren is het meer en meer een tijd geworden waaraan we ook proberen te verbinden wat we extra zouden kunnen doen, of beter gezegd: zouden kunnen dan wel moeten laten. Wat mij betreft geheel terecht en zinvol is de veertigdagentijd meer en meer aangegrepen als een tijd van reflectie op onze staat van leven, of liever: op onze staat van welvaart. Steeds duidelijker is geworden dat onze toegenomen welvaart naast de zegen die het is, ook steeds zwaarder drukt op ons persoonlijk welzijn en op dat van de aarde. We bereiken de grenzen van het onderhoud van onze manier van leven en die manier van leven blijkt ook vaak, zonder dat we dat wisten, ten koste te gaan van het welzijn van mensen in andere delen van de wereld. Het appèl is ook aan mij niet voorbij gegaan en ik heb de veertigdagentijd meer dan eens gebruikt om keuzes te maken die goed zouden kunnen uitpakken voor mijn medemens ver weg, voor het klimaat en voor mijzelf. Ook als is het soms een uitdaging, ik vind het ook fijn dat er een periode in het jaar is waarin ik in het bijzonder intenties, reflectie en handelingen kan verbinden, en dat daar ook anderen mee bezig zijn, dat je dat samen kunt doen. En ik vind het ook goed dat die intenties, die reflectie, die handelingen niet alleen gericht zijn op mijn eigen geestelijk welzijn, maar eerst en vooral op het welzijn van de ander, zeker in een tijd waarin dat welzijn van die ander zo onder druk staat door onze manier van leven. Maar vandaag hebben we een verhaal gehoord dat dit allemaal nog eens in perspectief plaatst. Ik kom er zo op terug.

Ik kreeg afgelopen week een column toegezonden van een vriend uit Letland, die in Duitsland woont en werkt, uit de kerkbode voor Frankfurt en Offenbach. Aan het woord is de theologe Amina Bruch-Cincar. Boven de column de uitdagende titel: ‘Wat ik dit jaar doe in de vastentijd? Helemaal niets. Hier met die chocolade en die wijn en de mobiele telefoon.’ Mijn Letse vriend was een beetje ontdaan door de column, en dat snapte ik wel, maar ik kon na lezing een glimlach niet onderdrukken, vooral omdat het bij alle bewust gekozen uitdagende bewoordingen naast de kritiek op overijverigheid vooral getuigde van barmhartigheid. Ik hou van de dynamiek van het kerkelijk jaar, van de terugkerende feesten en tijden en hoe die elk op eigen wijze een appèl doen op onze aandacht, op onze houding op onze keuzes, maar die is toch niet altijd automatisch op z’n plaats, simpelweg omdat het feest of de periode zich aandient. Bruch-Cincar, de columnschrijver, merkt op, ik zeg het nu even in mijn eigen woorden: komt de veertigdagentijd als vastentijd dit keer niet erg ontijdig na wat we het afgelopen jaar allemaal hebben meegemaakt, alle beperkingen, – nee, niet de vliegreizen en de vakanties en de festivals, denk ik, – maar wel de afstand, het elkaar niet kunnen ontmoeten, de isolatie, het verlies, de toch zware wissel die het blijkt te trekken op het welbevinden van groepen in onze samenleving. Ik voel de zwaarte van de pandemie persoonlijk niet zo. Ik weet dan ook dat ik in vele opzichten een bevoorrecht mens ben, zelfs onder wat mij nu beperkt, maar dat geldt beslist niet voor iedereen. De schrijfster van de column zegt: mag het onder de omstandigheden een onsje minder, even geen campagnes ‘Zeven weken zonder’ en ‘Doe wat voor een ander’. Wie dat nu wel kan, zou moeten beseffen dat dat bijna een luxe is. De kritische toon is ook een barmhartige en een verademing. Kom maar door met die wijn en die chocolade en ik leg ook mijn mobiele telefoon niet weg.

 

