Zevende zondag van de herfst

Gemeente van Christus,

Weet u nog wat u dacht toen in maart van dit jaar de intelligente lockdown werd afgekondigd? Niemand wist wat we konden verwachten van deze periode. Er was niemand die zoiets ooit had meegemaakt. Ik dacht: oké, prima. Dat gaat een paar weken duren en daarna kunnen we de draad weer oppakken. Niet dus. De hoop op een spoedig terug naar normaal, bleek al snel ijdel, en al helemaal lastig te overzien voor mijzelf, omdat ik zelf ziek werd en vijf weken uitgeschakeld was. Ondanks deze teleurstelling was er evenzo goed sprake van een hoop goede moed, van samenwerking, alle hens aan denk, en we hebben ons er goed doorheen geslagen als Bussumbrede gemeente. Dat het lente werd en de zomer in aantocht was, heeft vast geholpen. Op zondag 6 september jl. konden we eindelijk weer samen vieren hier in de kerk, zij het nog met de nodige beperkingen. Er leek langzaam maar zeker een einde te komen aan de wijze waarop het onzichtbare coronavirus de samenleving en ook ons in zijn greep hield. Maar toen kondigde zich een tweede golf aan, met bijna tienduizend nieuwe besmettingen per dag en een steeds grotere bezetting van de intensive-careafdelingen van onze ziekenhuizen, waar mensen vechten voor hun leven. De hoop op een snel terug naar normaal, de goede moed van de wijze waarop we de eerste golf te lijf zijn gegaan, is in een paar weken tijd tot een uithouden geworden en er is nog geen zicht op een einde aan deze tijd. Langzamerhand kruipt de situatie van de afstand tot elkaar, het schraler geworden leven, het op ons zelf teruggeworpen zijn, ons in de vezels van ons lijf. En we zien om ons heen steeds meer verzet, onbegrip over de maatregelen die zijn getroffen, protesterende mensen op straat, mensen die willens en wetens een eigen weg gaan, anderen in gevaar brengen. De gezamenlijkheid brokkelt af, het draagvlak verdwijnt. De goede moed van eerder maakt plaats voor onbegrip en verwarring. Misschien ervaart u dat zelf ook wel. Niets menselijks is ons vreemd. We leven met z’n allen onder hoogspanning. Houd je hoofd dan maar eens koel, en je hart warm. Een hele opgave. We geven het elkaar te doen.

De evangelist Matteüs beschrijft ook een tijd onder hoogspanning, maar er is één groot verschil met de tijd onder hoogspanning waar wij nu in leven en dat is dat de tijd die hij beschrijft een horizon heeft, een perspectief: het koninkrijk van de hemel, in de gelijkenis die we vandaag hebben gehoord: een bruiloftsfeest. Lieve mensen, dit verschil maakt hét verschil. Goede moed, alle hens aan dek, er wat van maken samen, we kunnen het bijna allemaal, als zich een uitdaging aandient; maar wat als het allemaal niet uit lijkt te maken, als we geen bres kunnen slaan in het duister van een onzichtbare dreiging, als het duister zich verdiept en voorlopig ook van geen wijken wil weten? Er lijkt niet langer sprake van een tijdelijke ‘set back’. Onze activiteit moet zich hoe langer meer beperken tot een volhouden en uithouden, en dat is een stuk lastiger dan de schouders er onder, dan: we gaan dit varkentje wel eens even wassen. Het verhaal uit Matteüs: de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze meisjes, valt helemaal op z’n plaats, maar dan wel met dit verschil: het perspectief van het koninkrijk van de hemel en dat mag vandaag ook ons uitzicht en onze hoop zijn.

Het overbekende verhaal van de vijf wijze en de vijf dwaze meisjes is onderdeel van een langere rede in Matteüs waarin Jezus spreekt over de laatste dingen en over het laatste oordeel. De hoofdstukken 24 en 25 vormen een geheel. De woorden die Jezus spreekt, laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Ze zijn scherp. In alle verhalen uit deze twee hoofdstukken is steeds sprake van mensen die er wel bij horen en mensen die worden afgewezen, zo ook in het verhaal vandaag. We zien vijf wijze meisjes die door de bruidegom worden binnengehaald in het bruiloftsfeest en vijf dwaze meisjes die eindigen voor een gesloten deur. Er is een tijd geweest dat over dit soort verhalen en het ermee verbonden theologische dogma van de verlossing de gemoederen hoog opliepen, uitlopend in een heel precies geformuleerde leer van uitverkiezing. Al was ook deze theologie het resultaat van een integere en goed bedoelde zoektocht naar waarheid, velen zijn er evenwel tamelijk ongelukkig van geworden. Het werd leven onder een zwaard van Damocles, dat je bespaard bleef of ieder moment kon vallen – zonder dat je er zelf ook maar enige invloed op uit kon oefenen. Het ligt bij de verhalen uit Matteüs in deze rede van Jezus over de laatste dingen voor de hand vooral te focussen op dat oordeel en de scheiding tussen de mensen die Jezus uitspreekt, maar dan zien we toch één heel belangrijk ding, het belangrijkste naar mijn mening over het hoofd en dat is het koninkrijk van de hemel. De boodschap van Jezus is niet het oordeel en niet de scheiding, het is het koninkrijk van de hemel en als de verhalen uit deze twee hoofdstukken uit Matteüs iets zijn, dan zijn ze een oproep om een leven te leiden dat daarop gericht is, een houding te zoeken die dat rijk steeds voor ogen houdt.