Het klinkt bij een eerste lezing allemaal wat onbetamelijk, deze column, en dat geldt ook voor het verhaal uit het Evangelie naar Johannes van vandaag. Het is zo jammer dat we daar zo vaak overheen lezen, over dat onbetamelijke omdat we de verhalen zo door en door kennen, of misschien zeg ik te snel ‘we’ en heeft u dat helemaal niet. We bevinden ons in het verhaal nog maar enkele dagen vóór Jezus’ kruisiging. Jezus is in Betanië en Hij is te gast bij zijn beste vrienden: Lazarus, Martha en Maria, de broer en de twee zussen die samenwonen. Lazarus, het levende teken van Jezus’ laatste woord tegen de dood, heeft Jezus en zijn leerlingen uitgenodigd en ze liggen samen aan voor de maaltijd. We horen dat deze vriendengemeenschap niet erg lekker ligt bij de religieuze overheden. Je kunt het je bijna niet voorstellen, maar dat Jezus een mens deed opstaan uit de dood en uit zijn graf liet stappen, is voor de religieuze overheden aanstootgevend. Het laat nog eens duidelijk zien dat wanneer geloof religie wordt, wanneer geloof versteent, wanneer geloof niet meer doet dan de status quo garanderen, deze zich uiteindelijk tegen mensen keert, ja, tegen het leven zelf. Jezus rekent niet af met het joodse geloof, maar wel met religie. Hij praktiseert weer wat geloof daadwerkelijk betekent: mensen bevrijden uit de greep van de dood, uit de greep van alles wat leven in de weg staat. Alle macht is daar bang voor en dat blijkt: niet alleen Jezus wordt bedreigd met de dood, ook zijn werk, ook Lazarus. De opgewekte Lazarus is een steen des aanstoots, maar misschien urgenter nog in dit verhaal, juist ook op deze zondag is Maria die zich in de ogen van de leerlingen, of tenminste in de ogen van één van de leerlingen, onbetamelijk gedraagt. Het verhaal is urgenter, omdat de kritiek van binnenuit komt, uit de kring van Jezus zelf. Zussen en broer bewijzen Jezus alle drie op eigen wijze eer: Lazarus nodigt Jezus uit voor de maaltijd, Martha dient (het werkwoord ‘diakoneoo’ wordt daar veelzeggend voor gebruikt) en Maria: Maria zalft Jezus’ voeten en hoofd met nardusolie, vooral gebruikt voor koningen en bij iemands overlijden. Maria droogt zijn voeten na met haar haren. Het hele huis ruikt naar de olie. Het is daar te midden van al die mannen een ongelooflijk intieme handeling, onbetamelijk; en als ik eerlijk ben, als ik daar tussen gezeten had, had ik waarschijnlijk hetzelfde gedacht en gezegd. Moet dat nou? Gênant en best wel  opdringerig. Judas, één van de leerlingen voegt daar nog een element aan toe: die nardusolie is peperduur. Had het geld daarvoor uitgegeven niet beter besteed kunnen worden aan de armen? Ik zou zeggen: een alleszins redelijke reactie – en terzijde: dat hij door Johannes als een dief wordt afgeschilderd, doet daar niets aan af. Zoals wel vaker reageert Jezus niet zoals wij zouden verwachten. Hij zegt: ‘Laat haar begaan. De armen hebben jullie altijd bij jullie, maar Mij niet.’ Het is, zoals bij wel meer teksten uit Johannes, natuurlijk ongelooflijk jammer en verdrietig en een schande dat deze tekst in latere tijden gebruikt is om minder prioriteit te geven aan de zorg voor armen en achtergestelden. Dat deden overheden soms met een beroep op deze woorden. Schaamteloos. Dat kan Jezus nooit bedoeld hebben. Maar wat wil Hij hier dan wel zeggen? Waarom is wat Maria doet in zijn ogen niet onbetamelijk en geen verkwisting van geld?

 

Wij horen dit verhaal op de eerste zondag van de veertigdagentijd, de tijd waarin we achter Jezus aan lopen op zijn weg van lijden, die weg die langs zoveel onvoorstelbaars loopt, zo mooi en zo goed, en die toch eindigt aan het kruis. Ongelooflijk. Dit verhaal op deze zondag nodigt ons uit die weg met Jezus te gaan. Dit merkwaardige spoor van liefde, nodigt ons uit onszelf te spiegelen aan Maria. Maria eert hier Jezus met alles wat zij heeft, met haar lichaam, met nardusolie. Ze eert Jezus, als een dode, als koning, als een dode koning. Het is een bijzondere belijdenis zonder woorden, maar klip en klaar, duidelijker dan woorden het kunnen. Zij weet wat er gaat gebeuren met Jezus en ze belijdt: ja, dít is de weg. Dit is de weg van mensen die in Naam van God de dood weerstaan: dwars door de dood. Hierin gaat Jezus ons voor. Hierin is Hij onze koning. Maria eert Jezus niet onbetamelijk, maar met overgave. Maria buigt hier niet voor de macht, maar voor de zachte kracht van het machteloze dat uiteindelijk zal winnen. Uiteindelijk zal het hele huis ruiken naar die overwinning. De veertigdagentijd, ons leven, begint en eindigt met Jezus. En dat betekent hier ook, bij de woorden van Jezus, dat het niet van onze ijverigheid en doenerigheid hoeft af te hangen, hoe rechtschapen ook. Daar begint en eindigt het niet mee. Dat is in dit verhaal wat mij betreft een kritische kanttekening, een vermaning, zo je wilt én ook een troost. Al onze ijverigheid in deze tijd in ons doen en laten, ook onze religieuze doenerigheid, is een luxe voor velen, ook onder ons, voor mensen die daar om wat voor reden niet aan toekomen. Het begint en eindigt bij Jezus, dat is in deze tijd voor Pasen: het begint en eindigt in ernst en overgave bij de mens naar Gods hart die een weg bewandelde die uitliep op de dood. Als er iemand was die dat door kon hebben, was het Maria wel: zij balsemde Jezus nog vóór Hij stierf, en ‘zei’ zo: dit is mijn koning. Een merkwaardige belijdenis die je alleen maar door gaat krijgen als je zo mee gaat lopen en eren.

 

Heftige woorden, maar dit zijn ze op deze eerste zondag in de veertigdagentijd. Laat ze een ernstige uitnodiging zijn, een kritische appèl bij onze houding in geloof  én ook een troost dat het niet af hoeft te hangen van ons doen en laten. Onze Duitse columniste zegt: laat maar, dat vasten. Ik lees op Goede Vrijdag Matteüs 26-28, het verhaal over Jezus’ lijden, met een glas wijn. En daar wilde ik het bij laten. Nou, wat je noemt: ‘laten’. Dat is niet niks. Het is alles.

 

Amen

 

Wijkgemeente Wilhelminakerk, Bussum

Lezing: Johannes 12:1-11