Het evangelie van Matteüs komt tientallen jaren na de dood van Jezus tot stand, tientallen jaren ook na de belofte van een spoedige wederkomst. Matteüs schrijft zijn evangelie voor een gemeente die niet langer leeft onder de vrolijke spanning van een spoedige wereld omgekeerd, maar die in geloof weliswaar naar een houding zoekt die een plaats kan geven aan wat wachten en uithouden is geworden, een gemeente in de verdrukking, voor wie de toegang tot de synagoge afgesloten is, die moet leven met de constante dreiging van onderdrukking en dood. In deze omstandigheden brengt de evangelist de woorden van Jezus ter sprake. Hij schrijft: ‘Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en erop uittrokken, de bruidegom tegemoet. Het woordje ‘dan’ is hier een signaalwoord, een woord waarbij de luisteraars op het puntje van hun stoel gingen zitten. Opletten geblazen. ‘Dan zal het zijn…’, oftewel: dit is wat het betekent! Met het uitzicht op het feest dat komen gaat, horen wij hier, zo geloof ik, in de eerste plaats een verhaal van aanmoediging en bemoediging en niet een verhaal dat ons nog verder de put in wil praten. Waarom zou de evangelist dat ook willen, waarom zou Jezus dat willen? Het feest dat komen gaat, is het eerste en het laatste, en alles wat over de tien meisjes wordt gezegd, staat in dit teken.

Als voor de gemeente van de evangelist Matteüs duurt het wachten voor de meisjes lang. De bruidegom die zij tegemoet willen gaan, komt maar niet opdagen en zij vallen allemaal in slaap, allemaal! Geen mens die het volhoudt natuurlijk, bij zoveel moeten wachten en uithouden. We dommelen allemaal in. Dan, midden in de nacht klinkt een roep: ‘Daar is de bruidegom. Kom, ga hem tegemoet!’. Het midden van de nacht is in de joodse traditie niet zomaar een moment. Het zijn de uren van de openbaring. Het licht komt niet overdag, het komt midden in de nacht, en het wil met licht beantwoord worden, door licht begeleid worden. Het moment van openbaring is het moment van het uur u, het moment waarin het er op aankomt, de tijd op het scherpst van de snede. En dan komt het na lang wachten, na uithouden en volhouden aan op tegoed, op het vaatje met olie achter de hand. Lieve mensen, ik ben verheugd dat wij deze zondag de Maaltijd van de Heer vieren, want het is precies dit sacrament, deze genadegave van God, waarmee wij onze vaatjes weer kunnen vullen, of: bevestigen dat wij wijze meisjes zijn, levend met perspectief, al duurt het wachten nog zo lang. De olie in de vaatjes van ons leven zijn niet het resultaat van onze eigen inspanning, maar zijn een geschenk, van hetzelfde soortelijk gewicht als het feest dat ons te wachten staat. Wie wil leven met dit feest, dit perspectief op de horizon van het bestaan, die heeft altijd de beschikking over een vol vaatje met olie, die kan de bruidegom tegemoet gaan als de roep klinkt midden in de nacht, hoe lang het wachten ook heeft geduurd. Jezus is zelf de doorbraak van het koninkrijk van de hemel, toen en in de toekomst, maar ook nu. Dat is wat we vieren in het avondmaal, als wij opstanding gedenken. Hem gaan wij tegemoet, steeds weer, op weg naar deze wereld omgekeerd, hoe lang het wachten ook duurt.

Ik weiger te geloven dat Matteüs zijn gemeente vooral voor wil houden dat er mensen zijn onder Jezus’ volgelingen die worden gered en anderen die verloren gaan. Het feest is het eerste en laatste woord. Waarom zouden wij anders het avondmaal gebruiken, nu al de doorbraak van het rijk van de hemel vieren? Wij houden elkaar geen oordeel voor, maar de smaak van een feest dat komt en al is. Natuurlijk, het maakt de urgentie die wij allemaal wel voelen bij dit verhaal er niet minder om. Het doet er zeker wel toe welke houding je kiest, zelfs al duurt ook voor jou het wachten zo lang dat je in slaap valt, de slaap van de dood zelfs misschien? Waar dit in bestaat lezen we in het vervolg van hoofdstuk 25. Het blijkt uiteindelijk, hoe kan het ook anders, met onze verhouding tot de ander, tot de minsten onder ons te maken te hebben. Ik wijd er nu niet verder over uit. Dat is voor een volgende zondag. Op deze zondag wil dit verhaal een bemoediging zijn, een aanmoediging. Blijf leven met de komst van de Heer, dan zal het licht je gegeven zijn als, midden in de nacht, de roep klinkt om in te gaan tot het feest.

Lieve mensen, de urgentie van dit verhaal vandaag is dat dit perspectief en onze houding er toe doen. Wij zijn mensen die ook van wachten en volhouden en uithouden weten, maar wij doen dat niet zonder perspectief. Ons uithouden wordt nooit een bij de pakken neerzitten. Wij blijven putten uit een vaatje dat nooit opraakt, want het perspectief van een andere werkelijkheid is werkelijke hoop en blijvende troost. Wij weten dat het licht zal doorbreken en al is doorgebroken en beantwoorden dat met het licht dat wij in Naam van Jezus Christus mogen zijn. Ik hoop en bid dat wij zó voorbeeldig zijn, midden in deze tijd.

Amen

Zevende zondag van de herfst – 1 november 2020

Wijkgemeente Wilhelminakerk, Bussum
Lezing: Matteüs 25: 1-13
ds. Wielie Elhorst